Marian en Max zijn even weg

Je weet niet wat je niet ziet

Een paar dagen in een stad zijn zonder een museum te bezoeken - het kan natuurlijk, maar het is niet onze stijl. In Havanna hadden we nogal wat keus: er is een museum dat is gewijd aan de geschiedenis van de stad, een museum van de koloniale tijd, een museum van de revolutie etc. En er is een museum van de schone kunsten, dat is verdeeld over twee gebouwen die elk een heel specifieke collectie herbergen: kunst van over de hele wereld, verzameld door rijke Cubanen en na de revolutie geconfisceerd, en Cubaanse kunst van de koloniale periode tot nu. Kijk, dat maakt de keuze direct weer een stuk makkelijker: zelfs al zou zo'n rijke Cubaan ooit iets unieks hebben gekocht, het zou altijd lijken op wat we al kenden. Terwijl Cubaanse kunst op zijn minst de belofte van het onbekende in zich droeg.

We werden niet teleurgesteld. Dat wil zeggen: de Cubaanse kunst leek wel degelijk op wat we al kenden, maar had ook iets eigens. Niet die uit de 18e en begin 19e eeuw - dat was vooral klassiek Spaans, maar dan met het koloniale leven als onderwerp. En daarmee misschien toch net wat anders dan je in Spanje zou zien, zoals het schilderij van de Indiaan, omringd door monniken en soldaten die -nou ja, dat was het bijschrift- hen zei dat hij helemaal geen behoefte had om naar de hemel te gaan. Een alleszins begrijpelijke opvatting, gegeven dat hij op een brandstapel stond.

Interessanter begon het te worden met de schilderijen -en een aantal beelden- uit de tijd van het eerste nationale bewustzijn en de onafhankelijkheidsstrijd. Niet dat dat nu heel veel onverwachts opleverde -heldendom en nationale trots worden altijd wel zo'n beetje op dezelfde wijze verbeeld- maar het had een fijne vitaliteit.

Ook interessant was de kunst uit de meest recente periode, van na de revolutie. Niet per se vanwege wat er was verbeeld -de helden van de revolutie, natuurlijk, en de geschiedenis van Cuba op sociaal-kritische wijze- maar wel vanwege het feit dat je duidelijk kon zien dat Cuba niet geheel geisoleerd was geweest. Laten we zeggen: alsof Andy Warhol niet Marilyn Monroe maar Che Quevara had vereeuwigd. En, maar dat was dan meer een anachronisme, een schilderij van een meer, een eiland (?) en een wolk die zo door Magritte geschilderd hadden kunnen zijn.  

Maar het toppunt waren toch wel de werken uit de eerste 50, 60 jaar na de onafhankelijkheid, toen Cuba een soort kolonie van de VS was. Niet vanwege de ongetwijfeld aanwezige Noord-Amerikaanse invloed (gebeurde daar veel interessants in die tijd?), maar vanwege de typische combinatie van Zuid-Amerikaanse kleurigheid en de groei naar abstractie waar je eigenlijk direct Europese kunstenaars bij kon noemen: Picasso, Braque - die stijl. Echt vrolijk werden we van de maatschappijkritische / satirische stukken. Samengebracht in een enkel schilderij: de arbeiders in de fabriek en op het land tegenover de kapitalisten (hoge hoed, jacquet of rok) met hun geld in een soort hemel daarboven. De geblinddoekten die achter de pastoor aanliepen tegenover degenen die, luisterend naar een spreker die op Lenin leek, hun blinddoek hadden afgeworpen. De kracht van het woord heette het, of iets wat daarop leek. En in een satirische prent de weegschaal waarop suiker(riet) veel meer bleek te wegen dan bonen en tarwe - tot plezier van de weldoorvoede kapitalisten en chagrijn van de uitgehongerde arbeiders. Educatieve kunst, dus, zoals ze jammer genoeg niet meer gemaakt wordt.

Of misschien wel, maar dan niet zichtbaar. Wat zo'n museum is natuurlijk ook een illustratie van Brechts "je ziet slechts wat verlicht wordt, wat in het donker blijft, zie je niet". Oftewel: terwijl wat bij ons in de musea te zien is, slechts bepaald wordt door de artistieke waarde, weerspiegelt in een land als Cuba de inhoud van de musea natuurlijk de staatsideologie. Of zou .... - nou ja, je ziet het wel, maar je weet het niet. Of omgekeerd. 

Goed, na deze zowel vrolijk als filosofisch stemmende ochtend was het tijd ons gisteren gekochte kunstwerkje op te halen. Dat natuurlijk gewoon nog op ons lag te wachten. Een tafeltje reserveren in een restaurantje waarvan de eigenaar ons bezworen had dat we niet beter konden eten dan bij hem. Terug naar het museum, omdat we ons reisgidsje in het cafe hadden laten liggen. Weer wierpen de Spaanse lessen vrucht af, en konden we het terughalen zonder opnieuw entree te betalen. Ja, het lag gewoon achter de bar. Daarna weer een half uurtje in de rij om geld te wisselen. Een typisch Cubaans overhemd kopen, want een verre reis waarvan je geen kleding als souvenir mee terugneemt is toch een beetje als - nou ja, het kan natuurlijk, maar het is niet onze stijl. Siesta, omdat een beetje jetlag het wel een paar dagen volhoudt. Eten - niet slecht, maar was het nu beter dan het restaurant ernaast? En een toeslag van 10% op de rekening plus 6 CUC voor "servicio" - dan weet je wel wat je ziet.

Vergeten geuren

Na tien uur vrijwel ononderbroken slaap, eens lekker omdraaien en nog een respectievelijk twee uur waren we wel toe aan het otbijt. Dat werd ons bereid door een schone Cubaanse die ons werd voorgesteld als de teacher van de jongen die ons de dag daarvoor had ontvangen, maar die zijn sister bleek te zijn. Doet er niet toe - ze maakte lekkere fruitsalade en roereieren, en zij en haar broer vertelden ons in het mengsel van Engels wat zij spraken en Spaans wat wij verstonden, dat hij de eigenaar van het appartement was, maar dat hij bij zijn moeder woonde omdat het alleen voor de verhuur was. dat zij getrouwd was met een tatoeerder die op hen beiden oefende (ze lieten niet alles zien), dat zij danseres was geweest en nu nog zong, dat hij Engels leerde door met de liedjes van OneDirection mee te zingen en dat onze geplande stadstour niet 's ochtends maar 's middags zou plaatsvinden. 

Zelf maar een eindje gaan wandelen, dus, onder een inmiddels blauwe hemel maar dankzij een fris windje toch in een aangename temperatuur en niet al te hoge vochtigheid. We hebben vooral de oude stad verkend, Havana Veija, maar ook wat stukjes van Centro, het net wat recentere centrum met bredere straten en grotere gebouwen. Erg veel slecht onderhouden en gedeeltelijk op instorten, maar ook veel waar aan renovatie gewerkt werd. Een interessante mengeling van wat je ook wel ziet in Oost-Europa, en de armere steden in Zuid-Europa. Met de bijbehorende geuren van verrotting, niet goed functionerende riolen en slecht verbrande ongelode benzine, diesel en twee-takt (er rijden nogal wat auto's uit het voormalige Oosblok rond). 

