Marian en Max zijn even weg

Steeds minder

Er zijn redelijk wat landen in Europa waar we nooit geweest zijn, maar het worden er wel steeds minder. Neem nu Roemenie. Een week geleden waren we er nog nooit geweest en even zag het er naar uit dat dat vanwege wat gekwakkel met de gezondheid zo zou blijven, maar inmiddels hebben we er al weer heel wat kilometers afgelegd, couleur locale opgesnoven en lokale wijnen genuttigd.

Vrijdagmiddag vlogen we van Eindhoven naar Timisoara. Net iets meer dan twee uur - en dat had niet veel langer moeten zijn, want echt comfortabel kun je het reizen in zo'n volgepropt vliegtuig niet noemen. De vlucht hebben we trouwens maar op het nippertje gehaald, terwijl we toch zo mooi op tijd op het vliegveld waren: de security en de paspoortcontrole kostten met een half uur meer tijd dan we gedacht hadden. Timisoara is, naar het schijnt, het een-na grootste vliegeld van Roemenie, maar dat wil niet zeggen dat het groot is. Integendeel - het lijkt lijkt nog het meest op Eelde. Wat ook betekent dat de paspoortcontrole, de bagageafhandeling en het ophalen van de huurauto vlot verliepen - maar dat zou best anders kunnen zijn als er twee vliegtuigen kort na elkaar landen.

Van het vliegveld naar het hotel was maar een half uurtje rijden, mede dankzij de handige route-app op de telefoon. Hotel Galaxy is modern, comfortabel maar niet erg gunstig gelegen aan een drukke invalsweg. Het heeft een heel redelijk maar voor Roemeense begrippen duur Italiaans restaurant.

De ochtend van onze eerste dag hebben we wat rondgekeken in de binnenstad van Timisoara, Het is wel de moeite waard om daar een (halve) dag rond te lopen en te zien hoezeer de stad lijkt op Wenen en Budapest (maar veel en veel kleiner). We hebben er een klein beetje gewinkeld en wat gesnoept van echte Roemeense delicatessen (gefrituurd deeg met jam-, kaas- of vleesvulling). Ook even snel een museum in een barokpaleisje bezocht, met schilderijen en beeldhouwwerk van de vroege middeleeuwen tot heden (ook een paar minder bekende schilders uit deNederlandse Gouden eeuw) en een tentoonstelling met schilderijen en een installatie van een kunstenares die ons in levenden lijve ontving en die ons graag alles had verteld over hoe ze zich door lucht en licht had laten inspireren.

Van Timisoara ging de reis die middag naar Bazna. Een paar honderd kilometer, maar wel vier uur rijden. Eerst over een redelijk lege snelweg, maar vervolgens een groot deel over een veel drukkere tweebaansweg. Enigszins enerverend, want sommige Roemenen rijden opmerkelijk snel en nemen forse risico's bij het inhalen. Wat zomaar tot gevolg kan hebben dat je een uur in een lange file staat tot de weg na een aanrijding weer is vrijgemaakt. Wij hadden het geluk dat de betrokken auto's allebei ver in de berm terecht waren gekomen, dus het oponthoud was wat korter. Het laatste deel van de reis ging over veel rustiger wegen door kleine dorpjes, waar een redelijk diverse bevolking, deels in kleurige klederdracht, voor hun huizen van de late middagzon genoot.

Bazna is een betrekkelijk klein dorp, maar het is ook een kuuroord. Er zijn thermische bronnen met water waaarin allerlei mineralen zitten die goed voor de gezondheid zouden moeten zijn, en daarom komen mensen er al ruim een eeuw naartoe om genezing te zoeken van uiteenlopende kwalen. Wij verbleven in het hotel dat bij de kuurbaden hoort. Stel je daarbij niet een Kurhaus voor, maar een wat groot uitgevallen chalet dat een jaar of twintig geleden is gebouwd. Vier verdiepingen: op de begane grond vooral het zwembad en de sauna, daarboven twee etages met kamers (een stuk of 30 in totaal) en op zolder een fitness-ruimte. Op het terrein verder nog wat grotere en kleinere gebouwen, met in een ervan het restaurant. Het hotel vooral gevuld met Roemenen - deels wat jonger dan wij, maar ook een aanzienlijk aantal ouderen. Plus, zo ontdekten we, een stuk of wat Nederlanders die dezelfde rondreis maakten als wij. In het restaurant een duidelijk onderscheid tussen de pensiongasten (een vast, wat karig aandoend menu) en de overigen die zich a la carte kunnen laten verwennen. Het eten en de Roemeense wijn niet verfijnd maar grotendeels wel smakelijk - en enorm goedkoop.

Op zondag een uitstapje gemaakt naar het nabijgelegen dorpje Boian, met halfverharde wegen en een opvallende "burchtkerk": een kerk met om het kerkhof een hoge, dikke muur met daarin een stevige poort met toren - duidelijk gebouwd als een goed te verdedigen vesting waarin het hele dorp zich (eeuwen geleden) kon terugtrekken wanneer er weer eens een legertje langskwam. Interessant, overigens, dat er in zo'n klein dorp opvallend veel kerken (orthodox, katholiek, luthers en overig protestant) waren en dat het oudere deel van de kerkgangsters in klederdracht ging. Mooie, grote boerderijen naast onverklaarbaar bewoonde bouwvallen - die dan soms toch weer dubbel glas en sateliettelevisie bleken te hebben. Gloednieuwe Mercedesen naast aftandse Dacia's en Skoda's, en paard-en-wagen. Nauwelijks als zodanig herkenbare winkeltjes ter groote van een huiskamer, volgestouwd met de meest uiteenlopende waren en ook een uit het communistisch tijdperk overgebleven grote winkelhal - bijna leeg.

