Marian en Max zijn even weg

Middellandsezeecruise

Hele dagen aan het strand zitten of, nog luier, aan de rand van het zwembad van je hotel – dat is niets voor ons. Denken wij. Dachten wij. Want ons hotel in Deia zijn we alleen maar uit geweest voor het diner en om wat te halen voor de lunch. De rest van de tijd hebben we doorgebracht in de tuin en op ons balkon. En ook, een paar minuten, in het zwembad, maar dat was zo koud dat we het verder maar gelaten hebben voor wat het was.

Gelezen hebben we, veel gelezen. Sudokus gemaakt. Geluierd. Goed gegeten, eigenlijk elke avond. Waarvan twee keer zelfs heel goed, bij Sebastian (waar we trouwens ook een hele lekkere Mallorcaanse wijn dronken, een mooie droge Viognier) en bij Sa Vinya. Jammer wel dat het ’s avonds al vroeg wat koud was om op het terras te zitten, maar alles bij elkaar heerlijk om op deze manier ruim 2 dagen door te brengen.

En dus valt er verder over Deia wat ons betreft niets meer te melden. Door, dus, naar onze laatste bestemming op Mallorca: Estellencs. Was Deia nog een stadje, met wel twee mini-mercados, Estellencs bleek een echt dorp, met één winkel waar van de meest basale dingen een paar stuks te koop waren: “Un poco de tot”. Met achter de toonbank een meneer die we de keren dat we er kwamen (elke dag een stokbroodje) geen woord hebben horen zeggen. Verder in het dorp: een doorgaande weg, een paar zijwegen, een oud centrum met een stuk of 15 heel smalle straatjes, drie of vier restaurants en een bar waar de dorpsjeugd en -ouderen elke dag luidruchtig bij elkaar klitten.

In Estellencs hadden we zonder twijfel de mooiste kamer van deze reis: ruim, een echt comfortabel bed en een zeer aangenaam eigen dakterras. Met voldoende schaduw, gelukkig, want het weer was nu daadwerkelijk warm en zonnig. Dat weerhield ons er niet van om een paar redelijke wandelingen te maken: rond de acht kilometer, een paar honderd meter stijgen en dalen, tussen de twee en drie uur uit en thuis. Geen echte prestaties dus, maar de conditie wordt langzaamaan beter.

En ja, toen was het zover. Na nog een dagje luieren begaven we ons naar San Telm, om ons in te schepen voor onze cruise. Ook zoiets waarvan we altijd gedacht hadden dat het niets voor ons was – maar ja, je moet alles een keer geprobeerd hebben, nietwaar?

Op de kade schrokken we wel even. Tussen de wachtenden ook een schoolklas van de internationale school: een stuk of 25 luidruchtige jeugdigen, met een juf erbij die probeerde ze te overschreeuwen. Nou ja, gelukkig waren we de haven nog maar net uit of de eerste gezichten werden, ondanks de rustige zee, wat bleek. De herrie verstomde allengs, en we genoten van de rust, het water en de zon.

De eerste “leg” van onze trip was maar kort, dus eigenlijkwaren we nog maar nauwelijks gewend aan het leven aan boord of we moesten al weer aan wal, op Sa Dragonera – het Drakeneiland. Hier stond een wandeling gepland naar een vuurtoren op de top van de hoogste berg, en onderweg zouden we ongetwijfeld de nodige draken tegenkomen. En jawel. We waren nog geen 100 meter op weg of voor ons bleef iemand plotseling stokstijf staan, wijzend naar een muurtje langs de weg. En toen zagen wij het ook: twee paar ogen die ons schattend aankeken. Viel hier wat te eten of niet?

Ach ja, de draken waren doodgewone hagedissen, de berg een meter of 200 hoog en het vlaggeschip van Cruceros Margarita een bootje dat een stuk of 35 mensen kon vervoeren, als ze dicht op elkaar gepakt zaten, en dat in 20 minuten de afstand naar het eiland aflegde. Maar: de wandeling was mooi, en het was ons nog niet eerder overkomen dat we tijdens het nuttigen van een boterhammetje op een bankje naast het pad een stuk of 50 hagedissen letterlijk van ons af moesten schudden.

En daarmee zijn onze 14 dagen op Mallorca weer (zo goed als) voorbij. Morgenochtend nog even rustig aan, dan een uurtje rijden naar La Palma en aan het eind van de middag de terugvlucht. Benieuwd of het in Nederland al lente is.

Afgelegen

Vaak als we weer eens op een afgelegen plek zijn, vragen we ons af hoe het is om daar geboren te zijn en op te groeien. Naar school te gaan (waar, eigenlijk, en hoe lang?), de wereld te leren kennen (hoe groot is die eigenlijk?) en iemand te vinden om mee door het leven te gaan (hoeveel keuze heb je dan?).

Ons tweede verblijf op Mallorca bood ons een uitgelezen kans om dat te ontdekken. De agroturismo Bàlitx d’Avall ligt ver van de bewoonde wereld in de punt van een vallei. Je komt er te voet (een uur lopen vanaf een bushalte aan de weg tussen twee stadjes) of met een four-wheel drive (twintig minuten rijden, afhankelijk van wie rijdt). Een ritje om de bagage op te halen uit onze langs de weg geparkeerde auto, met de dochter des huizes als chauffeur, leerde dat je het heerlijk kunt vinden om op je achtste vanuit een klein stadje naar zo’n plek te verhuizen en vervolgens elke dag tweemaal de tocht naar de bushalte te moeten maken om naar school te gaan. En dat het ook nog mogelijk is om een vriendje op te doen. Maar hoe ze haar toekomst zag, dat hebben we niet gevraagd.

Wat dit verblijf ons ook leerde, of eigenlijk weer bevestigde, is dat het in dit soort oude, als een soort burcht opgetrokken, boerderijen in de bergen altijd koud en vochtig is. Ook al is het buiten, in de zon en uit de wind, best warm. En ook al brandt er ergens in huis een haardvuur. Er moet dus veel gedaan worden om het verblijf comfortabel te maken – en dat was hier niet echt het geval. De bedden waren niet zo best, het overige meubilair schamel en versleten, deuren en ramen kierden en het sanitair – nou ja, daar was niets mis mee.

Waar ook niets mis mee was, en wat uiteindelijk het gebrek aan comfort wat ons betreft voldoende compenseerde om de volle drie dagen te blijven, was de vriendelijkheid van de mensen. In het bijzonder de uit Tsjechië afkomstige seizoenshulp, die ons afwisselend in Spaans, Duits en Engels vertelde dat zij zich ook zo verkeken had op de temperaturen hier: de eerste weken had ze kleren van haar werkgever moeten lenen om althans een beetje warm te blijven. Zij zorgde er ook voor dat we de laatste dag en nacht een kamer hadden die wel voldoende warm te krijgen was met de elektrische radiator.

De dagen in zo’n afgelegen oord zijn simpel. Een beetje uitslapen, en dan een eenvoudig doch voedzaam ontbijt. Vervolgens wat in de zon zitten, voor zover aanwezig, en dan een uurtje of wat wandelen in de -overigens heel mooie- omgeving. Tijdens de wandeling het verstrekte lunchpakketje eer aandoen en na terugkeer nog wat uurtjes op het terras. In de middag scheen de zon gelukkig wel steeds. Zodra de zon achter de bergen verdween de warme kleren weer aan, en dan om acht uur aan tafel voor het avondeten. Stevige boerenkost: dikke soep, een stoofschotel van lam of konijn, wat aardappels en een beetje groenten, een goed vullend dessert – en een glaasje Mallorcaanse likeur die erg aan Pernod deed denken. Dan nog wat lezen bij het haardvuur, en naar bed.

Bijzonder aan zo’n afgelegen plek is natuurlijk ook dat je wat afgesneden bent van de rest van de wereld. Waarschijnlijk was er wel ergens een tv in huis, maar in elk geval niet voor de gasten. Internet was er niet en mobiel bereik was beperkt tot een paar plekken in en rond het huis – als je geluk had. Misschien niet iets wat je voor langere tijd wilt, maar voor een paar dagen is het toch wel lekker.