En wat zie je dan? Om te beginnen -ook buiten de nauwe straatjes van het oude centum- weinig auto's maar veel fietstaxi's en voetgangers, en hier en daar een wagen of koetsje met een paard ervoor. Toch hier en daar nog wel een opstopping - omdat het net even te druk is, omdat er een auto stilvalt met pech of moeite heeft om op gang te komen bij een stoplicht (bij elk stoplicht worden overigens de seconden afgeteld dat ze op rood of groen staan) of omdat sommige chauffeurs hun eigen opvattingen hebben over voorrang. Die opvattingen zetten ze dan kracht bij met claxons - en dat zijn niet de origenele bescheiden uitvoeringen. De fietstaxirijders gebruiken trouwens ook een toetertje, vooral om elkaar of voetgangers te waarschuwen dat ze er langs willen of vindendat ze voorang hebben op een kruising. Of ze fluten schel en doordringend. Je moet het even weten. Trouwens, soms gaat het even mis, en moeten twee fietstaxi's die elkaar iets te dicht passeerden, ontward worden.

Winkels, grofweg in twee uitvoeringen. Zoals wij ze kennen en direct herkennen: met etalages, of -speciaal op de toerist gerichte- uitstallingen voor een deur waarachter de "winkel"  verder slechts een gang is. En zoals we ze ook wel kennen uit zuid-europa: een grote, donkere ruimte achter een half gesloten deur en soms een kleine raamopening zonder glas, met daarbinnen mensen die iets met groenten doen, of vlees hakken en andere onbestemde zaken. Of juist, ook weer achter zo'n half gesloten deur, een heel kleine ruimte waarin een kappersstoel, naaimachine of iets dergelijks staat. Ja, en ook straatverkopers, met karren vol fruit. Een broodverkoper die door de straten loopt, om de minuut luidkeels roepend dat hij gebakken heeft (althans, zo vertaalde onze gastheer het).

Schoolkinderen, in uniform. Rood met wit voor de basisschool, bruin met wit voor de middelbare school en blauw met wit voor de eerstejaarsstudenten. Of in sportkleding, terwijl ze op een plein gymles krijgen - dan loop je ineens in een potje voetbal. Volwassen Cubanen, natuurlijk. Duidelijk aan het werk, of onduidelijk bezig. of duidelijk wachtend op een toerist die een ritje wil maken in een van de prachtig opgepoetste old-timers. En een aantal die duidelijk hun inkomen verwerven -of aanvullen- door te poseren, mooi in Afrikaanse gewaden gehulde vrouwen, of mannen met een karakteristieke kop waarin een grote sigaar. Of je een foto van ze wilt maken. Ja? Leuk, laat eens zien? Dat is dan een dollar, oftewel een peso convertible. Dat hebben we allemaal niet gedaan, maar toen we een grafiekwerkplaats binnenliepen vonden we het wel leuk om van een van de daar bezige mannen een werkje te kopen. Goed. Vertellen wat je wilt is makkelijk. Dan de prijs. Hij vroeg 40 CUC, maar gaf direct aan dat het voor minder kon. Dat vonden wij ook, maar samen zijn we niet zo goed in onderhandelen. Gelukkig is inmiddels de taakverdeling helder, en in dit geval helemaal: Marian heeft een jaartje geleden haar cursus Spaans weer opgepakt. Tegenbod: 20. Nee, dat kon niet: 35. Nou, nee: 25. En dat werd het, enigszins tot onze verbazing. Nu moest het nog gesigneerd worden, en voorzien van een titel. En meegenomen - maar hoe? Het was nog nat, dus oprollen was niet zo'n goed idee. Dus: we betalen nu, en komen het morgen halen. Een experiment in vertrouwen, want volgens een reisgidsje dat we van internet haalden en dat beloofde ons te beschermen tegen de vele valkuilen die de argeloze tourist worden bereid, zou dat nooit goed kunnen gaan. Lunchen. Ja - maar waar. Honderden restaurants, en minstens zoveel mensen die je wel naar dat ene heel bijzondere willen brengen. Maar ach, je kijkt eens naar hoe het eruit ziet en ruikt, je werpt een blik op de spijskaart en doet dan maar wat. Een gelukige keus, dit keer, want restaurant Rum Rum was aangenaam, en het eten goed en overvloedig. Nooit geweten dat oud touw - Ropa Vieja, uit elkaar getrokken draadjesvlees dat gesudderd heeft in een tomatensaus - zo goed kon smaken. 

Na de lunch even een half uurtje siesta, en toen de stadstour. Eerst een uurtje in een oldtimer -een mooie blauwe cabriolet- door de stad, terwijl onze gids -een derdejaars sudente geomechanica- ons tijdens wat haar eerste tour bleek te zijn in haar beste Engels uitlegde wat haar trainer haar een paar dagen eerder had verteld. Plus allerlei dingen die ze zelf wist te antwoorden op onze vragen over het leven in Cuba (heel goed wat de regering allemaal doet), en dingen die ze graag wilde vertellen omdat ze zo spanend vond - zoals dat ze een dezer dagen met haar collegastudeten zou meelopen in de grote parade ter gelegenheid van de verjaardag van de revolutie, of iets anders feestelijks. Vervolgens ruim twee uur lopen door -vooral- de oude stad. Flink wat plaatsen die we al gezien hadden -zij het nu met uitleg- en ook heel wat wat we nog niet gezien hadden. Best aardig dus, met als bonus dat het net de 497e verjaardag van de vestiging van de stad was, waardoor er op allerlei plaatsen feestelijkheden waren. Lees: muziek en dans. En een ritueel waarvoor mensen in een lange rij stonden: een wens doen na drie maal rond de boom gelopen te hebben die staat op de plaats waar de Spanjaarden Havanna stichtten, en de nieuwe vestiging noemden naar de mooie dochter van het plaatselijke Indianenopperhoofd. Wat er verder met haar en hem gebeurde, vertelde onze gids niet - maar wel dat ze beslist ook nog om de boom ging lopen, om net als de vorige jaren een gelukig leven veilig te stellen. Je wist immers maar nooit.

Na nog een hoop verhalen over dingen die ze ons liet zien -een ondergronds aquaduct, een mooi gerestaureerd plein ("Batista heeft hier een parkeergarage laten aanleggen, maar het hoofd van de restauratiedienst, die zo gewoon is gebleven dat hij zonder bewaking door de stad loopt, heeft besloten dat het in de oude vorm moest worden teruggebracht") besloten we dat ze haar uurtjes wel gemaakt had en wezen we beleefd haar aanbod af om ons nog een paar karakteristieke barretjes te laten zien.

Even gaan liggen, om een uur of vijf, werd zomaar drie uur slapen - en dat betekende dat de keuken van het restaurant dat we ondeweg gezien hadden en dat ons wel wat leek, gesloten was tegen de tijd dat we er aankwamen. Gelukkig was een ander restaurant nog wel open en konden we een prima vismaaltijd scoren, sfeervol begeleid door een middelbare man met mooie zangstem die 20 CUP versmaadde -"80 cents!"- maar tevreden was met een enkele CUC (plus de 20 CUP, natuurlijk). 