Na dit bezoek even doorgereden naar een leuk vestingstadje in de buurt (Medias) en na de lunch door een enorme onweersbui weer terug naar het hotel. Een halfuurtje in het zwembad, waar alle andere hotelgasten ook bleken te zijn: staand in het bijna zwarte water. Of, zo ontdekten we, niet eens staand, maar verticaal drijvend zonder te hoeven watertrappen. Het water was zo zout dat je niet eens kon zwemmen, omdat als je horizontaal probeerde te liggen, je benen telkens boven water kwamen.Bij dit alles viel ons op dat het feit dat we nauwelijks een woord Roemeens spreken (en wat we spreken is onbewust: "dank u" is "merci", "rekening" is "nota", "tot ziens" klinkt als "arrivederci" en "goeie dag" als "bon dia") geen probleem was - veel mensen, niet alleen de jongeren, spreken heel behoorlijk Engels en ook met Frans of Duits kun je bij sommigen terecht.

Laatste dag

Het is onze laatste volledige dag in Engeland – morgenavond hopen we op de veerboot terug te zitten. Het is ook de tot nu toe guurste dag: fris, veel wind, zwaarbewolkt. Een groot verschil met gisteren, toen we -tegen de verwachting in, want er was regen en zelfs onweer voorspeld- een heel warm en zonnig bezoek brachten aan een van de leukste Engelse tradities: een land- en tuinbouwshow. Meer precies: de 104th Aldborough and Boroughbridge Agricultural Show bij Newby Hall & Gardens, in de buurt van Ripon. Niet dat we zo enorm geïnteresseerd zijn in (oude) tractoren en andere landbouwwerktuigen, de mooiste koeien of de hengsten die het best achteruit kunnen lopen, maar de feestelijke sfeer is aanstekelijk. En dan – die tractoren, koeien en paarden zijn ook best interessant om te zien, net als de grootste uien, mooiste doperwten en beste stengels koolzaad, of de fraaiste prestaties op het gebied van brood en cake bakken, “schilderen” met macaroni of papier-maché, bloemschikken in “unusual containers” of met één bloem en drijfhout. En ook de demonstratie “Duck herding and sheepdog handling” en de oldtimer auto’s mochten er zijn. Maar het absolute hoogtepunt voor ons was ook dit keer weer de race waarbij honden achter een aan een lijn voortgetrokken lokaas moeten rennen. Eerst een paar races met steeds drie of vier terriërs, die op het eind ook nog eens door een gat in een muur van hooibalen moesten, later nog een met allerlei hondenrassen door elkaar. Het mooiste is dat volstrekt onvoorspelbaar is wat er zal gebeuren, maar wel altijd om te lachen: sommige honden begrijpen pas na een tijdje wat de voorkant van het starthok is, andere komen pas in actie nadat hun concurrenten al meters verder zijn, weer andere worden helemaal niet geacht om mee te doen maar ontrukken zich aan de greep van hun baasjes en een enkele is zo snel dat hij het lokaas daadwerkelijk weet te grijpen of springt er nog even met succes naar als het al twee meter boven de grond gehouden wordt. En een windhond die langzaam op gang komt, vervolgens vaart maakt en al finisht als de rest van het veld nog maar halverwege is, is beslist een fraai gezicht.

We bezochten deze show vanuit Harrogate, een redelijk welvarend stadje in Yorkshire. Een badplaats ook, al ligt het ver van zee: er zijn hier diverse mineraal houdende (warme) bronnen die al eeuwenlang bezoekers trekken omdat ze geneeskrachtig (zouden) zijn. Verder heeft het een aardig centrum, een paar grote parken en 130 restaurants. Plus een monument ter herdenking van het feit dat in 2014 hier de Tour de France begon. We verblijven in een appartement in een redelijk groot herenhuis een stukje buiten het centrum, gevonden via Airbnb. Woonkamer, slaapkamer, keukentje en badkamer – tot voor en jaar geleden bewoond door Paul, die bij zijn vriendin Sarah is ingetrokken en een complete inrichting (waaronder een goed, breed bed) heeft achtergelaten. De bezienswaardigheden hebben we grotendeels al gezien, het restaurant van gisteren beviel goed en dat wat we vanavond probeerden viel tegen - maar we houden nu eenmaal van avontuur.

Voordat we naar Harrogate gingen, waren we nog een weekje in Skipton. Een nog kleiner stadje in Yorkshire (maar 30 km van Harrogate) en met nog minder bezienswaardigheden: een kasteel, een kerk en een kanaal. Maar wel veel winkels en op vier dagen in de week een markt – dat alles toch vooral gericht op de toeristen, van wie velen door het stadje komen (of er via de rondweg omheen rijden) op weg naar de Yorkshire Dales, een populaire vakantiebestemming met veel wandelmogelijkheden van diverse zwaartes. Wij hebben daar geen gebruik van gemaakt, maar ons beperkt tot een aangenaam rondje door het bos achter het kasteel. De overige tijd hebben we vooral doorgebracht met een goed boek op het terras van ons huisje (op de dagen dat het te warm was om te wandelen) of in de woonkamer (op de dagen dat het regenachtig was). Een prettig huisje, trouwens, met een zodanig goed ingerichte keuken dat we niet eens een restaurant hebben bezocht.