Hoe dat ook zij – we vonden het niet erg om na drie dagen met onze bagage weer naar onze auto vervoerd te worden en daarbij ook te ervaren dat een ritje in een terreinwagen over zo’n ruw pad niet echt een pretje is voor je botten, je nieren en de vullingen in je kiezen.

Warm en zonnig

Warm en zonnig, zo hadden we ons Mallorca voorgesteld. En vanuit die gedachte hadden we onze koffers gepakt: korte broeken en dunne truitjes, overhemden met korte mouwen. En ja, wat stevigers om in te wandelen – we gingen immers de bergen in. En op het laatste moment toch ook maar onze donsjasjes en regenjacks.

Die late ingeving bleek een gelukkige greep. Toen we aankwamen in Palma was het warm, maar naarmate de zon zakte werd de wind steeds killer. En in ons appartement was het ronduit koud. Grappig, trouwens – we hadden een rustig plekje voor één nacht gezocht en dat was goed gelukt: we bleken in een soort bejaardenflat terecht te zijn gekomen. Een beetje buiten maar wel op loopafstand van het centrum. Voor ons dan, want voor onze rollatorgebonden medebewoners was het mooie deel van de stad waarschijnlijk net wat te ver weg.

Een middag en een ochtend hebben we er rondgelopen. Een enkel toeristisch hoogtepunt gezien, van een afstandje, en een bezoekje gebracht aan het museum voor contemporaine kunst. Zoals wel vaker bij dergelijke musea een mooi, interessant stukje architectuur met een inhoud die maar zeer ten dele kon bekoren.

In de middag onze huurauto opgehaald, en op weg gegaan naar de agroturismo waar we de eerste vier nachten zouden verblijven. Een boerderij, een kilometer of vijf buiten Pollença in het Noordoosten van het eiland. Ver van alle drukte – behalve hordes fietsers die met grote snelheid in groepjes over de smalle weggetjes scheurden, of juist eenzaam slingerend en met een slakkegangetje de hellinkjes probeerden te bedwingen. Een groot terrein met een mooie cactustuin (de trots van de oude dame die ons ontving en de volgende dagen met veel goede zorgen omringde, en die heel blij was dat wij -nou ja, een van ons- zo’n aardig woordje Spaans spraken) en een zwembad. Onze kamer een appartementje met twee heel lage deuropeningen (wat niet alleen ’s nachts voor heftige hoofdpijn zorgde) en twee bedden met wat afgeleefde matrassen, die overigens tijdens ons verblijf werden vervangen door beduidend betere. Als ontbijt telkens weer een andere versbereide lekkernij, en daarna nog een ruime keuze uit ander smakelijks.

Maaltijden werden er helaas niet bereid, dus daarvoor moeste we naar een van de vele restaurants in het stadje, vijf kilometer verderop. Daarvan bleken er een paar trouwens best goed en aangenaam, dus een straf was het niet echt. Alleen het terugrijden ….

De eerste hele dag dat we er zaten was het nog aangenaam weer, dus hebben we een leuke wandeling gemaakt door een dal richting zee. Niet te inspannend, wel heel mooi. Aansluitend nog een ritje naar de vuurtoren op de uiterste (oostelijke) punt van het eiland. Dat was iets wat meer mensen deden, dus het was hele stukken filerijden op de smalle, bochtige kustweg. Waarbij de vele fietsers niet eens altijd de traagsten waren.

De volgende dag koud en stevige regen. Tijd voor weer een museum. Gewijd aan de plaatselijke grootheid Dionís Bennàsar, van wie we nog nooit gehoord hadden maar die best mooie schilderijen maakte. Alleen hingen die niet in het museum, maar in een kerk elders in de stad, als onderdeel van een tentoonstelling vanwege zijn vijftigste sterfjaar. Snel uitgekeken, dus, en veel tijd om te lezen.

De dag daarop was het wel weer zonnig, maar nog koud. Prima weer om wat andere plaatsjes in de buurt te bekijken: Alcudia, met de romeinse ruïnes van de stad Pollensia, en Sa Pobla, waar we heel snel weer weg waren omdat er echt niets te beleven viel (of misschien wel, maar dan dingen die we niet wilden).

En dat waren dan onze eerste vijf dagen op Mallorca. Nog tien te gaan.

Donkere wolken

De eerste hele dag van wat onze 72 uur strandvakantie in Varadero moest worden, begon met zware bewolking en heftige regen. Daarmee leek het weer zich aan te passen aan het nieuws dat de dag daarvoor bekend was geworden: het overlijden van Fidel Castro. We hoorden het bij ons laatste ontbijt in Trinidad. De eigenaars van de Casa keken bedrukt, en het was stiller dan normaal in de stad. Geen muziek, in elk geval. Op de televisie het soort beelden dat je ook bij ons ziet in een dergelijk geval: fragmenten uit het leven van de overledene (inderdaad, de toespraken) en presentatoren die vanuit de studio met de verslaggever op straat gesprekken voeren die klonken als "Hoe is de sfeer daar?", "Nou, de mensen kijken erg bedrukt en iedereen heeft het erover", "Juist. En, Jose, is er al iets bekend over de begrafenis?", "Nou, ik weet evenveel als jullie, maar de mensen op straat verwachten dat hij een staatsbegrafenis krijgt en dat er veel gasten van over de hele wereld zullen komen om El Commandante de laatste eer te bewijzen.", "En maken mensen zich zorgen over de toekomst zonder Fidel Castro?" "Het is eigenlijk nog wat vroeg om te zeggen, mensen zijn nu nog vooral geschokt, maar ik denk wel dat velen zich zorgen maken over de toekomst.".

Nou ja, dat laatste werd misschien niet gezegd, maar de vraag dringt zich natuurlijk wel op: "Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan?". En daaraan gekoppeld natuurlijk de vraag: hoe is het nu om in dit land te leven, zijn mensen gelukkig of willen ze verandering?

Het is belachelijk om te denken dat je dergelijke vragen ook maar een klein beetje kunt beantwoorden na tien dagen als toerist door een paar plaatsen te hebben getrokken, en zonder je tevoren al te zeer in het land en zijn geschiedenis verdiept te hebben. Tegelijkertijd hebben we wel wat dingen waargenomen en geprobeerd te duiden, dingen die de komende tijd mede ons referentiekader zullen zijn om de gebeurtenissen te begrijpen.

Allereerst: we krijgen sterk de indruk dat het toerisme de enige echte bron van inkomsten voor de Cubaanse economie is. De landbouw lijkt momenteel maar net aan in staat om in de eigen behoeften te voorzien (als het al genoeg is) en sowieso nauwelijks iets te produceren wat een substantiele export kan opleveren. De enige periode waarin het eiland daar wel toe in staat was, was in de tijd van de slavernij en de voortzetting daarvan in de vorm van roofkapitalisme in het begin van de twintigste eeuw. Maar die verhoudingen zien we niet snel terugkeren, en dan nog: rietsuiker is geen product van betekenis meer. En rum, hoe smakelijk ook in coctails, zal het niet worden. 

Een maakindustrie is er niet, en kan er ook nauwelijks zijn omdat het land geen eigen grondstoffen heeft. Consequentie: vrijwel alles -zeker alles wat rijdt of op electriciteit werkt- moet geimporteerd worden. Dat gebeurt -je ziet zeker (jonge) Cubanen met redelijk moderne telefoons, er rijden gloednieuwe elektrische scooters (wat gebeurt er als de batterijen op zijn?), mensen lopen niet in lompen- maar dat hier veel auto's rondrijden uit de jaren '50 en '60 (Amerikaanse merken) en de jaren '70 en '80 (Oost-Europese) komt niet alleen door het gunstige klimaat. 