En vervolgens loop je terug door slecht verlichte straten langs half vervallen huizen waar hier en dar iemand in een deuropening zit, loop je een paar blokken te ver - en kom je toch zonder enig probleem en zonder een gevoel van onveiligheid bij je Casa terug.

Pas op, kijk uit, denk eraan

We waren gewaarschuwd. Er konden lange rijen voor de immigratie staan, en daarna voor de douane. Dus: neem in elk geval een flesje water mee uit het vliegtuig, want je staat er zo een uur. Nou, dat kenden we. Uit Australie en Nieuw-Zeeland, waar je blij bent als het maar een uur duurt. 

Het bleek geen goede voorbereiding. Er waren twintig loketten bij de immigratie, en voor elk ervan stond een rij. Van wel drie tot vijf personen. Behalve bij dat ene, dat net openging. Maar voor we daar waren, werden we voorbijgehold door een paar dames die nog beter opletten, waardoor onze wachttijd toch nog vijf minuten werd. Ook de veilgheidscontrole -ja, met echte scanners, en detectiepoortjes die zo stonden afgesteld dat ze onze heupprotheses misten- ging vlot. Dus: op naar de bagageband. Die begon al na een paar minuten te draaien: de priority bagage. Daarna niets. Band stil. Wachten. Een kwartier, een half uur. Toen weer actie. Tien, soms wel 15 koffers per minuut. Uit een vliegtuig met zo'n 350 passagiers. 

Nou ja, een uur na aankomst stonden we in een beetje serieuze rij. Aan het eind waarvan een eenzame dame de fomulieren in ontvangst stond te nemen waarop we aangaven dat we niets hadden aan te geven. De andere rij, met bagagekarren vol met -nou ja, wat eigenlijk niet: dozen electronica, autobanden, etenswaren- ging wat minder vlot, dat moet gezegd worden.

De chauffeur van onze transit naar onze casa stond geduldig te wachten. Hoewel, geduldig? Tijdens de rit trapte hij zijn Lada stevig op de staart, toeterend naar wie wat te lang naar zijn zin links bleef rijden, of anderszins niet opschoot. Ons verdoofde hij ondertussen met de uitlaatgassen, al had hij een raampje opengezet om een fatale afloop te voorkomen. Wat natuurlijk wel betekende dat de uitlaatgassen van andere auto's vrij spel hadden. Nou ja, die old-timers moet je natuurlijk niet alleen zien, maar echt beleven, denk je dan.

De eerste indrukken van de stad. Buitenwijken met (niet erg hoge) flats die er niet echt bewoonbaar uitzagen. Oudere huizen waarvoor dat soms wat minder gold. Veel mensen in de straten, rijen bij de busstations en op plaatsen waar kennelijk markt was. Regen, warm. "Revolucion es el pueblo" op de muren, en " Un pueblo unida ..." - de rest was niet echt meer leesbaar, maar konden we uit het hoofd aanvullen.

De oude stad. Smalle, drukke straatjes, en dus meer frustratie bij onze chauffeur, want de fietstaxi's en bespannen wagens gingen niet opzij. Konden niet opzij, omdat er geen ruimte was of vanwege de gaten in de weg. 

Uiteindelijk een rit van een minuut of veertig - ongeveer de helft van wat het ons zo'n 14 uur eerder had gekost om op Schiphol te komen, vanwege een paar forse files.

Onze casa. Een redelijk ruim driekamerappartement op de tweede verdieping, op een hoek van twee van die smalle straatjes. Woonkamer, keukentje, twee slaapkamers, twee balkons. Waarbij bleek dat de slaapkamers afzondelijk verhuurd werden, maar dat hadden we ook wel verwacht. Pas gerenoveerd, schoon, goed bed en matras. Wel wat lawaaiig, dus vast geen dubbel glas. Hoewel - wacht, helemaal geen glas. Alleen maar houten blinden, zodat het in elk geval een beetje te verduisteren was. 

Buiten begon het inmiddels wat te schemeren. We besloten maar snel op weg te gaan en een plek te zoeken om geld te wisselen, daarbij overigens zeer geholpen door de aanwijzingen van de jongen die ons in het appartement had ontvangen. Ook bij de bank het ritueel wat ons in de resigidsen en blogs was voorspeld, maar in de light version: een rij voor de deur, een bewaker die maar een persoon tegelijk binnenlaat, een procedure met veel wat moet worden vastgelegd. Maar wel een koers die klopt, en geen provisie.

Vervolgens wat eten. Gewoon een restaurant wat er normaal uitzag: Restaurante Europa. Vast een toeristenval, maar zo'n twintig uur nadat we waren opgestaan wilden we ook niets anders. In elk geval niet een echt Cubaans restaurant waar we we zouden moeten bedenken of de prijzen nu in Moneta Nacional (CUP) zouden zijn, of in Pesos Convertibles (CUC). Ook dat was weer een waarschuwing uit de reisgidsen: als je die twee door elkaar haalt, betaal je 24 keer zoveel. Nou ja, dat was hier direct duidelijk: de prijzen werden in beide eenheden vermeld, waren in onze optiek heel schappelijk (zo ongeveer de helft tot 3/4 van wat we in Nederland heel gebruikelijk vinden) en het aanbod zag er aantrekkelijk uit. Goed, de uitvoering was niet in alle opzichten geweldig: de vissoep wat waterig en niet echt warm, de gekookte groenten een erwtenmoes - maar de paella wel goed gevuld. En het orkestje speelde fijne Cubaanse muziek.

We hebben er niet lang van genoten, want de slaap sloeg inmiddels echt toe. En geslapen hebben we, ondanks dat vlak bij ons appartement een soort jazzcafe was en het verkeer in de straten erlangs vrij druk.

Poolse havenstad

Er zijn van die steden die iets magisch hebben. Waarvan je al de eerste keer dat je ervan hoort, denkt: “daar wil weleens heen.” En soms moet je dan een jaar of veertig wachten voordat het zover is, ben je het al haast vergeten, maar zie je ineens een aantrekkelijke aanbieding en ga je.

Eigenlijk begon het magische al met de heenreis. Vertrekken van een vliegveld waarvan je wist dat het bestond, aan de andere kant van het land, maar waarvan je nooit gedacht had dat je er ooit gebruik van zou maken. Klein, heel klein. Een stuk of 10 vluchten per dag, en daardoor heerlijk rustig.  Een vliegtuig dat een half uur voor de officiële vertrektijd al vol zit en dus te vroeg vertrekt. Een vlucht van anderhalf uur, razendsnelle bagageafhandeling en de taxi voor de transfer naar je hotel die al staat te wachten. Een land waar je niets van de taal begrijpt maar waar veel mensen prima Engels spreken. Rustige wegen, in 20 minuten in je hotel dat gloednieuw blijkt en waar je kamer redelijk ruim en comfortabel is. Een restaurant in het hotel dat verrassend goed is. En dan, bij het vallen van de avond, op verkenning. Een paar minuten lopen naar de oude stad en ontdekken dat het hele centrum is omgetoverd in één grote braderie: de jaarmarkt, die al weken gaande is maar waar de kooplieden nog steeds hopen hun spullen te slijten aan de drommen inwoners en toeristen die zich langs de rijen kraampjes persen. Vuurvreters, stand-up comedians, muzikanten op de pleinen. Straatlantarens die aangaan, een lucht die via de mooiste kleuren zwart wordt boven de hoge huizen.