Bezoekers kregen we overigens wel. Een paar avonden kwam er aan het begin van de schemering een familie fazanten langs (of eigenlijk waren het twee families die elkaar afwisselden, meenden we te zien): mannetje, vrouwtje en kuiken. Niet bepaald schuw, dus misschien waren ze gewend gevoerd te worden.

Zagen we nog wat cultuur? Ja. Na het museum in Kingston-Upon-Hull waarover we al schreven, in Llandudno een concert door een koor dat zowel klassiek als lichter genre zong en in Harrogate een tentoonstelling van schilderijen, foto’s en beeldhouwwerk van lokale kunstenaars. Van “best aardig” tot uitgesproken goed. Maar dat was het wel zo’n beetje.

Weinig opwindend, dus. En daarom nu nog even terug naar de vraag: hoe gaat het nu eigenlijk met dit land? Tja, voor zover wij daarover iets kunnen zeggen op basis van de waarnemingen die we nu gedaan hebben en die in elk geval in zoverre vertekend zijn dat we geen grote steden bezocht hebben: het hangt er erg vanaf waar je kijkt, en hoe. Zo’n evenement als we gisteren bezochten laat een redelijk welvarend platteland zien, waar de tijd niet zozeer stilstaat alswel eens per jaar stilgezet wordt en de wereld heel klein is (als buitenlanders vielen we er niet op, en de ene mevrouw die vroeg waar we vandaag kwamen was vol complimenten over de Nederlanders die altijd zo vriendelijk en vrolijk waren – we hebben haar maar in die waan gelaten). En eigenlijk geldt dat ook voor stadjes als Harrogate en Skipton, waar je aan een deel van de huizen en winkels kunt zien dat er (veel) geld is. Maar je ziet er ook de armoede: deels aan het winkelaanbod, deels aan de mensen op straat. Veel ouderen hebben het duidelijk niet breed en tussen de winkels met dure merken vind je ook de Poundstretchers en de liefdadigheidswinkels. Wales is duidelijk minder welvarend, en Kingston-Upon-Hull -de grootste stad waar we waren- heeft duidelijk zijn minder welvarende delen. Maar over het geheel genomen doet het VK zich nog altijd aan ons voor zoals we het eerder zagen: een land dat op veel plaatsen in verval is maar niet op de plaatsen die altijd al een redelijke welvaart uit de landbouw verwierven, en met ook overigens grote verschillen tussen rijk en arm.

En de Brexit? We hebben er niet veel mensen over gehoord. De Britten die we kenden en spraken, waren er treurig over. Een enkeling die we niet kenden maar die er toch iets over zei, leek blij dat het VK zich ontworsteld had aan de overheersing van de Fransen. En voor het overige gaat het leven gewoon door, en lijkt het vooral een zaak waarover alleen een beperkt aantal mensen zich (ernstige) zorgen maakt. Maar voor zover dat in het publieke debat komt, gebeurt dat voornamelijk in de marge van de media.

Genoeg, voor nu. Morgen inpakken en dan een ritje van nog geen 150 km. Onderweg nog een of twee stadjes bezoeken, maar die komen dus niet meer in dit blog.

Valkenburg (alweer)

Wie ons reisblog al wat langer volgt, zal zich wellicht afvragen waarom er dit keer zo veel tijd tussen de blogs zit. Hebben we geen internet? Geen zin? Niets te vertellen?

Het eerste was het in elk geval niet - althans niet sinds we ons eerste huisje in Wales verlaten hebben, want daar was internet traag en de Wifi zwak. En dat we niets te vertellen hebben, valt ook wel mee. Al moet gezegd worden dat we zeker geen grootste avonturen beleven. En daarmee komen we op de zin. Waarmee het eigenlijk wel goed zit. Dat wil zeggen, we zijn momenteel heel tevreden met een nogal laag tempo, waarbij we veel op één plek zijn en een groot deel van onze tijd besteden aan de inwendige mens: geestelijk (lezen) en lichamelijk (eten). Waarbij overigens die geestelijke inwendige mens interessanter voeding krijgt dan de lichamelijke, maar dat is logisch. We zijn in Engeland en Wales, per slot van rekening.

Toch zijn er wel wat dingen die de moeite van het vertellen waard zijn. Om te beginnen: de tocht van Devil’s Bridge (waar we de eerste week zaten) naar Llandudno (verblijfplaats tweede week) was in kilometers niet zo lang, maar kostte toch meer uren dan we verwacht hadden. De wegen in Wales zijn niet breed en wel redelijk bochtig, dus je zit zomaar een half uur achter iemand die nooit last heeft van files omdat hij altijd vooroprijdt. Gelukkig werd dat ongemak gecompenseerd door de uitzichten en waren we hem inmiddels voorbij tijdens het mooiste deel van de tocht: het traject door Snowdonia National Park. Het is een van de ruigere berggebieden van dit eiland, overigens zonder dat het heel hoog is (Snowdon, de hoogste berg, is nog geen 1.100 meter). Het is er leeg, maar hier en daar ligt er een stadje. Waaronder Blaenau Ffestiniog, dat midden in het natuurpark ligt maar er zelf, met een ruim gebied eromheen, geen deel van uitmaakt zodat de leisteenwinning ongestoord kan doorgaan. Mooi is het dus niet, maar we vonden het wel leuk om het nu eens te zien terwijl de zon en beetje scheen. De vorige keer dat we hier waren, ruim 30 jaar geleden, regende het voortdurend. Althans, zo herinneren we het ons – maar dat komt misschien omdat we kampeerden.