Blijft dus over de dienstverlening, en daarbinnen is toerisme waarschijnlijk het enige waarin Cuba een concurrerend product te bieden heeft: prachtige Caraibische stranden, gecombineerd met veiligheid. Alleen: als Cuba meer dan nu wil gaan verdienen aan toerisme (wat zou kunnen als de Amerikaanse toenaderingspolitiek ondanks Trump wordt doorgezet) moet er enorm geinvesteerd worden. Dat geld zal dan van buiten het land moeten komen, en dat betekent dat uiteindelijk ook het grootste deel van de winst weer het land uit zal vloeien terwijl de kosten van de basisinfrastructuur (vliegvelden, wegen, waterleiding, riolering etc) er blijven. Tenzij er heel veel idealistische investeerders te vinden zijn die hun geld willen steken in kleine, verantwoorde projecten en met weinig opbrengsten genoegen nemen, zal het land dus ook van (massa)toerisme niet rijk worden. En dan, massatoerisme heeft zijn schaduwkant: het eet zichzelf op. Valkenburg en Zandvoort zijn overal, ook op andere plaatsen waar het zonnig is en de stranden mooi zijn, dus waarom zou je speciaal naar Cuba gaan? Niet meer voor de rust (die is er nu al niet meer) en ook niet voor de veiligheid (toeristen brengen hun eigen criminaliteit mee, en grootschalig toerisme creeert nieuwe). Economisch zijn de vooruitzichten dus niet gunstig, en je hoeft geen Marxist te zijn om te begrijpen dat dat een belangrijker kracht is dan de politieke visie en de overtuigingskracht van een enkele man. 

Belangrijke economische kracht naast de bron(nen) van welvaartstoename is natuurlijk de verdeling van die welvaart. Kijken we naar wat min of meer direct zichtbaar is, dan hebben we de indruk dat er weliswaar aanzienlijke verschillen zijn tussen verschillende lagen van de bevolking, maar dat armoede hier van een heel andere orde is dan in andere delen van de caraiben / zuid-amerika. Met als kanttekening dat we die laatste alleen uit verhalen en beelden kennen, en dat we maar een klein deel van Cuba gezien hebben. Maar het lijkt erop dat iedereen hier een dak boven het hoofd heeft, en we begrijpen dat er ook wat eerste levensbehoeften betreft een basisvoorziening voor iedereen is. Een van onze gidsen liet ons een winkel zien zoals ze er volgens hem overal zijn, waar de Cubanen tegen inlevering van bonnen maandelijks tegen heel lage prijzen zaken als rijst, meel, olie, eieren, tandpasta en zeep kunnen kopen. Het rantsoen was volgens hem eigenlijk niet genoeg, dus er was een levendige zwarte markt waar vrijwel iedereen wat bijkocht. Je kunt dan zeggen: dit is typisch de armoede die veroorzaakt wordt door een communistisch systeem. Je kunt ook zeggen: het is een (niet eens typisch) communistische manier om te zorgen dat de armoede eerlijk verdeeld wordt en niemand echt door de bodem van het bestaan zakt.

Naast deze "distributiewinkels" zijn er de "normale", soms zelfs supermarktjes/ kleine warenhuizen, waar zowel de toeristen als de plaatselijk bevolking kunnen kopen. De prijzen zijn er duidelijk hoger dan in de distributiewinkels (voor toeristen trouwens ook nog eens beduidend hoger dan voor Cubanen), en het aanbod is ook hier beperkt. Maar er is een deel van de bevolking dat ook hier terecht kan - zeker als ze CUCs te pakken kunnen krijgen. Echte rijkdom hebben we niet gezien, maar er zal best een politieke klasse zijn, en een categorie vaklieden, die een reatief bevoorrechte positie inneemt. Zonder dat dan opzichtig te laten zien, denken we.

Het belangrijkste (zichtbare) klasseverschil is misschien wel dat tussen degenen die een inkomen in CUCs kunnen verwerven (denk: iedereen die iets aan toeristen kan verkopen of diensten aan toeristen kan verlenen) en degenen die dat niet kunnen (denk aan mensen in overheidsdienst, inclusief mensen in het onderwijs en de gezondheidszorg, en werkers in de -weinige- industrie en de landbouw). Wij hebben begrepen dat zij niet echt veel verdienen. 

We hebben, na thuiskomst, nog een beetje lopen zoeken of we meer konden vinden. Drie bronnen leken ons interessant (zie ondeaan voor de links). De  eerste vermeldt dat het gemiddelde maandinkomen in Cuba in 2015 op ca. 680 CUP lag, dus ca. 28 CUC. Dat komt neer op minder dan 1 Euro (of dollar) per dag, en dat is -internationaal vergeleken- extreem weinig. Maar zoals  hier  vermeld wordt, is zo'n internationale vergelijking eigenlijk onzin, omdat basisbehoeften -eten, gezondheidszorg, wonen- zwaar gesubsidieerd zijn, en somige luxegoederen -of eigenlijk: alles wat geimporteerd moet worden- extreem duur. Wat misschien nog het meest zegt, is dat de gemiddelde levensverwachting op 78 jaar ligt, aldus de  Wereldbank.  Dat is vrij hoog, in elk geval vergeleken met de rest van Zuid-Amerika en de Caraiben). Al met al lijken deze cijfers niet strijdig met onze waarnemingen. 

Vraag lijkt ons dus vooral: weet het land een manier te vinden om de inkomsten uit toerisme op een redelijke manier aan iedereen ten goede te laten komen? Redelijk, in de zin dat degenen die niet direct bijdragen (en verdienen) aan het toerisme in welvaart niet te ver achterbijven bij degenen die dat wel doen, en redelijk in de zin dat degenen die direct bijdragen / verdienen niet het gevoel hebben dat ze er zelf niet (voldoende) beter van worden. En dat is extra ingewikkeld omdat de inkomsten uit toerisme niet centraal maar verspreid binnenkomen, deels direct bij individuen: kamerverhuurders, taxichauffeurs, restauranteigenaars, muzikanten - en deels ook nog eens oncontroleerbaar, in de vorm van fooien.

Hier zit de grootste sociale uitdaging voor Cuba, en hier zal het wegvallen van Castro (en zijn generatie) de grootste invloed hebben. Al lijkt het ons dat er nog een tweede, uiteindelijk wellicht veel invloedrijker, factor is: de stroom van informatie over hoe het in de rest van de wereld is. Een stroom die (hier) langs twee kanalen loopt: het toerisme (alweer) en internet (er was de laatste decennia nog een derde, maar de invloed daarvan lijkt toch gering: de contacten van Cubanen met familie die na de revolutie naar de VS is gegaan - degenen die het overlijden van Castro vierden). 

Wat betreft Fidel Castro en zijn mede-revolutionairen moet gezegd worden dat ze -naast de voor ons vrijwel onzichtbare maar ongetwijfeld aanwezige onderdrukking (het enige wat je ziet is de enorme neiging om alles te registreren en te controleren, o.a. met controlepunten op de wegen waar auto's zo nu en dan zonder kennelijke aanleiding worden aangehouden)- een verhaal hebben, of in elk geval hadden, dat mensen kennelijk aanspreekt en dat ze dat verhaal ook kunnen staven met feiten. Voor de revolutie was er uitbuiting en onderdrukking door een kapitalistische bovenlaag en buitenlandse investeerders, er was een dictatuur, armoede, analfabetisme etc. Dat was een perfecte basis voor een verhaal over onrecht, over een interne vijand, over de hoop op een betere toekomst die gerealiseerd kon worden door te strijden en solidair te zijn. Dat sprak aan, anders was de revolutie niet geslaagd. Na de machtsovername werd het bezit van de voormalige uitbuiters genationaliseerd en (symbolisch) aan het volk gegeven, de welvaart nam toe en de verschillen werden kleiner, er werd gealfabetiseerd bij het leven en de VS creeerden met hun blokkade van Cubaanse goederen en de steun aan het gewapende verzet een ideale externe vijand. Dat leverde een verhaal op van heldendom en succes, en van de noodzaak waakzaam te blijven: een verhaal dat nog steeds verteld wordt -ook door een deel van de bevolking- en dat nog steeds aanspreekt. Getuige ook, al zit daar ongetwijfeld veel regie achter, het voortdurende eerbetoon aan de overledene. Al leken de schoolkinderen die op maandagochtend langs onze casa trokken met de Cubaanse vlag en portretten van Fidel Castro, zo nu en dan een leus scanderend, zich daarbij normaal puberaal ongemakkelijk te voelen. 