De volgende ochtend is alles natuurlijk anders. De nacht is regelmatig onderbroken door het geluid van grote vrachtwagens en bussen die op het wegdek vol gaten vlak onder ons raam veel lawaai makten. Het sjiek bedoelde restaurant is een overbevolkte ontbijtzaal waar het gegil van de kinderen -baby’s, vooral- goed weerkaatst wordt. De huizen tussen het hotel en de oude stad blijke bij nader inzien moderne replica’s van hoe het vroeger geweest zou kunnen zijn, omgeven door een bouwterrein waar nog steeds gewerkt wordt aan het herstellen van de schade van de bombardementen, meer dan 70 jaar geleden. Op de rivier vaart een galjoen; uit de schoorsteen die in de mast verborgen zit komt de rook van de dieselmotor. De jaarmarkt is een verschrikkelijk drukke braderie waar deels dezelfde troep verkocht wordt als overal. De smakelijk uitziende boterhammen die je veel mensen ziet eten, blijken gesmeerd met reuzel en de augurken die je erop kunt doen verdringen de smaak daarvan vooral omdat ze zelf nogal smerig zijn.

Maar: de zon schijnt, de temperatuur en de sfeer zijn aangenaam, op de groentemarkt koop je lekkere verse frambozen en het oude centrum van de stad blijkt mooi hersteld. Zo is het leven goed, en dat het originele Poolse restaurant in de buurt van het hotel nu niet bepaald culinaire hoogstandjes levert – ach, het kan niet voortdurend feest zijn.

De dag daarna een uitstapje. Met het gemotoriseerde galjoen “Leeuw”, dat met zusterschip “Zwarte parel” een veerdienst blijkt te onderhouden naar een stukje historische grond aan de monding van de rivier: de Westerplatte, de plek waar de Tweede Wereldoorlog begon. Fascinerend, zo’n stukje geschiedenis. Niet alleen het verhaal over hoe nog geen 200 Poolse soldaten ruim een week de Duitse aanvallers wist te weerstaan, terwijl die beschikten over overmacht aan manschappen, een slagschip en een groot aantal vliegtuigen. Maar ook, en vooral, wat daaraan voorafging. Hoe delen van Duitsland na de Eerste Wereldoorlog Pools grondgebied werden, en het stukje waar wij nu waren een “Vrije stad” werd, waar het merendeel van de bevolking Duits was maar er een grote Poolse minderheid was. Hoe vervolgens weer op een heel klein stukje daarvan, een deel van de Westerplatte, een Pools militair depot werd gevestigd, met een klein Pools garnizoen. Hoe een Duits slagschip een beleefdheidsbezoek bracht aan de vrije stad, met een groot detachement mariniers aan boord die onverhoeds moesten aanvallen om dat garnizoen in een uurtje uit te schakelen, maar daar niet in slaagden – ondanks het overwicht en de steun van het al geheel genazificeerde politiekorps van de vrije stad.
De Westerplatte zelf is niet bijzonder interessant. Tussen een containeroverslag en een ontoegankelijk militair terrein ligt een strook bos waarin je nog een paar plekken kunt zien waar duidelijk hard gevochten is en versterkingen in puin geschoten zijn, er is een megalomaan monument en er zijn de souvenirkraampjes. Plus, ook op een regenachtige dag zoals wij die troffen, honderden (Poolse) toeristen, want het is echt een nationale bezienswaardigheid.
We zijn uiteindelijk maar een uurtje gebleven. Genoeg om een indruk te krijgen, en een heel gelukkig besluit omdat de lichte regen die we tijdens de terugreis hadden kort na aankomst een enorme plensbui werd. Maar toen zaten we al ergens in een fijn restaurant aan een smakelijke lunch, die duurde tot het weer droog was.

De volgende dag hadden we bestemd voor museumbezoek, omdat de weersverwachting slecht was. Dat bleek mee te vallen (een paar buitjes) maar desondanks zijn we blij dat we de musea gezien hebben. Het stadsmuseum in het oude gemeentehuis geeft een mooie indruk van de geschiedenis van de stad, waaruit ook duidelijk wordt wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog allemaal verwoest is. Dat maakt het trouwens ook wel een beetje dubbel: je loopt in een historisch gebouw, met van die prachtige houten vloeren en plafonds – en dat is grotendeels nog geen zestig jaar oud, of afkomstig uit gebouwen die niet gerestaureerd zijn.

Na het stadsmuseum (en een smakelijk broodje) zijn we in een tram gestapt waarvan we alleen wisten dat hij in de goede richting ging om bij een ander museum te komen – we wisten wel ongeveer waar het lag, maar niet hoe ver dat nu precies was en hoe de straat ook al weer precies heette. Dat bleek, ook met een smartphone en Google Maps, nog niet zo simpel. Na 20 minuten en heel veel haltes met onverstaanbare namen begonnen we toch een beetje te twijfelen. Waren we er niet al lang voorbij? Totdat tussen alle Pools ineens een verstaanbaar woord langs kwam: “Westerplatte”. Gelukkig niet de plek waar we dag tevoren geweest waren, maar de daarnaar genoemde straat aan de andere kant van de stad – en daar ergens in de buurt moest het museum zijn. En warempel, na een omtrekkende beweging stonden we ineens bij een leuk paleisje in een mooi park waarbinnen een aardige collectie moderne en hedendaagse kunst hing en stond. Heel speciaal: een tentoonstelling van (vooral Franse) impressionisten met allemaal werken waarin stukjes Normandië waren vastgelegd. Sommige met verbluffend knappe luchten en lichten.

De laatste avond alweer. Verkeerd begonnen in een restaurant dat er op zijn website goed uitzag en waar live muziek zou zijn. Nou, dat laatste klopte: een zangeres en toetsenist die het op ons en twee andere gasten na geheel lege restaurant deden schallen met liedjes die op half volume waarschijnlijk wel goed geklonken zouden hebben. Het eten was echter pas echt om te huilen, dus we stonden binnen een uur weer buiten en hebben elders troost gezocht bij een lekker dessert.

En toen zat het er weer op. Gdansk was niet langer een magische naam, maar een van de mooie steden waar we geweest zijn. En dat de vlucht terug met meer vertraging vertrok dan hij zelf duurde, de bagageafhandeling op Eelde nogal traag was en we tijdens het eten op een terras in Paterswolde ineens weer in de regen zaten – ach, ons maakte dat allemaal niet zoveel uit. Het was weer leuk geweest.

De cirkel gesloten

We zijn weer thuis, dus het is hoog tijd deze reeks verslagen af te ronden.