Nu reden we er slechts doorheen, op weg naar de plaats waar we de tweede week van onze vakantie zouden doorbrengen: Llandudno, aan de noordkust (we stopten voor de lunch nog even in Betws-Y-Coed, maar daar valt echt weinig over te melden – behalve dan dat het er druk was). We kwamen daar vroeg op zaterdagmiddag aan, op wat achteraf bleek ongeveer het drukste moment van de week te zijn. Een file op de toegangsweg en erg veel mensen op de trottoirs van de voornaamste winkelstraat, op de terrasjes en op het strand (met ezeltjes). Inderdaad: we hadden Valkenburg weer gevonden, zij het ditmaal aan zee.

Ons verblijf was een appartement in een ruim 100 jaar oud huis in een rustige villawijk tegen de heuvel. Slaapkamer, badkamer, woonkamer met keukenhoek (onbruikbaar, omdat de afzuigkap niet was aangesloten). Eigendom van een dame die vertelde dat ze bezig was het huis op te knappen en dat ons appartement recent gerenoveerd was. Dat was zeker te zien, maar helaas ook dat het budget kennelijk beperkt was geweest, waardoor veel nu al een wat shabby indruk maakte. Bij het huis een grote tuin, waar we na een verkennend tochtje door de stad fijn konden zitten met een e-book (wat is dat trouwens een geweldige uitvinding voor de vakantieganger) en een glas cider.

Hoewel -of misschien moeten we het zo langzamerhand toegeven: omdat- Llandudno vooral gebouwd is voor het toerisme, is het wel een aangename stad. Een lange boulevard langs het strand van een schiereiland, een pier, een paar brede en wat smallere straten in een ruitpatroon daarachter en vervolgens weer een strand (veel minder druk), grote hotels / herenhuizen uit de tweede helft van de 19e en de eerste decennia van de 20e eeuw, veel restaurants. Met zo’n 20.000 inwoners niet groot, maar ’s zomers lopen er waarschijnlijk meer toeristen rond dan inwoners. Op de kop van het schiereiland een grote (maar niet erg hoge) heuvel, the Great Orme, waarvan de top (met daarop een gebouwencomplex dat in WO II een radarobservatiepost huisvestte) goed te voet te bereiken is, maar ook met een kabelbaan en een kabeltram. Wij namen de laatste. Mooie uitzichten, bij mooi weer tot aan Liverpool en het eiland Man, al kun je van mening verschillen of een veld windmolens in zee echt zo fraai is. Maar ach, zei de eigenaar van een visrestaurant die we daarnaar vroegen: de helft van de tijd zie je ze toch niet, vanwege de mist. Zelf was hij trouwens vooral heel blij met het windmolenpark, want er school daar veel vis en die was dus een stuk makkelijker te vangen. Wat hij op tafel zette was nogal goed, dus wie waren wij om hem tegen te spreken.
Overigens bezochten we nog een goed restaurant, Osborne’s Café & Grill. Dat deden we op aanraden van twee “locals” met wie we een borreltje dronken (vogelaars die we een paar jaar geleden ontmoetten tijdens onze vakantie in Nieuw Zeeland van wie we ontdekten dat ze in Llandudno woonden nadat we besloten hadden daar naartoe te gaan).

We hadden geen behoefte om er veel op uit te trekken, al liet het weer dat de meeste dagen wel toe. Wel wat gewandeld in de directe omgeving, en op twee mooie plaatsen wat verder weg. Op een prachtige zonnige dag maakten we vanaf het schiereiland dat ons tijdelijk verblijf was, een uitstapje naar een ander schiereiland. Dat wil zeggen: Ynys Llanddwyn is in elk geval bij laag tij verbonden met het eiland Anglesey (dat weer met bruggen verbonden is met het vasteland van Wales – voor zover je in dat geval van vasteland kunt spreken, natuurlijk) dus in die zin is het wel een schiereiland. En het had zelf ook weer een schiereilandje waar we naartoe gewandeld zijn, dus …. Nou ja, belangrijkste: het leverde een prettige wandeling van een uur of twee op met veel mooie uitzichten, vooral op de bergen van Snowdonia.
Op een wat bewolktere dag bezochten we Bodnant Garden, een formele tuin, een romantische tuin en een park bij het landgoed Bodnant. Ook mooi, smaakvol aangelegd en fraai beplant, zelfs met forse seguoia’s, maar helaas niet meer zo in voorjaarsbloei. De beroemde tunnel van goudenregen is dan vast indrukwekkend.  Al waren er nog genoeg pollen in de lucht om een sluimerende hooikoorts heel virulent te maken.

Waar we natuurlijk nog wel wat aan gedaan hebben, is ons afvragen hoe het nu eigenlijk gesteld is met het Verenigd Koninkrijk en zijn inwoners. Het blijft ingewikkeld. Ook in Llandudno is de eerste indruk die je krijgt er een van vervallen glorie, nette armoede en zo nu en dan opzichtig vertoon van rijkdom. Maar misschien komt dat omdat de schoolvakanties nog niet begonnen zijn en (daardoor) het straatbeeld bepaald wordt door ouderen. En als je die ziet, krijg je niet de indruk dat de pensioenen hier hoog zijn. Wat je ook ziet, zijn de tekenen van een ongezond leven. Vooral erg veel mensen met (ernstig) overgewicht.
Tegelijkertijd toch ook, vooral tijdens de weekends, heel wat mensen die het duidelijk beter gaat. Net wat beter gekleed en ook wat te besteden aan attracties, eten en drank. In de winkels opvallend veel mensen van boven de 40 achter de kassa en als vakkenvuller – zou er hier niet een lager minimumloon voor jongeren bestaan? Of zijn er hier gewoon minder jongeren?
We zijn er nog niet uit

Y Gwyll

Wie de serie Hinterland (in het Welsh: Y Gwyll, en dat betekent dan weer “de schemering”) heeft gezien, moet haast wel de indruk hebben gekregen dat het in Wales heel vaak en veel regent. Dat sluit ook aan bij onze eigen herinnering van inmiddels zo’n 35 jaar oud, toen we er midden in de zomer kampeerden: koud, nat, winderig. We hoefden er dan ook niet lang over na te denken toen we, mede door de prachtige landschappen die we in die serie ook te zien kregen, geïnspireerd werden weer er eens een vakantie door te brengen: dat gingen we niet in onze tent doen, maar in een huisje.