Dat het verhaal van het socialisme nog steeds zo leeft, komt natuurlijk ook omdat andere verhalen geen ruimte kregen. Van buiten kwamen ze niet binnen, en binnenlandse "contrarevolutionairen" zullen niet zachtzinnig behandeld zijn. Dit informatiemonopolie verdwijnt. Toeristen en internet laten zien dat er meer en andere rijkdom mogelijk is, en brengen dat onder handbereik. Toeristen stellen vragen en vertellen hun verhalen, over vrijheid en de zegeningen van marktwerking (ook zij -wij- hebben hun verhaal dat overtuigend is, als je aan de oppervlakte blijft). En het internet zit vol verhalen, sommige zelfs min of meer waar.

Als gezegd, we weten niet of mensen in Cuba gelukkig of ongelukkig zijn, of ze verandering willen of niet, of dat komt door onderdrukking of overtuiging. We blijven vooral zitten met vragen - vragen die ons ook doen terugdenken aan onze reizen door de VS, waar we op sommige plaatsen armoede zagen die ons niet minder lijkt dan in Cuba, tegenover rijkdom die we in Cuba niet zagen. Maar we denken in het bijzonder aan de keer dat we een museum bezochten dat was gewijd aan Norman Rockwell. Daar hingen de vier schilderijen die hij maakte bij een verhaal dat wat ons betreft aansprekender en completer is dan het verhaal van Castro, namelijk Roosevelt's toespraak over de vier vrijheden. Daarin gaat het niet alleen om bevrijd zijn van armoede, maar ook om bevrijd zijn van angst (voor onderdrukking) en om vrijheid van meningsuiting en van godsdienst. Het lijkt ons wel zeker dat Cuba wat die tweede en derde betreft, tekort schiet. Maar in de kritiek daarop is het makkelijk om te vergeten dat het "vrije Westen"  de vier vrijheden evenmin volledig recht doet. Het (neo-)liberalisme heeft een vrijheidsmodel gecreeerd waarin bevrijding van armoede niet meer een gemeenschapsideaal is, maar een persoonlijke verantwoordelijkheid. Maar dan wel een verantwoordelijkheid die slechts een enkeling kan dragen, zolang de vrijheid van machtigen en kapitaal niet (stevig) aan banden wordt gelegd.

Waarmee we uiteindelijk op de vraag komen: is het mogelijk? Een samenleving waarin alle mensen echt vrij zijn, zowel in het domein van de ideeen als in het materiele? Het is te hopen voor Cuba. En voor de rest van de wereld, want veel bewijs dat het kan is er niet.

Na de regen en de wolken waarmee we dit verhaal begonnen, kwam de zon weer. Vandaag, onze laatste dag, zijn de lucht en de zee stralend blauw, zijn de stranden wit en de palmen groen. Over een week, na de begrafenis, komt vast ook de muziek weer. Maar de figuurlijke donkere wolken zullen door mensen verjaagd moeten worden.

NB: Deze blog is grotendeels geschreven op 29 november 2016, maar pas geplaatst op 2 december.

Bronnen
De gegevens over het gemiddelde maandinkomen vonden we hier: http://www.tradingeconomics.com/cuba/wages

Die over de (on)mogelijkheid om te vergelijken hier:  http://cubanismo.net/cms/nl/artikels/cuba-na-fidel-castro-deel-7-hoeveel-verdient-een-cubaan-nu-eigenlijk

En de Wereldbankgegevens staan hier: http://data.worldbank.org/?locations=ZJ-CU

En ten slotte nog een interessant verhaal dat we na thuiskomst lazen: https://www.opendemocracy.net/democraciaabierta/teofilo-f-ruiz/from-castro-s-cuba-to-trumplandia

De paden op, het water in

Omdat we na anderhalve dag Trinidad al wel een beetje uitgekeken waren op de stad, wilden we een uitstapje. Een stukje lopen in de bergen, bijvoorbeeld. Onze reisgids meldde immers niet voor niets dat er twee niet al te lange en zware wandelingen waren, zo'n 15 kilometer buiten de stad. Daar moest je toch met een taxi kunnen komen, en de eigenares van onze casa kon vast wel vertellen hoe we dat konden regelen. 

Dat liep wat anders, want op het ogenblik dat we dat gingen vragen meldde ook onze gids voor de stadswandeling zich, 10 minuten te vroeg. En omdat de eigenares zelf er niet was en haar man weinig Engels sprak, liet deze het graag aan onze gids over om een en ander uit te leggen. Nou, dat zou hij onderweg doen. Resultaat was -natuurlijk- dat we het bureautje binnenliepen waarvoor hij werkte, en dat voor de volgende dag een mooie aanbieding had: vervoer naar het startpunt en terug per bus, een gids, een uitstapje naar een koffiehuis, een restaurant en uitzichtpunt tussendoor, en koffie, lunch en een drankje bij het eten inclusief. Voor maar dertig CUC, terwijl een taxi er toch zeker 40 of 50 zou kosten. En ze hadden nog twee plaatsen, voor de wandeling naar de waterval. Goed, het is als de zwarte markt: je weet dat je teveel betaalt, maar soms ben je gewoon te lui om de extra moeite te doen die nodig is om een paar centen te besparen. Verkocht, dus.

De volgende ochtend vroeg op, want vertrek om 9:00 uur. Nou ja, negen uur Cubaanse tijd, dus het werd half tien. Onze gids was een dame van een jaar of dertig, die er stevig de wind onder had. Althans, wilde hebben. In de bus lukt dat heel aardig, toen ze het programa uiteen zette en ons vertelde dat we als groep vooral bij elkaar moesten blijven, want 42 was best veel. Dat vonden wij ook, zelfs als je het alleen maar als aantal deelnemers opvatte. Bij de eerste stop, waar zij onze betaalbewijzen moest omzetten in toegangskaartjes voor het nationale park, lukte het ook nog - zij het dat ze ons ineens toestond om uit de bus te stappen, terwijl ze ons eerder bezworen had dat we moesten blijven zitten. Echt mis ging het vervolgens bij de tweede stop. Ze wilde ons uitleggen hoe koffie van plant tot kopje komt, maar niet iedereen kon haar Engels direct volgen vanwege de onverwachte klemtoon keuze. Dat leidde tot wat geroezemoes, waarop zij "Silence" gilde en wij wisten dat we de rest van de dag ondeugende schoolkindertjes waren, en zij de steeds wanhopiger wordende juf. Sommige signalen zijn in alle culturen hetzelfde, al kan de reactie verschillen: de Italianen, de Spanjaarden en de (Franstalige) Belgen reageerden er meteen op met meer geroezemoes, de Denen, Nederlanders en Duitsers gingen verder stilletjes hun eigen gang. Ach, orde houden blijft een kunst.

Na de koffie en een ingevoegde stop bij een boerderij waar we wat bananen en andere leeftocht konden kopen (de lunch zou pas om drie uur zijn) kwamen we aan het beginpunt van de wandeling: een uit oude verwarmingsradiatoren gebouwde trap tussen een paar flatgebouwen die een uit het oosten van Duitsland afkomstige mede-wandelaarster erg deden denken aan haar jeugd. Afdaling naar een rivierbedding, oversteken over stapstenen, stijgen naar een vrij vlak pad door een bos - en toen de laatste 500 meter. Die zouden wat zwaarder zijn, en dat bleek niet teveel gezegd. Ruim 100 meter dalen, met afwisselend steile en zeer steile stukken, soms met natuurlijke treden van zo'n 50 centimeter hoog. Ideaal om eens te kijken of onze nieuwe heupen goed zaten, zullen we maar zeggen. De afdaling hebben we als  laatsten gedaan, zo langzaam aan dat de dapperen uit de groep al ruimschoots in het meertje onder de waterval lagen toen wij aankwamen. Onze gids meldde dat we na een half uur weer naar boven zouden gaan, dat wie wilde al vooruit kon gaan en dat zij hekkensluiter zou zijn. Nou wilden wij toch al niet het water in, dus na een beetje uitgerust te hebben zijn we maar gaan klimmen. Tot onze verbazing werden we tijdens de klim en de daarop volgende terugwandeling van een kilometer of vier maar door een deel van de groep ingehaald, en kwam onze gids pas op het eindpunt aan toen wij al van ons bij het plaatselijke winkeltje gekochte blikje frisdrank genoten. In de bus merkten we echter dat dat niet (alleen) kwam door onze goede conditie - de Italianen, de Spanjaarden en een aantal Belgen waren kennelijk verkeerd gelopen, want kwijt.