De wijnproeverij bij Cantina Col Dovigo vormde het laatste onderdeel van de wijnreis door Noord-Italië, maar nog niet van onze vakantie. Sterker nog, we begonnen de dag erna niet aan de terugreis, maar aan een sentimental journey. Of, iets preciezer, een weekje oud en nieuw. Oud in de zin dat we 40 jaar geleden al eens in Ljubljana, onze volgende stop, waren, en nieuw dat we vervolgens een paar dagen verbleven in Graz, waaraan we nog niet eerder een bezoek brachten.

Ljubljana kenden we nauwelijks terug. Was het destijds een wat slaperig provinciestadje in Joegoslavië dat naast de markt, een wat vervallen burcht en een paar restaurants weinig te bieden had, als hoofdstad van Slovenië en voormalige culturele hoofdstad van Europa was het inmiddels een levendige, enigszins kosmopolitische studentenstad geworden die duidelijk ook veel toeristen trekt -althans, afgaande op de busladingen Aziaten, de vele terrasjes en het door velen heel redelijk beheerste Engels.

We verbleven er twee nachten in een via Airbnb gehuurde flat in een redelijk nieuw complex net buiten het centrum, met aan de ene kant uitzicht op twee supermarkten met bijbehorende parkeerterreinen en aan de andere op de rivier en een mooi beboste heuvel. Toen we aankwamen schrikte het uiterlijk van de flatgebouwen en de omgeving ons een beetje af, maar die omgeving was uiteindelijk heel rustig en vriendelijk, en ons appartement bleek heel aangenaam. Het lag op de derde etage, op een hoek, had dus aan twee zijden (veel) glas en twee balkons, was opmerkelijk ruim en heel prettig en praktisch ingericht.

Het kwartiertje wandelen naar het centrum bleek geen beletsel, dus hebben we de eerste avond daar in restaurant Most gegeten. Culinair geen must, maar de ober sloot ons in zijn hart toen we probeerden een paar gerechten op de kaart in het Sloveens uit te spreken. “I love your accent,” was zijn reactie – wat wij natuurlijk tot zijn aanvankelijke verbazing en vervolgens grote plezier aan hem teruggaven toen hij ons bij het weggaan een “guden aivond” wenste.

De ene hele dag dat we in Ljubljana waren, hebben we gebruikt om een beetje rond te kijken op de markt en in de winkelstraten, een bezoekje te brengen aan het kasteel en vis te eten op een terrasje. Geen bijzondere dingen dus, maar wel een heel prettige manier om de vitaliteit van de stad te voelen – de gerichtheid op de toekomst, om maar even terug te grijpen op onze vorige blog. Het is waarschijnlijk niet te veel gezegd dat je op dit soort plekken ervaart wat het betekent te leven in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

Van Ljubljana naar Graz is maar een uur of drie rijden, dus we hadden alle tijd om voor de lunch even te stoppen in Maribor. Geen bijzonder interessante plaats, zo te zien. Wel een universiteitsstad met een oude kern, maar niet de levendigheid van Ljubljana. Maar misschien lag dat er ook aan dat het weer wat minder mooi was.

De rest van de tocht ging (weer) door mooi landschap en over rustige (snel)wegen, tot we in de buurt van Graz kwamen. Eerst leek het erop dat de stad leegliep, zo druk was het op de andere baan, maar bij het verlaten van de snelweg bleek dat er ook mensen de stad in wilden: de vier, vijf kilometer tot aan het centrum waren een grote file. En het laatste stuk tot ons appartement was extra lastig, vanwege de voetgangerszone en extra afzettingen.

Ons appartement (ook via Airbnb) was redelijk groot, en redelijk mooi maar enigszins spaarzaam ingericht. Typisch de woning van een jonge man alleen, vonden we. Ook hier lag het aan de rivier, maar nu midden in het centrum, en aan een doorgaande weg. Zoiets heeft nadelen, zoals het verkeersgeluid van de vroege ochtend tot de late avond, en de discodreun, gelukkig maar tot 10 uur ’s avonds, van een soort festival op de andere oever. Maar het voordeel is natuurlijk dat je overal dichtbij zit.

Graz is wat bedaagder dan Ljubljana. Veel mensen, ook, maar zo te zien wat minder buitenlandse toeristen – hoewel, de Aziaten waren ook hier ruim aanwezig. Gemiddeld wat ouder ook, maar misschien is dat wel een vertekende waarneming omdat de jongeren aan de andere kant van de rivier bezig waren met dat festival, de Lendwirbel. Maar hoe dan ook: rustiger, een beetje chiquer. De gebouwen zijn ook anders. Zijn ze in Ljubljana grotendeels van een bescheiden schaal, in Graz staan enorme stadspaleizen uit de Barok en Rococo – en daartussen een opvallende blauwe “blob”, het uit 2003 stammende Kunsthaus. Volstrekt vergelijkbaar is de in de binnenstad op een heuvel gelegen burcht (die je ook nog eens in beide steden met een kabelspoortje kunt bereiken), zij het dat die in Ljubljana beter bewaard is gebleven / gerestaureerd, terwijl het in Graz meer een park is geworden met hier en daar een stukje muur. En dat je er in Graz ook de Grazers zelf treft.

Culinair leverde Graz in zoverre een teleurstelling op dat we de fout maakten om in een Gasthaus vlak bij ons appartement een Wienerschnitzel te bestellen. Die bleek gefrituurd, en daardoor niet te onderscheiden van een te hard gebakken kipnugget (niet dat we ons kunnen herinneren die ooit gegeten te hebben, maar je maakt je er weleens een voorstelling van). Nou ja, we hebben het de dagen erna goed gemaakt – en de wijnen waren sowieso niet slecht.

De Lendwirbel, die we overigens maar kort bezochten, bleek een meerdaags festival, georganiseerd door “einem sich ständig verändernden sozialen Netzwerk von Menschen mit dem gemeinsamen Anliegen, den städtischen Raum zu nutzen und dadurch Teil einer öffentlichen Auseinandersetzung zu sein.” Laten we het zo zeggen: mensen proberen gedurende een week door het organiseren van een feest (lees: optredens van DJ’s), kunstuitingen (lees: bouwsels, straattekeningen, optredens en een fotoproject waaraan we zelf medewerking verleenden) en discussiebijeenkomsten de openbare ruimte te ontworstelen aan de commercie en terug te geven aan de mensen. “Es geht um die Frage: Wie wollen wir in unserer Stadt leben und wie kann das Zusammenleben bestmöglich funktionieren?,” schrijven ze op hun site. En dan is het natuurlijk een toppunt van ironie om op hun Facebook-pagina de klacht te lezen van een buurtbewoonster, die de herrie en de stank van de frituur zo zat is en zich afvraagt of iemand ook aan de bewoners denkt: “Die Geräusch- und Geruchsbelästigung ist mir zuviel. Und vielen anderen Anrainern auch. Denkt hier jemand auch an die???”.

Er is veel wat we niet gezien hebben in en rond deze steden, maar uiteindelijk moesten we toch weer de auto in voor de terugreis. En ook die leverde wat jeugdsentiment op: na prachtige, rustige snelwegen door Oostenrijk (wel enorme einden door tunnels, dus het uitzicht valt wat tegen) kwamen we in Duitsland op autobahnen waar op veel plaatsen broodnodig onderhoud en verbreding plaatsvond, met kilometerslange files tot gevolg. En dan niet zo dat je een paar minuten stapvoets rijdt, maar gewoon een uur lang stil staan.