We zaten een week middenin dat decor van Hinterland, en het heeft inderdaad elke dag geregend. Vooral ’s nachts, waarna het overdag snel droog werd en vaak ook helemaal opklaarde. We hebben dan ook bijna elke dag wel kunnen wandelen en een aantal keren ook kunnen eten op ons terras – deels in de stralende zon, bij temperaturen van tegen de 20 graden.

Onze cottage stond in de buurt van de locatie die een belangrijke rol speelt in de eerste aflevering van het eerste seizoen en het hele derde seizoen van Hinterland: Devil’s Bridge (of Pontarfynach), een dorpje op de plek waar de rivier Mynach uitmondt in de bredere Rheidol. Belangrijkste attractie: de drie boven elkaar gebouwde bruggen over de Mynach en een ca. 100 meter hoge waterval in die rivier. Plus een smalspoortreintje, ruim honderd jaar geleden gebouwd om toeristen uit de badplaats Aberystwyth hierheen te brengen (maar misschien ook wel vanwege de mijnbouw die in deze omgeving floreerde). In Devil’s Bridge is naast wat op toeristen gerichte activiteit (een hotel met -redelijk goed- restaurant, een camping, een souvenirwinkel) niet veel te vinden – zelfs geen pub. Lekker rustig wel, al betekende het dat we voor inkopen tenminste een halfuur moesten rijden: naar Aberystwyth (redelijk wat winkels) of naar Rhayader / Llansantffraed-Cwmdeuddwr (een kruidenier, een slager en nog een beetje meer). Geen probleem – de wegen zijn rustig en breed zat (naar Aberystwyth) of smal maar mooi gelegen (naar Rhayader). En halverwege op de weg naar Aberystwyth ligt de Halfway Inn, een pub waar wij gegeten hebben aan hetzelfde tafeltje waar de hoofdpersoon uit Y Gwyll een ansichtkaart in handen krijgt die de sleutel blijkt te zijn in een van de mysteries die hij moet oplossen.

Bijzonder mooi vonden we de uitstapjes die we maakten naar een aantal grote waterreservoirs in de bergen, ontstaan door de aanleg van stuwdammen. Die in de Elan Valley zijn zo’n 120 jaar oud en werden aangelegd ten behoeve van de watervoorziening van Birmingham, 117 km verderop. De meren liggen fraai in het ruwe landschap, dat op een minder zonnige dag dan dat wij er waren overigens bijzonder desolaat moet zijn. De dammen zelf zijn interessante en redelijk fraaie bakstenen bouwsels.
Dat geldt iets minder voor de dam van het Nant-y-Moch stuwmeer, die zo’n 50 jaar geleden werd gebouwd om elektriciteit op te wekken. Maar het meer ligt wel weer erg mooi, in een misschien nog wel wilder berggebied (waarbij je je overigens geen hoge en scherpe toppen moet voorstellen, maar meer een glooiend terrein). Op allerlei punten weidse vergezichten, waarbij het voor je appreciatie ervan uitmaakt of je windmolens horizonvervuiling vindt of bewonderenswaardige staaltjes technologie.

Wat we natuurlijk niet konden overslaan, was een wandeling bij Devil’s Bridge, en in het bijzonder langs de waterval. De man die ons de kaartjes verkocht, keek ons eens goed aan en suggereerde dat we wel in aanmerking kwamen voor het senior-tarief. Dat bleek vanaf 60 jaar te gelden, dus: ja. Nadat we betaald hadden, wees hij ons erop dat we de volledige wandeling wel zwaar zouden kunnen vinden – 700 deels forse treden op dan wel af. Maar ach, “u kunt ook alleen het eerste stukje doen”. Het bleek een goede aansporing, want zelfs bij de bijzonder steile “Jacob’s Ladder” waar we een stuk met ruim 100 treden af moesten, zetten we door. Waarna de klim aan de andere kant van het water eigenlijk wel weer meeviel. Hoe dan ook: het was de moeite waard. De waterval is niet breed, maar wel imposant en de omgeving is lekker ruig.

Aberystwyth, ten slotte, is een stadje zoals we er meer gezien hebben: eens een echte toeristentrekker, nu vooral in verval. Een pier en hotels aan de boulevard die betere dagen hebben gekend, verwaarloosde gebouwen, een schraal winkelaanbod (maar wel voldoende als je geen te hoge eisen stelt). Waarmee ook hier de vraag zich opdrong: hoe gaat het eigenlijk met dit land? Maar daarover later meer.

Hull is never dull

Een winkelcentrum dat dertig jaar geleden heel modern was, om negen uur op een donderdagochtend. We stopten er kort na onze aankomst in Hull even omdat er een parkeergarage was en we er een kopje koffie wilden drinken om de tijd stuk te slaan voor we bij onze eerste bestemming terecht konden. Deprimerend. Weinig klanten – maar dat was rond lunchtijd al wat anders. Veel lege winkelruimten. Daartussen outlets van merken die bij ons vorige bezoek aan Engeland -meer dan vijf jaar geleden- nog redelijk mooie dingen hadden maar nu vooral allerlei onaantrekkelijks. Winkels met prullaria voor één of twee pond, aangeprezen als ideaal om cadeau te doen. Andere met juist weer misplaatst dure schoenen. En dan toch nog een enkele zaak die ons wel aansprak en waar we in de uitverkoop een paar aardige zomerschoenen vonden.