Wat nu? Na beraad met de chauffeur besloot de gids dat zij zou blijven wachten terwijl wij naar het restaurant gebracht werden, maar net toen ze wilde uitstappen kwam een van de Spanjaarden aanhollen. De ontbrekende wandelaars bleken op de terugweg ingegaan te zijn op het aanbod van een paar ondernemende Cubanen om de rest van de tocht te paard af te leggen. Op zichzelf geen slecht idee, alleen bleken de paarden een ander eindpunt in het hoofd te hebben dan onze gids. En ja, een paardehoofd is nu eenmaal groter dan dat van de mens die het dier toevallig berijdt.Veel hilariteit dus toen de groep weer compleet was, en bij de gezamenlijke lunch wist onze gids de feestvreugde nog te vergroten door dingen te roepen als "Guys, put your hands in the air", aan welk verzoek we natuurlijk gevolg probeerden te geven (naar keuze met een of twee handen) voordat ze haar zin kon afmaken met dingen als "if you don't want pork", "if you want beer or water". Haar tellingen kwamen nooit precies op 42 uit. Maar uiteindelijk heeft iedereen gegeten en gedronken, en is ook de hele groep weer in Trinidad teruggekomen.

De volgende ochtend vertrek naar onze laatste verblijfplaats: de al zeker 100 jaar toeristische badplaats Varadero, aan de noordkant van het eiland. Een tocht van ruim drie uur door landbouwgebied, wat ons de gelegenheid gaf iets te zien van het echte Cubaanse leven: huisjes ter grootte van een forse sta-caravan, om de ca. tien kilometer exact hetzelfde gebouwencomplex waar kennelijk iets met de oogst (suikerriet, vruchten, graan) werd gedaan, en ergens langs de weg een burgerbrigade die op zich op de vrije zaterdagochtend nuttig maakte voor de gemeenschap door de brugleuning weer mooi wit te schilderen.

Varadero bleek, althans in het deel waar onze casa lag, minder erg dan gevreesd: nauwelijks iemand op straat, een rustig strand op 200 meter en een goed restaurant om de hoek. Hier aan het eind van de middag maar wel naar het bounty strand en het water in: mooi helder, en zeer aangenaam van temperatuur. Het enige wat nu ontbrak, was een barretje waar we coctails konden kopen. Een behoefte waarvan we nooit gedacht hadden dat we die in ons hadden. 

Je weet meestal wel wat je hoort

In de toeristische oorden waar we tijdens deze reis steeds terecht komen, zijn nogal wat restaurants, bars en andere horecagelegenheden. De kwaliteit en de aankleding verschillen nogal, maar wat ze bijna allemaal hebben is live muziek. Een enkele zanger met gitaar, een klein combo (behalve de zanger / gitarist ook wat ritmeinstrumenten) tot zelfs een heel orkest met blaasinstrumenten erbij. Je krijgt de indruk dat heel Cuba musiceert, maar dat klopt natuurlijk niet. Er staan ook mensen in de keuken, er is bediening en in Trinidad werken moeder en dochter weliswaar niet meer voor de Yankee dollar, maar bieden ze op een aantal straathoeken de liefde nu voor CUCs.

Hoe dan ook, aan muzikanten geen gebrek. Aan goede weer wel - we hebben heel wat onmuzikaal en soms ronduit vals gekweel gehoord. Maar dat is tot daar aantoe. Erger is dat er een groot gebrek is aan repertoire. Waar je ook komt, je wordt tijdens je maaltijd vast en zeker vergast op Besa me mucho, Guantanamero en nog wat van die klassiekers. En als je een aantal avonden in een casa binnen gehoorsafstand van een dergelijke gelegenheid verblijft (dat is een uitzondering, meestal zijn het er twee of drie, soms nog meer) hoor je telkens hetzelfde langskomen. Een goed gesprek over een verheven onderwerp is schier onmogelijk - je zou haast gaan verlangen naar een draaiorgel.

Overigens zou Cuba op de meeste plaatsen overdag en 's avonds ook zonder deze muziek verre van stil zijn. Auto's en tractoren zijn doorgaans zeer luidruchtig, zowel de motor als de rammelende onderdelen. Daarbij voegt zich regelmatig het geklepper van paardenhoeven en altijd het gefluit, geroep of getoeter van fietsers en het geblaf van honden. Airco's brommen, net als -in de kamers waar we verbleven- de koelkasten. En dan zijn er de mensen. Straatverkopers die hun waar aanprijzen, toeristen die alle cocktails hebben uitgeprobeerd maar vooral de gewone Cubanen, die er een handje van hebben om met elkaar te communiceren alsof ze aan weerszijden van een voetbalveld staan. Kortom: je weet in figuurlijke zin soms niet wat je hoort, maar dan toch alleen omdat je letterlijk voortdurend minstens 20 dingen tegelijk hoort. En daarbij maakt het niet uit of dat binnen- of buitenshuis is - voorzover dat onderscheid ertoe doet.

Trinidad, waar we nu verblijven, is niet anders. Behalve dan dat in de boom in de tuin van onze casa ook de hele dag een zwerm mussen zit, die elkaar voortdurend wat te vertellen hebben. En dat de binnenstad bestraat is met kinderhoofdjes, waardoor er zelden een fietstaxi rijdt en auto's er maar heel beperkt in mogen. Maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de muziek, die door de grote horecadichtheid echt onontkoombaar is. Waarbij we moeten aantekenen dat onze casa tegenover een dakterras ligt waar elke avond een van de meer luidruchtige orkesten speelt, met een onprettig klinkende saxofoon en een idem elektronische piano.

Verder is Trinidad, althans het centrum, weer een Valkenburg (mischien doen we dit fraaie Limburgse plaatsje onrecht, we zijn er immers al 40 jaar niet meer geweest, maar omdat we daar onze eerste gezamenlijke zeer toeristische ervaring hadden, is het ons ijkpunt). Toeristen worden in bussen aangevoerd en vervolgens door een gids rondgeleid, of hun vooruitgeboekte rondreis brengt hun naar een van de honderden casas particulares in of direct rond het centrum. En 's avonds gaat er een grote aantrekingskracht uit van de trappen naast de kerk, aan de top waarvan de Casa de Musica ligt. Muziek en dans, dus - en wifi, een van de mirakels hier in Cuba (maar daarover later meer). En dat dan op de plaats van een van de meest beruchte voormalige slavenmarkten van de Caraiben, waarnaar dan weer geen enkele verwijzing te vinden is.

Een ander trekpleister, of in elk geval veelbezochte plek, is het in een oud klooster gevestigde museum van de strijd tegen de bandieten - degenen die zich na de revolutie en afzetting van Batista met steun van de Amerikanen enkele jaren bleven verzetten tegen het nieuwe regime, eindigend met de mislukte invasie bij de Varkensbaai. Overigens hebben we de indruk dat veel bezoekers het museum snel voor gezien houden, of zelfs alleen maar de toren beklimmmen, waarvandaan je een mooi zicht over de stad hebt.  Er zijn nog wat meer musea, waaronder een dat gewijd is aan de plaatselijke architectuur en waarin mooie oude meubels staan, maar die hebben we alleen van buitenaf bekeken - wat door de grote openstaande deuren i.p.v. ramen meer inzicht bood dan je zou denken.