Overnachten deden we de eerste nacht in een pensionnetje in Falkenstein, in het Bayerische Wald, waar we ook nog even een wandelingetje maakten in het park rond het (natuurlijk op een heuvel gelegen) slot, dat nog opmerkelijk werd toen we ons op een gegeven ogenblik door zeer smalle rotsspleten moesten wringen en steile ladders moesten beklimmen.

De laatste nacht verbleven we, en daarmee was de cirkel enigszins gesloten, in een tot luxehotel en wellness-centrum omgebouwde hoeve die omgeven was door een golfterrein. En om de cirkel echt rond te maken raakte ons navigatiesysteem de volgende ochtend geheel van slag toen het ons eerst afried om de snelweg op te gaan omdat daar een enorme file stond vanwege een ongeluk, en vervolgens twee alternatieve wegen bleken afgesloten vanwege onderhoud. Een situatie waaruit we werden gered door een vriendelijke Duitser die ons aansprak bij een tankstation en ons suggereerde achter hem aan te rijden, want hij moet toch naar een stadje net voorbij het afgesloten deel van de snelweg. En uiteindelijk leidde hij ons ook nog om dat stadje heen, naar een volgende oprit, omdat in het stadje inmiddels het verkeer ook helemaal vaststond. Ach, zei hij: ik kom vaak en graag in Nederland, en word daar altijd heel vriendelijk ontvangen. Heel anders dan in Frankrijk, daar haten ze ons Duitsers nog steeds. 

De toekomst van het verleden

Na onze incheck-ervaring bij Villa Soleil zorgden we er natuurlijk wel voor dat we bij de tweede etappe van onze wijnreis niet te vroeg aankwamen. Dat leek trouwens nog niet zo makkelijk: we werden geacht om voor 10 uur uit te checken, moesten maar zo’n 300 km rijden en zouden er dus al om een uur of één zijn. Maar gelukkig heeft Italië daar een simpele oplossing voor: de lunch. Niet een snel broodje, maar een echte lunch met een voorgerecht, tenminste een primi of secundi en bij voorkeur ook een postre (pardon: dolce - volgens mij halen we voortdurend Spaans en Italiaans door elkaar). We nuttigden deze in Isea, een plaatsje aan het gelijknamige meer, waar we een jaar of tien geleden ook al eens waren, en we verbaasden ons over het hoofdgerecht: sardientjes uit het meer. Altijd gedacht dat dat zoutwatervissen waren, maar misschien is het hier een verzamelnaam voor kleine visjes. Hoe dan ook, het was smakelijk.

Wat ook hielp om niet te vroeg te komen, was dat de snelweg zowel tussen Turijn en Milaan als tussen Milaan en Vicenza nogal druk was. Vooral met vrachtwagens, waaronder veel uit diverse landen in Oost-Europa en daar voorbij. Dat leverde flink wat files op, en van die heftige momenten dat je alleen maar kunt hopen dat degene achter je ook snel reageert op plotseling vol op de rem gaan staan. Nou ja, dat lukte, en dus kwamen we toch nog gezond en wel aan, rond een uur of halfvijf.

“Villa Tacchi – daar zit een luchtje aan”, zo zullen we ons dit verblijf waarschijnlijk blijven herinneren. De kamer die we kregen toegewezen stonk. Niet naar rook, riool of verrotting, maar naar luchtverfrisser, geurstokjes of schoonmaakmiddel. Een bron konden we niet vinden, en volgens de receptioniste was het ook gewoon de geur van het schoonmaken die vanzelf zou wegtrekken. We hebben ramen en de deur opengezet, en na een uur toch maar om een andere kamer verzocht. Die was kennelijk langer geleden schoongemaakt en met een ander middel, want hier was het wel te harden. En gelukkig maar, want in drie dagen verdween het niet.

De eerste (inbegrepen) maaltijd was hier ronduit onder de maat. Niet zozeer de kwaliteit van wat ons werd voorgezet, als wel de keuze (kip of parelhoen – oh nee, die is op. Carpaccio misschien, al hebt u die ook al als voorgerecht?) en de hoeveelheid. Toch hebben we, uit nieuwsgierigheid en luiheid, ook de tweede en derde avond in het hotel gegeten. De tweede avond een mooi en smakelijk aspergemenu met bijpassende lokale wijnen, de derde een aantal niet onaardige gerechten van de normale kaart.

Op de tweede dag dachten we een bezoekje te brengen aan een paar bezienswaardige plaatsjes in de buurt en dat rondje af te sluiten met Padua, maar het bleef bij Bassano del Grappa (met een opvallende overdekte houten brug) en Citadella (fraai gerestaureerde zeer hoge en dikke stadsmuur om de hele binnenstad). In Bassano bleven we wat langer dan gepland omdat er een bezienswaardige markt was (met veel witte asperges, hier een bijzonderheid) en omdat we besloten er te lunchen, wat vanwege de drukte op het terras veel tijd kostte – maar de zwarte rijst met erwtjes en rivierkreeftjes was het waard. In Citadella was het gewoon aangenaam toeven, al werd op het centrale plein een geluidsinstallatie getest die een geluidsmuur produceerde waartegen je kon leunen. Nee, niet ter voorbereiding van de 1 mei viering de volgende dag, maar voor het feestje vanwege de promotie van de plaatselijke voetbalclub van de derde naar de tweede klasse.

De dag erna, zondag, hadden we in de middag de wijnproeverij in een cantina zo’n twintig kilometer benoorden het hotel. Niet handig, dus, om eerst naar het zuiden te rijden om alsnog Padua te zien. En dan: we hadden toch ook op een paar kilometer afstand Vicenza? Dat bleek geen slechte keuze. In de ochtend regende het een beetje, dus dat was een perfecte gelegenheid om het ruim 400 jaar oude Teatro Olympico en het museum in het Palazzo Chiericati te bezoeken. Na de lunch (een simpel broodje, dit keer) nog het Palazzo Barbaran da Porto, met daarin een permanente tentoonstelling over leven en werken van de renaissance-architect Andrea Palladio, van wie veel in Vicenza en omgeving te vinden is (onder andere die overdekte brug in Bassano). Interessant – al was het maar om te zien waar de architect van het White House in Washington zijn inspiratie vandaan haalde. Afsluitend onderdeel van deze renaissance-ervaring was het bezoek aan “het dak van Vicenza”, de loggia en het dak daarvan rond de Basilica Palladiana – inderdaad, ontworpen door Palladio. Mooi, en een grandioos uitzicht over de stad.