Maar goed, daar kwamen we niet voor. Wel om een kijkje te nemen in de naast dit winkelcentrum gelegen Ferens Art Galery. Niet omdat we daar eerder van gehoord hadden, maar gewoon omdat het kon. Het bleek een opmerkelijk mooi museum te zijn. Een oud, klassiek gebouw, net gerenoveerd. Een brede collectie -van Italiaanse Renaissance via Nederlands-Vlaamse Gouden Eeuw naar Brits hedendaags. Plus, te leen uit de National Galery, een heel fraaie Rembrandt en een tentoonstelling met als thema “Skin”. Een paar van de rauwe schilderijen van Lucian Freud tegenover de vervreemdend realistische werken van beeldhouwer Ron Mueck, met daar omheen weer de bijzondere foto’s van Spencer Tunick die hele mensenmenigten naakt liet poseren in en rond Hull.

Maakte dit museum de slogan “Hull is never Dull” dus waar, in de rest van de stad was op deze druilerige donderdagochtend weinig te merken van het feit dat Hull momenteel de culturele hoofdstad van Engeland is. Rond de binnenstad een ring van grauwe huizen en bedrijfspanden die in alles jaren van economische achteruitgang lieten zien, en daarbuiten een ring van (half) vrijstaande  huizen aan groene lanen waarbij je ook niet het gevoel had dat je hier echte welvaart zag.

Dat was dan weer wel het geval in het nabijgelegen Beverley, een klein marktstadje met een grote kathedraal en daarnaast een park met monumenten voor de vele gevallenen in de twee grote oorlogen van de vorige eeuw (en de oorlogen waar Engeland daarna bij betrokken was). Huizen en winkels in het centrum goed onderhouden, daarbuiten nauwelijks zichtbaar in de grote tuinen. In de kathedraal deden we waar we vroeger een beetje om meesmuilden als we het in de reisgidsjes (die groene van de ANWB) als aanbeveling zagen staan: we bewonderden het houtsnijwerk van de middeleeuwse kerkbanken en de beschilderde plafonds. En we zagen het in witte steen uitgesneden konijn dat Lewis Caroll (en via hem Jefferson Airplane) inspireerde.

Nog een kopje thee en toen echt op weg: eerst verder naar het noorden en vervolgens door de North Yorkshire Dales en Moors naar het westen. Bestemming: het nabij Carlisle gelegen gehucht Beaumont waar we twee nachten logeerden bij vrienden die daar wonen in een cottage, ongeveer op de plek waar Hadrian’s Wall zijn westelijke uiteinde had. Het zou dus zomaar kunnen dat in hun huis stenen uit die muur verwerkt zijn, maar aan die mogelijkheid hebben we minder aandacht besteed dan aan hun en ons wel en wee sinds de vorige keer dat we elkaar zagen. Waarbij, naast de zegeningen van het gepensioneerd zijn (en de laatste loodjes daaraan voorafgaand) en de Brexit, vooral “The wedding” (van hun dochter, die we al sinds haar geboorte kennen) een onuitputtelijke bron van verhalen bleek.

Een bezoek aan Judy en Ian is niet compleet zonder een (stevige) wandeling, en die was dan ook gepland voor de vrijdag. Nou ja -stevig- ze hadden uit ons relaas over vervangen heupen iets teveel de indruk gekregen dat onze conditie niet optimaal is. Daarom werd het een wandeling van minder dan 10 kilometer en geheel over vrijwel vlak terrein: een rondje Buttermere (in het Lake District). Gecombineerd met een bezoekje aan Cockermouth, een redelijk welvarend stadje met een opmerkelijk gevarieerd winkelaanbod (nauwelijks van landelijke ketens). In een antiekzaak vond Ian daar voor ons een Ordnance Survey kaart van het gebied rond Snowdonia, in de buurt van onze volgende bestemming. Uit 1953 weliswaar, maar wat verandert er nu in die tijd?

Dat, en meer, in onze volgende blogs.

Middellandsezeecruise

Hele dagen aan het strand zitten of, nog luier, aan de rand van het zwembad van je hotel – dat is niets voor ons. Denken wij. Dachten wij. Want ons hotel in Deia zijn we alleen maar uit geweest voor het diner en om wat te halen voor de lunch. De rest van de tijd hebben we doorgebracht in de tuin en op ons balkon. En ook, een paar minuten, in het zwembad, maar dat was zo koud dat we het verder maar gelaten hebben voor wat het was.

Gelezen hebben we, veel gelezen. Sudokus gemaakt. Geluierd. Goed gegeten, eigenlijk elke avond. Waarvan twee keer zelfs heel goed, bij Sebastian (waar we trouwens ook een hele lekkere Mallorcaanse wijn dronken, een mooie droge Viognier) en bij Sa Vinya. Jammer wel dat het ’s avonds al vroeg wat koud was om op het terras te zitten, maar alles bij elkaar heerlijk om op deze manier ruim 2 dagen door te brengen.