Omdat Trinidad maar op een goed uur rijden van Cienfuegos ligt, kwamen we er al redelijk vroeg in de ochtend aan. Onze taxi-chauffeur had echter wat moeite het juiste adres te vinden, zodat we een flink stuk hobbelkeitjes ook nog eens achteruit bereden hebben (dat ging eigenlijk soepeler dan vooruit) en toch pas na elven echt geinstalleerd waren in onze ruime, lichte kamer (er zat glas in de ramen, en er hingen -dunne- gordijnen voor). De rest van de dag hebben we besteed aan het wat verkennen van de binnenstad, inclusief de nodige restaurants. De volgende ochtend hebben we buiten het oude centrum rondgekeken, in delen van de stad waar ook normale woningen, winkels en andere bedrijfjes waren. Omdat we voor het inchecken voor onze retourvlucht gebruik wilden kunnen maken van internet, dachten we ons alvast maar eens te voorzien van een "tarjeta internet" - een schrapkaart met usernaam en inlogcode waarmee je gebruik kunt maken van het wifi-netwerk dat Etecsa, de enige telecomprovider in Cuba, op een beperkt aantal plaatsen in elke stad aanbiedt. Plaatsen die misschien wel ergens op een kaart staan aangegeven, maar die je als toerist vooral herkent aan het feit dat er een grote concentratie mensen naar het scherm van telefoon, tablet of laptop staart. Toeristen en Cubanen, want naar verluidt hebben mensen thuis geen internet (waarom de laptop van onze gastvrouw in Trinidad dan aan een netwerkkabel hing die verdween in een kastje aan de tv-antenne hebben we maar niet gevraagd). Hoe dan ook, we wilden dus een internetkaart. Geen idee wat zo'n ding moest kosten, maar hij zou te koop zijn bij de vestigingen van Etecsa. Daarvan is er in kleine plaatsen als Trinidad maar een - te herkennen aan de rij voor de deur (je kunt er behalve internetkaarten ook prepaid-kaarten voor je gsm kopen, en voor de vaste publieke telefoons die op veel plaatsen staan). Toen we achteraan de rij aansloten, kwam er direct een van de daar rondhangende jongens op ons af die een kaart liet zien die best eens zo'n internetkaart kon zijn. Maar ja, zwarte markt - moet je dat wel doen? Vijf minuten later kwam er iemand die aan de cerberus bij de deur vroeg of er ueberhaupt wel internetkaarten waren. Nee dus, uitverkocht. En of ze vandaag nog kwamen - wie Jose kent, mag het zeggen. Nou ja, morgen nog maar eens proberen.

In de middag was voor ons een rondwandeling met prive-gids gepland, eindigend in een workshop cocktail maken. De rondwandeling was uiterst interessant, in die zin dat de gids ons langs alle plaatsen voerden die we al gezien hadden, en daar niets over wist te vertellen wat we niet al wisten. Behalve dan het huis van zijn aanstaande schoonmoeder, die hij echt niet voorbij kon lopen zonder even te praten want anders kreeg hij grote problemen met zijn verloofde. En, beduidend nuttiger: hij kon, toen we hem quasi-onwetend vroegen waarom er zo'n rij stond voor de deur van " our communication center" vertelen dat een internetkaart voor een uur twee CUC kostte, maar dat het makkelijker was om er zwart een te kopen, voor drie CUC. En hij wist wel bij wie. Ok, laat maar eens zien - soms moet je zwarte markt misschien maar wel doen. En ja hoor, in het plantsoentje tegenover het kantoor van Etecsa zat een man op een bankje die een stapeltje kaarten had, naar we aannemen die ochtend vroeg gekocht, en die graag bereid was om daarvan afstand te doen tegen de door onze gids aangekondigde prijs.

De rondwandeling inclusief workshop zou vier uur duren, maar na een ruim uur vond onze gids dat we maar even zelf het grote plein moesten verkennen, en toen we na een plichtmatig kwartiertje bij hem terugkwamen was het volgens hem hoog tijd voor de workshop. Die bestond uit kijken naar een barman die van achtereenvolgens de Mojito, de Cuba Libre en de Canchanchara vertelde hoe je die maakt: 40 cl rum, citroen, ijs. en dan suiker of honing en aanvullen (tot welke totaalvolume vertelde hij niet) met water of cola. En voor de Mojito een takje munt. Voor ons bestond het werkgedeelte van de workshop uit het consumeren van het resultaat, wat in het geval van de Cuba Libre nog een hele opgave was. Dit Amerikaanse recept van vrijheid haalt het niet bij de Cubaanse creaties, maar dat kan ook aan de Cubaanse variant van cola liggen.

Het einde van de workshop was direct ook het einde van de rondleiding, dus we zaten eerder aan het diner dan we verwacht hadden. In een restaurant waar we de enigen waren, en we de zingende gitarist dus voor ons alleen hadden. Wat niet betekende dat we helemaal onder het ijzeren repertoire uitkwamen, op verzoek deed hij ook wat moderners, maar wel dat hij nog even met ons kwam praten om zijn Engels te oefenen. Gelukkig kende hij vooral positieve woorden als "nice"  en " elegant", dus dat waren we volgens hem. Soms hoor je ineens wat je wel weet, maar zelden gezegd wordt. 

NB: dit blog is gedateerd  24 november, maar pas geplaatst op 1 december.

Taxi

Onze taxi naar Cienfuegos kwam om vijf over acht voorrijden. Dat was wat vroeg, want hij zou ons pas om half negen ophalen. We waren dus nog niet helemaal klaar. Geen probleem - hij kon best een kwartiertje wachten. Alleen, toen wij na twintig minuten naar buten kwamen met onze koffers, stond er geen taxi meer. Nou, zei de dame van wie we de casa huurden, hij zou zo weer terug zijn. Afijn, een half uur later maar eens de reisagent gebeld. Nee hoor, geen probleem, hij was in de stad dus hij zou er binnen vijf minuten zijn. En warempel, hij verscheen en even later waren we op weg.

In onze reisbeschrijving stond dat het een forse rit zou zijn, maar niet hoe lang precies. Dat dus maar eens aan de chauffeur gevraagd. Een uur of vier, vijf, dacht hij, en zette de muziek aan. Dat vonden we een minder goed idee, maar gelukkig kostte het weinig moeite hem dat duidelijk te maken.

De communicatie verliep sowieso wel goed. Hij sprak minstens 32 woorden Engels (incusief de getallen van een t.m. tien), en wij bij elkaar een aardig veelvoud aan Spaans (of verbasterd Italiaans, want soms raak je wat in de war). We slaagden er dan ook in hem duidelijk te maken dat we wel een kopje koffie lustten (waarop hij stopte bij een karretje langs de weg en hij voor een paar CUP nogal zoete koffie uit een thermoskan kocht) en dat we graag even een plaspauze wilden (waarop hij ergens bij een huis langs de snelweg stopte, aanklopte en vroeg of we even van de wc gebruik konden maken - en nee, hij kende die mensen niet, maar zo deed je dat). Na ruim twee uur kwamen we in de buurt van Havana, en begon hij uitgebreid te telefoneren. Even later een vraag: of wij er bezwaar tegen hadden als hij even langs het "agencia" reed, om een onderdeel voor zijn auto op te halen. Ach nee, waarom zouden we. 

Goed, dat kostte dus een uur, want het kantoor bleek midden in de stad te liggen en het onderdeel (of eigenlijk twee - bekers voor de schokdempers) moest nog gehaald worden.  Inmiddels hadden we gezien dat we nog niet op de helft van de reis waren, dus hebben we maar eens gevraagd of het misschien handig was om wat te eten te kopen. Dat was niet nodig, vond hij - we zouden wel bij een goed restaurantje stoppen. En zo geschiedde, nadat we eerst nog vergeefs geprobeerd hadden te tanken (bij een pomp waar de diesel bleek te zijn uitverkocht) en aan de kant waren gezet door een motoragent (omdat onze chauffeur wat harder reed dan de maximale snelheid van 100 - dat was duur, zei hij).