Niet alles wat we zagen was in perfecte staat (een aantal beelden op het dak van de Basilica, bijvoorbeeld, droeg een soort prothese) en niet alle modernisering (een lift hier en daar, verwarming, verlichting) verdiende de schoonheidsprijs. Dat bracht ons toch ook weer even in gedachten terug naar onze gastheer van een week daarvoor, die verzucht had dat het feit dat er zoveel bewaard was gebleven uit de renaissance, voor Italië misschien eerder een vloek dan een zegen was. Want het onderhoud van al die gebouwen is kostbaar (voor de staat en voor de gemeenten – er is maar weinig meer in particuliere handen, al wordt er door particulieren en bedrijven wel veel aan sponsoring gedaan) en naast de toeristische trekpleisters zijn er duizenden kerken, paleizen, villa’s en dergelijke waar maar een paar honderd mensen per jaar komen, en waar het entreegeld al niet genoeg is voor verwarming en verlichting. Dat Italië niet zoiets heeft gehad als een beeldenstorm, plaatst gemeentebesturen nu dus voor lastige keuzen: op welk moment staat de toekomst van het verleden onze eigen toekomst in de weg?

Gedachten als deze hadden we niet zo lang, want de wijnproeverij wachtte. Toen we na enig zoeken op het juiste adres aankwamen, was het daar een drukte van belang. Dat viel ons een beetje tegen, maar gelukkig bleek al snel dat we net aankwamen op het moment dat een verjaardagsfeestje dat hier die middag gehouden was, ten einde liep. Uiteindelijk bleken we slechts in het gezelschap van een Nederlands paar dat dezelfde trip deed als wij, maar een dag later begonnen was – net als een ander Nederlands stel, een Duits en twee Oostenrijkse.

De wijnen die ons bij Col Dovigo werden voorgezet waren heel aangenaam. Met kennis van zaken gemaakt van druivenrassen die we nog niet eerder (bewust) waren tegengekomen: Vespiola (wit) respectievelijk Groppello (rood), en toegelicht door een charmante dame die wist waar ze het over had. Onontkoombaar, dus, dat we wat flesjes aanschaften.

Polite Dutch

Aix-en-Provence, Finale Ligure – het waren slechts voorproefjes van het piece de resistance van deze voorjaarsvakantie: Colleretto Giacosa en Villalta di Gazzo Padovano. Oftewel, de etappes van de zesdaagse wijnreis door Noord-Italië die we een paar maanden geleden boekten omdat hij er zo aantrekkelijk uitzag. Twee maal drie dagen in een tot klein hotel omgebouwde villa, met telkens een wijnproeverij en een diner en eenmaal een “klein geschenk”. En dat voor een schijntje van wat we vorig jaar betaalden voor acht weken Nieuw Zeeland.

Collereto Giacosa ligt iets ten noord-westen van Turijn, aan het begin van het Aosta-dal. Daar waren we een paar jaar geleden al eens, en ook in het gedeelte van Piemonte waar we op weg ernaartoe doorheen reden. Het was ons toen goed bevallen: geweldig eten en idem wijn. Onze verwachtingen waren dus hooggespannen.   

De reis verliep voorspoedig -het was gelukkig beduidend minder druk op de weg dan de dag ervoor, toen we vanaf ons terras enorme files op de snelweg zagen, die pas laat in avond oplosten. We waren dus al om 12:30 bij Villa Soleil, ons eerste verblijf. Maar ja, de check-in was pas vanaf 16:00. En als ik zeg 16:00, dan bedoel ik 16:00. Deuren en hekken op slot, en bordjes bij de bellen dat het echt geen zin had om ze voor die tijd te gebruiken. En zelfs iemand van het personeel die -toevallig, dat wel- naar buiten kwam en dat nog eens benadrukte.

Goed, dan maar van de nood een deugd gemaakt en Ivrea verkend, de nabijgelegen grote plaats en -de kennertjes weten dat natuurlijk- de geboorteplaats van de Lettera 35 en nog veel meer van die fijne Olivetti schrijfmachines. Nou, laten we het zo zeggen: er zijn mooiere plaatsen in Italië. En betere restaurants dan dat waar we onze lunch genoten, maar daar moet bij gezegd worden dat we er wat aan de late kant waren en het dus moesten doen met wat anderen versmaad hadden. Trouwens: het smaakte gewoon goed, en meer hoefde het ook niet te zijn. En zelfs de mooiste Italiaanse steden zijn tussen 14:00 en 16:00 niet op hun best, als alles dicht is en de inwoners achter gesloten luiken dingen doen die het daglicht niet kunnen verdragen. Waar nog bij komt dat het weer inmiddels wat betrokken was, en dan ziet ook de mooiste stad er al gauw wat somber uit.

Het zal dus niet verbazen dat we tegen vier uur weer bij het hotel waren, en daar om twee over vier aanbelden, na eerst nog even gewacht te hebben of hek en deur vanzelf zouden opengaan. En ja, we waren welkom, al moest de vriendelijke man die ons ontving zijn uniformjasje nog even dichtknopen. Een aangename, grote kamer aan de binnenplaats. In een bijgebouwtje van recente datum, dat wel, maar met uitzicht op de villa en zo nu en dan WiFi. En met uitzicht op de wijnproeverij en een smakelijke maaltijd.

Ach ja, hoe gaat dat dan. De wijnproeverij bestond eruit dat we aan de bar van het hotel vier bodempjes wijn kregen ingeschonken, waarbij de barkeeper ons vertelde van welk wijnhuis en druiven ze waren. Veel meer wist hij er ook niet van, of in elk geval niet te vertellen in het Engels. En de maaltijd, die zijn we alweer vergeten. Wat natuurlijk betekent dat hij niet bijzonder slecht was, dat moet ook gezegd.

De volgende dag begonnen met een goed ontbijt en een wandeling door het dorp, inclusief het hoger op een heuvel gelegen deel. Mooie uitzichten op de bergen, en vooral verheugend dat het lopen zo goed ging. Lunch in de plaatselijke pizzeria, die verrassend smakelijk bleek. De middag wat verlummeld en ’s avonds naar Ivrea voor het diner, dat we genoten in Osteria San Maurizio. Een bijzonder aangename ambiance, en het eten was ook prima. Lekkere voorgerechtjes uit het Aosta-dal, en een in plaatselijke wijn gestoofd konijntje.

De volgende ochtend in Ivrea bij de plaatselijke fotohandelaar een nieuwe compactcamera gekocht (volgens hem een macchina fotografica, al begreep hij de “technische term” camera ook wel), die allerlei leuke snufjes blijkt te hebben (zoals panoramaopnamen en een HDR-functie die bij weinig licht heel fraaie foto’s oplevert). Eigenlijk best een prestatie, gegeven het feit dat wij nauwelijks Italiaans spreken en de man geen woord Engels. Daarna een wandeling door het wijndorp Carema, een kilometer of 20 verder het Aosta-dal in, en een bezoekje aan het Museo d'Arte Contemporanea all'Aperto in Maglione. Dat laatste betekent overigens dat er 30 jaar geleden op heel wat huizen muurschilderingen zijn aangebracht door -toen- hedendaagse kunstenaars en er ook wat beelden staan. Niet heel spannend allemaal, maar wel de moeite waard om te zien. En om gezien te worden, want de mevrouw die haar man aanstootte en, op ons wijzend, uitriep “il professore” had duidelijk ook weer een goede dag. De dag afgesloten met weer een diner in Osteria San Maurizio,waar ook andere gerechten op de kaart goed bleken, net als de wijn uit Carema.