En dus valt er verder over Deia wat ons betreft niets meer te melden. Door, dus, naar onze laatste bestemming op Mallorca: Estellencs. Was Deia nog een stadje, met wel twee mini-mercados, Estellencs bleek een echt dorp, met één winkel waar van de meest basale dingen een paar stuks te koop waren: “Un poco de tot”. Met achter de toonbank een meneer die we de keren dat we er kwamen (elke dag een stokbroodje) geen woord hebben horen zeggen. Verder in het dorp: een doorgaande weg, een paar zijwegen, een oud centrum met een stuk of 15 heel smalle straatjes, drie of vier restaurants en een bar waar de dorpsjeugd en -ouderen elke dag luidruchtig bij elkaar klitten.

In Estellencs hadden we zonder twijfel de mooiste kamer van deze reis: ruim, een echt comfortabel bed en een zeer aangenaam eigen dakterras. Met voldoende schaduw, gelukkig, want het weer was nu daadwerkelijk warm en zonnig. Dat weerhield ons er niet van om een paar redelijke wandelingen te maken: rond de acht kilometer, een paar honderd meter stijgen en dalen, tussen de twee en drie uur uit en thuis. Geen echte prestaties dus, maar de conditie wordt langzaamaan beter.

En ja, toen was het zover. Na nog een dagje luieren begaven we ons naar San Telm, om ons in te schepen voor onze cruise. Ook zoiets waarvan we altijd gedacht hadden dat het niets voor ons was – maar ja, je moet alles een keer geprobeerd hebben, nietwaar?

Op de kade schrokken we wel even. Tussen de wachtenden ook een schoolklas van de internationale school: een stuk of 25 luidruchtige jeugdigen, met een juf erbij die probeerde ze te overschreeuwen. Nou ja, gelukkig waren we de haven nog maar net uit of de eerste gezichten werden, ondanks de rustige zee, wat bleek. De herrie verstomde allengs, en we genoten van de rust, het water en de zon.

De eerste “leg” van onze trip was maar kort, dus eigenlijkwaren we nog maar nauwelijks gewend aan het leven aan boord of we moesten al weer aan wal, op Sa Dragonera – het Drakeneiland. Hier stond een wandeling gepland naar een vuurtoren op de top van de hoogste berg, en onderweg zouden we ongetwijfeld de nodige draken tegenkomen. En jawel. We waren nog geen 100 meter op weg of voor ons bleef iemand plotseling stokstijf staan, wijzend naar een muurtje langs de weg. En toen zagen wij het ook: twee paar ogen die ons schattend aankeken. Viel hier wat te eten of niet?

Ach ja, de draken waren doodgewone hagedissen, de berg een meter of 200 hoog en het vlaggeschip van Cruceros Margarita een bootje dat een stuk of 35 mensen kon vervoeren, als ze dicht op elkaar gepakt zaten, en dat in 20 minuten de afstand naar het eiland aflegde. Maar: de wandeling was mooi, en het was ons nog niet eerder overkomen dat we tijdens het nuttigen van een boterhammetje op een bankje naast het pad een stuk of 50 hagedissen letterlijk van ons af moesten schudden.

En daarmee zijn onze 14 dagen op Mallorca weer (zo goed als) voorbij. Morgenochtend nog even rustig aan, dan een uurtje rijden naar La Palma en aan het eind van de middag de terugvlucht. Benieuwd of het in Nederland al lente is.

Afgelegen

Vaak als we weer eens op een afgelegen plek zijn, vragen we ons af hoe het is om daar geboren te zijn en op te groeien. Naar school te gaan (waar, eigenlijk, en hoe lang?), de wereld te leren kennen (hoe groot is die eigenlijk?) en iemand te vinden om mee door het leven te gaan (hoeveel keuze heb je dan?).

Ons tweede verblijf op Mallorca bood ons een uitgelezen kans om dat te ontdekken. De agroturismo Bàlitx d’Avall ligt ver van de bewoonde wereld in de punt van een vallei. Je komt er te voet (een uur lopen vanaf een bushalte aan de weg tussen twee stadjes) of met een four-wheel drive (twintig minuten rijden, afhankelijk van wie rijdt). Een ritje om de bagage op te halen uit onze langs de weg geparkeerde auto, met de dochter des huizes als chauffeur, leerde dat je het heerlijk kunt vinden om op je achtste vanuit een klein stadje naar zo’n plek te verhuizen en vervolgens elke dag tweemaal de tocht naar de bushalte te moeten maken om naar school te gaan. En dat het ook nog mogelijk is om een vriendje op te doen. Maar hoe ze haar toekomst zag, dat hebben we niet gevraagd.

Wat dit verblijf ons ook leerde, of eigenlijk weer bevestigde, is dat het in dit soort oude, als een soort burcht opgetrokken, boerderijen in de bergen altijd koud en vochtig is. Ook al is het buiten, in de zon en uit de wind, best warm. En ook al brandt er ergens in huis een haardvuur. Er moet dus veel gedaan worden om het verblijf comfortabel te maken – en dat was hier niet echt het geval. De bedden waren niet zo best, het overige meubilair schamel en versleten, deuren en ramen kierden en het sanitair – nou ja, daar was niets mis mee.

Waar ook niets mis mee was, en wat uiteindelijk het gebrek aan comfort wat ons betreft voldoende compenseerde om de volle drie dagen te blijven, was de vriendelijkheid van de mensen. In het bijzonder de uit Tsjechië afkomstige seizoenshulp, die ons afwisselend in Spaans, Duits en Engels vertelde dat zij zich ook zo verkeken had op de temperaturen hier: de eerste weken had ze kleren van haar werkgever moeten lenen om althans een beetje warm te blijven. Zij zorgde er ook voor dat we de laatste dag en nacht een kamer hadden die wel voldoende warm te krijgen was met de elektrische radiator.