Het restaurantje verkocht stevige creoolse maaltijden, en onze chauffeur had er na enig aandringen geen bezwaar tegen als we er voor hem ook een bestelden. En wij hadden er geen bezwaar tegen die paar CUC te betalen, dus het werd best gezellig. Ook al omdat het eten best smakelijk was. Daarna had hij echt behoefte aan muziek, om niet in slaap te vallen. Herkenbaar, dus akkoord. En helemaal van harte toen we kort daarna langs een plek kwamen waar een huurauto zwaar gehavend dwars op de weg stond, nadat hij kennelijk kort daarvoor over de kop was gegaan. Een beeld waardoor we het toch een beetje verontrustend begonnen te vinden dat er achterin onze taxi (een Fiat uit de jaren '80) geen veiligheidsgordels zaten.

Uiteindelijk was het al ruim na vieren dat we Cienfuegos binnenreden, en onze chauffeur een laatste verrassing had: hij bleek hier te wonen en langs de weg stond zijn vrouw op hem te wachten, teneinde hem te helpen het adres te vinden waar we moesten zijn. Dat lukte niet zo goed, totdat we zelf een bijdrage leverden: in de (Engelse) tekst boven het wat onduidelijke kaartje met behulp waarvan zij het probeerde te vinden, stond precies tussen welke zijstraten van Avenida 46 het lag (namelijk de Calles 49 en 51). Dat had ze niet gezien. We hadden geen zin om meteen de stad in te gaan, maar gelukkig konden we in onze casa het diner bestellen. Dat smaakte prima, na een verfrissende douche (onder een douche waar het water in een op het elektriciteitsnet aangesloten douchekop verhit werd, wat het toch spannend maakte), een korte siesta en een drankje op het dakterras. Hier was de vis wel vers, wat in een havenstad natuurlijk meer voor de hand ligt dan ergens in het binnenland. In het donker nog wat gewandeld om een indruk te krijgen van de stad, en die viel niet echt mee. In de omgeving van onze casa alleen maar slecht verlichte straten met hier en daar een cafe en een stuk of vier restaurants die er nogal verlaten uitzagen, en uiteindelijk een boulevard waar wat meer mensen liepen maar die daardoor geen prettiger indruk maakte. Een flink deel van die mensen bleek vooral geinteresseerd te zijn om ons met de taxi ergens naartoe te brengen, of om ons een (goed?) restaurant te wijzen.

Aan de boulevard staan grote, statige huizen(blokken), deels zelfs goed in de verf, maar in de zijstraten ziet het er beduidend armoediger uit: smalle huisjes van een of twee verdiepingen (soms nog wel met dakterras of opbouw), een verveloze deur (waarachter, zagen we hier en daar, direct de woonkamer met daarin meestal wel een ouderwets bankstel en een moderner tv, sfeervol uitgelicht met tl-buizen en spaarlampen) en tussen de huizen smalle steegjes. Dat uiterlijk gold ook voor onze casa, maar binnen viel het toch alleszins mee - althans, het leek ons in zijn geheel nog relatief ruim en schoon. Wat niet kon verhinderen dat er, toen we bij vertrek een koffer optilden, een kakkerlak wegschoot. Goh, zei onze gastvrouw, die is zeker net van de straat naar binnen gekomen.  

Die eerste avond toch maar ergens nog een (heel goed) kopje koffie gedronken, daarna op het terras van de casa nog wat gelezen - en voeg naar bed in onze (kleine) kamer die raamloos leek, en daardoor redelijk rustig maar ook benauwd was.

De volgende ochtend zou de taxi om ons naar de Jardin Botanico te brengen er om half tien zijn. Dachten we te hebben afgesproken, maar onze gastvrouw dacht dat we tien uur bedoeld hadden. Een misverstand dat snel was opgelost, maar dat niet het enige zou blijken te zijn rond deze taxirit. Althans, wij stelden onze chauffeur waarschijnlijk nogal teleur. Op de heenweg vertelde hij veel - veel meer dan wij begrepen. Maar duidelijk was wel dat hij een gepensioneerde geschiedenisdocent aan de universiteit was, die een boek had geschreven over het fort van Cienfuegos dat we vast wel wilden zien en dan kon hij uitleggen. Nou nee, heel vriendelijk, maar wij willen naar de Jardin Botanico. Goed, maar wisten we wel dat er in de bergen daarachter ook hele mooie en interesssante plaatsen waren, en dat er een meer was waar we flamingo's en pelikanen konden zien? Nou nee, heel vriendelijk, maar wij willen naar de Jardin Botanico. En wisten we dat we daar ook heel goed konden eten? Nou, heel vriendelijk dat u dat zegt, maar dat zien we dan straks wel. O, trouwens, dit is de weg naar Trinidad. Gaat u daar nog naar toe? Ik breng u graag. Nou nee, heel vriendelijk, maar ons vervoer is al geregeld.

De botanische tuin was groot, maar bleek vooral veel bomen te bevatten en weinig bloeiende planten en struiken. Wat het overigens niet minder interesant en aangenaam maakte om er een uur of twee te vertoeven. Onze chauffeur wachtte ondertussen op ons, en bleek, toen we terugkwamen, de hoop opgegeven te hebben dat wij hem zouden uitnodigen voor de lunch en zelf maar een stevige tosti besteld te hebben - wat dan weer wel goed begrepen was. De terugweg verliep grotendeels in stilte, en ook toen hij ons in het centrum afzette en we vroegen wat de rit moest kosten, bleef het stil. Nu hadden we van onze gastvrouw al gehoord dat het zo'n 25 CUC zou kosten, dus 30 leek ons niet te weinig. Hem ook niet, zo te zien, dus uiteindelijk zal zijn dag niet slecht geweest zijn - althans, wat ons aandeel daarin betreft.

Het centrum van Cienfuegos  bleek te bestaan uit een echte winkelstraat plus nog wat straatjes eromheen met winkels en restaurants, plus een mooi plein. Aan dat plein staat het Palacio Ferrer, een mooi (nou ja, dat zal het na de in gang zijnde restauratie vast weer worden) groot woonhuis met een grappig uitkijktorentje op het dak vanwaar we een fraai uitzicht over de stad en de baai hadden. Daar ontmoetten we een drietal Amerikanen die eruitzagen alsof ze de hippietijd als jongvolwassenen hadden meegemaakt en vervolgens niet meer losgelaten, en die met grote vreze de periode Trump tegemoet zagen. Wat we dan weer wel gemeen hadden.

Een -smakelijke- pizza gegeten en nog even wat geld gewisseld bij een bank waar de rij voor de deur niet lang was. Dat was een kleine misrekening, want binnen bleek het wachten te worden voortgezet op een stuk of twintig netjes in een theateropstelling geplaatste stoeltjes, inclusief een beambte die volgnummertjes uitreikte en een beambte die je een plaats toewees op de stoeltjes. Gelukkig pakte het daarbij als gebruikelijk gemaakte onderscheid tussen Cubanen en toeristen ditmaal in ons voordeel uit, want aan het loket waar gewisseld kon worden bleek het niet druk. Dat viel dus niet tegen.  

De winkels vonden we wel de moeite waard om even in rond te kijken. Niet vanwege het ruime aanbod, maar juist om het ontbreken daarvan, en de wijze waarop het weinige wat er wel was, was uitgestald: ofwel op grote stapels, ofwel achter toonbanken. Alles bewaakt door grote hoeveelheden personeel die eruitzagen alsof ze hun leven veil hadden voor de koopwaar, of in elk geval niet hard zouden lopen als zich koopkrachtige vraag zou melden. We hebben het bij twee blikjes citroenlimonade gehouden, en bij de geur van een winkel waar een rij klanten zich stond te verheugen op vlees en vis. 

In wat de stad verder aan geneugten te bieden heeft -in elk geval een dolfinarium en een "ranch Luna"-  en waar veel taxichauffeurs ons wel naartoe wilden brengen, hadden we niet zo'n zin. De rest van de middag dus maar weer wat geluierd op het -bijzonder aangename- dakterras. En langoustine gegeten bij een restaurant in de buurt, wat ook al weer niet tegenviel. Daarna koffers gepakt en op tijd naar bed, ter voorbereiding op de reis naar Trinidad. Zouden moeder en dochter er nog steeds werken voor de Yankee dollar?