De volgende dag uitgecheckt bij dezelfde man bij wie we hadden ingecheckt, die overigens Alberto heette (net als Einstein, zei hij) en de manager bleek, en die we in de dagen van ons verblijf al hadden zien lopen in een koksgewaad en in de tuin bezig hadden gezien met het planten van begonia’s en het opbouwen van wat er allemaal nodig was voor een huwelijk dat een week later in de villa gesloten zou worden. Van hem behalve het “geschenk”, een klein flesje wijn, ook de complimenten in ontvangst genomen dat we zulke “polite Dutch” waren (hij was het kennelijk ook anders gewend) en hem dus maar gecomplimenteerd met zijn goede Engels.

Duizenden flessen wijn tussen wal en schip

Een middagje in Genua, meer hadden we nog niet gezien van de Italiaanse Riviera. Op zichzelf al een reden om vanuit Aix-en-Provence verder te rijden, via Ventemiglia -de exotisch klinkende naam die we zo vaak op rijtuigen van internationale treinen hebben zien staan, treinen waarin boven de ramen bordjes hingen met het onheilspellende “È pericoloso sporgersi”, wat wij natuurlijk nooit deden, gehecht aan ons hoofd als we zijn, net zomin als we ooit Ventemiglia zagen, maar nu dus wel, zij het vanaf de snelweg- naar Finale Ligure. Een naam die trouwens ook associaties oproept met een luguber einde, maar dat was niet wat ons trok. We wilden gewoon een Italiaanse badplaats zien, en deze werd het omdat we via een bekende boekingsite in deze buurt een agriturismo vonden die zeer werd aangeprezen.

En terecht, zo bleek. Na een heel rustige tocht over vrijwel lege snelwegen -het laatste deel over hoge viaducten en door vele tunnels- en een kort stukje steeds smaller wordende weggetjes de bergen in, kwamen we bij een fraai gelegen boerderij waar ons kamertje al op ons wachtte. De eigenaar nog niet – die haalden we door onze aankomst uit zijn siësta. Dat deerde hem niet, want onze komst was aanleiding om een fles wijn (van eigen productie, en bepaald smakelijk) tevoorschijn te halen en met ons en zijn echtgenote de wereld door te nemen. En dat hoefde niet met handen en voeten, maar kon in heel behoorlijk Engels. Wat eigenlijk wel heel tekenend was voor deze man, die op 14-jarige leeftijd van school was gegaan en een jaar of 30 later besloten had dat als hij ernst wilde maken van zijn wens om zijn blik te verruimen, hij een aantal dingen moest doen: talen leren, gasten in huis halen en gaan reizen. En dat had hij dus gedaan. Engels, Frans en Duits geleerd. Een agriturismo (La Rocca di Perti) begonnen, eerst als restaurant maar inmiddels met zes kamers voor gasten, die bij het diner van harte werden uitgenodigd om bij de gastheer en -vrouw aan tafel aan te schuiven en hun eenvoudige doch voedzame maaltijd te delen. En, inderdaad, reizen. Door Europa, en daarbuiten. En met als volgende reisdoel: Lampedusa. Want de burgemeester van dat eiland dat iedereen tegenwoordig kent vanwege de stromen vluchtelingen die er aan land komen, had onlangs op de televisie verteld dat de plaatselijke bevolking graag enige steun kreeg van mensen uit de rest van Italië – gewoon door er als toerist naartoe te gaan, en zo wat geld in het laatje te brengen. En dat, zo hadden onze gastheer en -vrouw gedacht, was nu net een mooie manier om hun (inter)nationale solidariteit uit te drukken.

Maar nu waren ze dus nog hier, en kookten ze twee avonden achter elkaar de lekkerste dingen voor ons en de andere gasten en zetten ze ons hun wijnen voor en de grappa’s die de grootmoeders hadden gestookt. Of zo begrepen we dat laatste in elk geval, want tegen de tijd dat die op tafel kwamen waren we allemaal niet zo scherp meer.

In de tuin was het goed zitten tussen de vruchtdragende citroenen en de heerlijk geurende sinaasappelbloesem, maar de ene volle dag dat we hier waren hebben we gebruikt om het stadje Finale Ligure te bezoeken. Zo’n echte badplaats met één lange winkelstraat, een boulevard met aan de ene kant hotels en aan de andere de restaurants en bars met elk hun eigen stukje zandstrand met kleedhokjes en ligstoelen, en de zee die inderdaad zo blauw was als het liedje beweert. Ondanks de nationale feestdag waarop iedereen vrij was en de file op het kleine stukje kustweg dat we moesten berijden was het nog niet te druk -zeker in zee niet, want die was duidelijk nog wat koud- maar gewoon aangenaam. Rondgewandeld, op het terras van een van de restaurantjes lekker vis gegeten, op een ander terrasje nog een kopje koffie gedronken, ondertussen ergens een camera laten liggen – het gewone toeristenbestaan dus. Bij terugkomst in de agritourismo nog een kleine wandeling langs de wijnstokken gemaakt over wat een weg heette maar niet meer dan een pad langs de berghelling was, en ons verwonderd over hoe mensen die woonden in de aan dat pad gelegen huizen hun (grotere) inkopen thuis kregen, tot we zagen dat er onderlangs ook nog een weg liep die uitkwam bij dezelfde verzameling huizen rond een 12e-eeuwse kerk als waar ons pad eindigde. Maar vooral met tevredenheid geconstateerd dat het lopen weer heel aardig gaat, zij het nog wat langzamer dan we gewend waren, en ook over niet al te grote afstand.

En tussendoor ook nog wat gedacht over wat onze gastheer vertelde. Dat hij zijn bedrijf formeel had opgeheven, bij de notaris, en dat zijn zoon een dag later een bedrijf had opgericht om de zaak voort te zetten. En dat ze nu een probleem hadden: enkele duizenden flessen wijn die niet van het oude naar het nieuwe bedrijf konden worden overgeboekt, omdat hij niet meer kon handelen namens het oude, dat immers niet meer bestond. Maar dat de commissaris van de Guardia di Finanza een oplossing wist: zijn mannen en hij zouden wel helpen met het opdrinken. Of dit nu inderdaad kwam doordat, zoals onze gastheer vertelde, Italië zoveel en zulke ingewikkelde wetten heeft dat niemand er meer wijs uit kan, of doordat zijn notaris hem slecht geadviseerd heeft – zo’n verhaal maakt weer duidelijk hoe belangrijk een goed functionerend rechtssystem is.

Net zoals zijn andere verhaal tot nadenken stemde. Dat het probleem van Italië niet de corruptie is, maar de ingewikkelde bestuursstructuur. Niet alleen omdat binnen het Italiaans grondgebied nog twee autonome staten liggen (de republiek San Marino en Vaticaanstad) en maar vooral dat de (nog maar zo’n 150 jaar oude) staat nogal onbestuurbaar en kostbaar is doordat er niet alleen op nationaal, maar ook op regionaal en provinciaal niveau parlementen zijn met veel bevoegdheden. Dat levert natuurlijk een interessante relativering op van enerzijds het sprookje van de natiestaat als ideaal model en anderzijds de Europese Unie als inefficiënt. Maar dat terzijde, want waarom zou je over zulke dingen lang blijven denken als je kunt genieten van het echte dolce far niente.