De dagen in zo’n afgelegen oord zijn simpel. Een beetje uitslapen, en dan een eenvoudig doch voedzaam ontbijt. Vervolgens wat in de zon zitten, voor zover aanwezig, en dan een uurtje of wat wandelen in de -overigens heel mooie- omgeving. Tijdens de wandeling het verstrekte lunchpakketje eer aandoen en na terugkeer nog wat uurtjes op het terras. In de middag scheen de zon gelukkig wel steeds. Zodra de zon achter de bergen verdween de warme kleren weer aan, en dan om acht uur aan tafel voor het avondeten. Stevige boerenkost: dikke soep, een stoofschotel van lam of konijn, wat aardappels en een beetje groenten, een goed vullend dessert – en een glaasje Mallorcaanse likeur die erg aan Pernod deed denken. Dan nog wat lezen bij het haardvuur, en naar bed.

Bijzonder aan zo’n afgelegen plek is natuurlijk ook dat je wat afgesneden bent van de rest van de wereld. Waarschijnlijk was er wel ergens een tv in huis, maar in elk geval niet voor de gasten. Internet was er niet en mobiel bereik was beperkt tot een paar plekken in en rond het huis – als je geluk had. Misschien niet iets wat je voor langere tijd wilt, maar voor een paar dagen is het toch wel lekker.

Hoe dat ook zij – we vonden het niet erg om na drie dagen met onze bagage weer naar onze auto vervoerd te worden en daarbij ook te ervaren dat een ritje in een terreinwagen over zo’n ruw pad niet echt een pretje is voor je botten, je nieren en de vullingen in je kiezen.

Warm en zonnig

Warm en zonnig, zo hadden we ons Mallorca voorgesteld. En vanuit die gedachte hadden we onze koffers gepakt: korte broeken en dunne truitjes, overhemden met korte mouwen. En ja, wat stevigers om in te wandelen – we gingen immers de bergen in. En op het laatste moment toch ook maar onze donsjasjes en regenjacks.

Die late ingeving bleek een gelukkige greep. Toen we aankwamen in Palma was het warm, maar naarmate de zon zakte werd de wind steeds killer. En in ons appartement was het ronduit koud. Grappig, trouwens – we hadden een rustig plekje voor één nacht gezocht en dat was goed gelukt: we bleken in een soort bejaardenflat terecht te zijn gekomen. Een beetje buiten maar wel op loopafstand van het centrum. Voor ons dan, want voor onze rollatorgebonden medebewoners was het mooie deel van de stad waarschijnlijk net wat te ver weg.

Een middag en een ochtend hebben we er rondgelopen. Een enkel toeristisch hoogtepunt gezien, van een afstandje, en een bezoekje gebracht aan het museum voor contemporaine kunst. Zoals wel vaker bij dergelijke musea een mooi, interessant stukje architectuur met een inhoud die maar zeer ten dele kon bekoren.

In de middag onze huurauto opgehaald, en op weg gegaan naar de agroturismo waar we de eerste vier nachten zouden verblijven. Een boerderij, een kilometer of vijf buiten Pollença in het Noordoosten van het eiland. Ver van alle drukte – behalve hordes fietsers die met grote snelheid in groepjes over de smalle weggetjes scheurden, of juist eenzaam slingerend en met een slakkegangetje de hellinkjes probeerden te bedwingen. Een groot terrein met een mooie cactustuin (de trots van de oude dame die ons ontving en de volgende dagen met veel goede zorgen omringde, en die heel blij was dat wij -nou ja, een van ons- zo’n aardig woordje Spaans spraken) en een zwembad. Onze kamer een appartementje met twee heel lage deuropeningen (wat niet alleen ’s nachts voor heftige hoofdpijn zorgde) en twee bedden met wat afgeleefde matrassen, die overigens tijdens ons verblijf werden vervangen door beduidend betere. Als ontbijt telkens weer een andere versbereide lekkernij, en daarna nog een ruime keuze uit ander smakelijks.

Maaltijden werden er helaas niet bereid, dus daarvoor moeste we naar een van de vele restaurants in het stadje, vijf kilometer verderop. Daarvan bleken er een paar trouwens best goed en aangenaam, dus een straf was het niet echt. Alleen het terugrijden ….

De eerste hele dag dat we er zaten was het nog aangenaam weer, dus hebben we een leuke wandeling gemaakt door een dal richting zee. Niet te inspannend, wel heel mooi. Aansluitend nog een ritje naar de vuurtoren op de uiterste (oostelijke) punt van het eiland. Dat was iets wat meer mensen deden, dus het was hele stukken filerijden op de smalle, bochtige kustweg. Waarbij de vele fietsers niet eens altijd de traagsten waren.

De volgende dag koud en stevige regen. Tijd voor weer een museum. Gewijd aan de plaatselijke grootheid Dionís Bennàsar, van wie we nog nooit gehoord hadden maar die best mooie schilderijen maakte. Alleen hingen die niet in het museum, maar in een kerk elders in de stad, als onderdeel van een tentoonstelling vanwege zijn vijftigste sterfjaar. Snel uitgekeken, dus, en veel tijd om te lezen.

De dag daarop was het wel weer zonnig, maar nog koud. Prima weer om wat andere plaatsjes in de buurt te bekijken: Alcudia, met de romeinse ruïnes van de stad Pollensia, en Sa Pobla, waar we heel snel weer weg waren omdat er echt niets te beleven viel (of misschien wel, maar dan dingen die we niet wilden).

En dat waren dan onze eerste vijf dagen op Mallorca. Nog tien te gaan.