NB: Deze blog is geschreven op 23 november, maar ivm met gebrekkig internet pas geplaatst op 30 november, bij thuiskomst. 

Wij zijn de beroerdste niet

Of we naar Vinales moesten, schreeuwde de man beneden in de straat naar ons balkon, en hij wees uitnodigend naar zijn oldtimer. Of we een deeltaxi besteld hadden, vroeg onze huisbaas. Ja, dat kon kloppen - althans, we moesten naar onze volgende bestemming in Vinales, om negen uur zou onze chauffeur zich melden en in wat voor taxi we zouden reizen was ons onbekend. Er zaten al twee meisjes van een jaar of twintig in, hun rugzakken in de kofferbak, dus het kostte wat moeite om onze drie koffers erbij te krijgen. En of we maar met z'n tweeen naast de chauffeur wilden gaan zitten, want we moesten nog iemand ophalen en dan kon die er nog naast op de achterbank. Nu, dat ging - die oude bakken zijn breed en zo'n voorbank biedt best plaats voor drie, vooral omdat de versnellingspook ergens in het dashboard zat.

Onze chauffeur had een briefje met daarop het adres waar hij nog iemand moest ophalen, en een basaal idee van waar dat ongeveer moest zijn. Het resultaat was dat we nog een tour kregen door Havanna: op aanwijzing van mensen die hij op straat aansprak en die het ook wel ongeveer wisten, in steeds kleinere cirkels door een woonwijk - tot hij ineens zag: hier om de hoek moet het zijn. Maar ja - eenrichtingsverkeer. Hij is zijn vrachtje maar even lopend gaan halen, want anders reden we er nu waarschijnlijk nog. Gelukkig had ook deze dame maar een enkele rugzak bij zich, zodat de klep van de kofferbak nog dicht kon. Met een touwtje, dat wel. 

Al met al was het zeker een uur verder voor we op de snelweg zaten, voor een rit die twee / tweeeneenhalf uur zou duren. Dat moest natuurlijk worden ingehaald, dus hij zette er flink de sokken in, waarbij bleek dat zo'n oude bak dankzij de nieuwere dieselmotor die er in zat, best harder kon dan de maximumsnelheid van 100. Avontuurlijk, wel, want ook de snelweg zat vol met gaten en ander ongerief in het wegdek, en er reed van alles op: trage vrachtwagens, paard-en-wagens, fietsers. En elk viaduct was kennelijk ook een bushalte, waar mensen aan de wegkant zaten of even naar de middenberm liepen omdat daar nog een plaatsje in de schaduw was. Vanaf onze plek op de voorbank hadden we daar goed zicht op, en ook op het redelijk afwisselende landschap. Maar misschien nog wel belangrijker: we zaten wat verder van de luidsprekers waar onze chauffeur pittige Cubaanse muziek uit liet komen. En we konden wat met hem praten, en hem overhalen onderweg te stoppen voor een kop koffie. Dat kostte even tijd, want het barretje verkocht ook sigaretten en drank, en zoals op veel plaatsen ging de lokale bevolking voor bij het doen van de inkopen. 

Nou ja, het lukte, en na 20 minuten reden we weer. Maar niet voor lang. Politiecontrole. Waarop bleef ons onduidelijk, maar onze chauffeur was duidelijk gepikeerd: toen we tien minuten later weer reden, pakte hij zijn telefoon om zich even stevig af te reageren. Op zijn baas, zijn vrouw - we zullen het niet weten, maar het duurde een tijdje voor hij wat gekalmeerd was en de muziek weer aanzette. 

De reis verliep verder zonder veel bijzonderheden, en rond een uur waren we in Vinales. Daar was het even zoeken naar onze casa - een habitacion waar geen kamer(s) worden verhuurd is in dit dorp zo zeldzaam als in Zandvoort in de zomer. Maar het aantal straten is beperkt, en we bleken sowieso al op de juiste te rijden. 

Een hartelijke ontvangst door de oudere dame die in eigen huis en het omgebouwde huisje ernaast kamers verhuurde. En door een jongen die wat boos leek op onze chauffeur. En door een verhitte man met brommerhelm die zich voorstelde als de plaatselijke vertegenwoordiger van onze reisagent, en die zich verontschuldigde voor het misverstand: wij hadden opgehaald moeten worden door een privetaxi, bestuurd door de wat bozige jongen die kennelijk voor niets op en neer was gereden naar Havana. Of hij ons als compensatie een diner mocht aanbieden in onze casa. Ach, dan zijn wij de beroerdste niet.Lunch in een italiaans restaurant. Siesta. Een drankje op onze veranda, zittend in een schommelstoel. Kijken hoe bij de overbuurman graszoden worden bezorgd door een man met een ossenwagen. Gaan eten in een visrestaurant, dat bij de eerste hap al betreuren en vervolgens de eigenaar zeer ongelukkig maken door het maar direct weer uit te kotsen. In het toilet, weliswaar, maar duidelijk hoorbaar. Een beetje weinig gegeten dus, maar de rekening werd ook navenant aangepast.

Gelukkig niet echt beroerd geworden en goed geslapen, ondanks dat de straat waaraan onze casa ligt wat druk is, en vooral vrachtauto's niet voorzien lijken van (functionerende) knalpotten. Een smakelijk ontbijt, en op naar het plaatselijk museum waar een gids op ons zou wachten voor een wandeling door de vallei. Hij bleek niet alleen op ons te wachten, maar een groep van zo'n 20 Nederlanders en Duitsers te begeleiden. Allemaal redelijk ter been, en bereid om te luisteren naar zijn vele toelichtingen op de bloemen en vogels die we onderweg tegenkwamen. Een bezoekje aan een boerderijtje waar een krasse grijsaard ons het geheim van zijn goede gezondheid toonde (gemberwortel) en zijn zoon ons zelfgeteelde koffie serveerde. Vervolgens een tabaksboer die uitlegde dat hij 90% aan de staat moest verkopen en dus maar 20% zelf tot sigaren kon verwerken om aan de toeristen te verkopen - wat hem toch elke dag een paar keer moest lukken, zo te zien. Een barretje in het bos waar we ananassap te drinken kregen uit enigszins uitgeholde grapefruits, en de fles met vitamine R op tafel stond om deze drank naar believen op sterkte te brengen. 

Een alleszins aangename en interessante ochtend, want de omgeving waar we liepen was gewoon mooi en onze gids wist veel te vertellen.

Lunch (gazpachho en spaghetti in een goed uitziend restautant - even geen risico), siesta, een paar uurtjes op de veranda en vervolgens het ons aangeboden diner. Bereid door onze gastvrouw, die stevig had uitgepakt met grote stukken gebraden varkensvlees, rijst, zwarte bonen, salade en chips van een aardappelachtige wortel waarover onze gids die ochtend nog had verteld. Nog even de hoofdstraat op en neer en kijken op het plein waar de dorpsjeugd en de jeugdige toeristen bij elkaar klitten en dansten op keiharde muziek.

De volgende ochtend een korte wandeling naar de plaatselijke botanische tuin die net wat meer leuke planten bevatte dan we hadden verwacht en ook nog mooi was aangelegd, met een rondleiding door een jongen die van veel planten -de soorten die bij ons als kamerplant gebruikelijk zijn- de Nederlandse namen kende. Daarna naar eigen inzicht nog een wandelingetje door de vallei, enigszins gehinderd doordat er geen kaart van de omgeving te vinden was. Lunch in een restaurantje onderweg waar de tortilla's geserveerd werden met zoveel bijgerechten dat we er toch nog 20 CUC aan kwijt waren. Plus 20 CUP voor het bandje dat ineens opdook en ons vergastte op Yesterday, Hotel California en Besa me mucho, deuntjes die we als inmiddels ervaren cubatoeristen zo zouden kunnen meezingen, ware het niet dat zoiets licht een verkeerde indruk zou wekken. Het is toch jammer dat de toestroom van veel toeristen wel de economie maar niet perse de culturele diversiteit ten goede komt. 

NB: dit blog is geschreven op 19 en 20 november, maar geplaatst na thuiskomst op 30 november (ivm gebrekkige internet-toegang in Cuba)