Marian en Max zijn even weg

Laatste dag

Het is onze laatste volledige dag in Engeland – morgenavond hopen we op de veerboot terug te zitten. Het is ook de tot nu toe guurste dag: fris, veel wind, zwaarbewolkt. Een groot verschil met gisteren, toen we -tegen de verwachting in, want er was regen en zelfs onweer voorspeld- een heel warm en zonnig bezoek brachten aan een van de leukste Engelse tradities: een land- en tuinbouwshow. Meer precies: de 104th Aldborough and Boroughbridge Agricultural Show bij Newby Hall & Gardens, in de buurt van Ripon. Niet dat we zo enorm geïnteresseerd zijn in (oude) tractoren en andere landbouwwerktuigen, de mooiste koeien of de hengsten die het best achteruit kunnen lopen, maar de feestelijke sfeer is aanstekelijk. En dan – die tractoren, koeien en paarden zijn ook best interessant om te zien, net als de grootste uien, mooiste doperwten en beste stengels koolzaad, of de fraaiste prestaties op het gebied van brood en cake bakken, “schilderen” met macaroni of papier-maché, bloemschikken in “unusual containers” of met één bloem en drijfhout. En ook de demonstratie “Duck herding and sheepdog handling” en de oldtimer auto’s mochten er zijn. Maar het absolute hoogtepunt voor ons was ook dit keer weer de race waarbij honden achter een aan een lijn voortgetrokken lokaas moeten rennen. Eerst een paar races met steeds drie of vier terriërs, die op het eind ook nog eens door een gat in een muur van hooibalen moesten, later nog een met allerlei hondenrassen door elkaar. Het mooiste is dat volstrekt onvoorspelbaar is wat er zal gebeuren, maar wel altijd om te lachen: sommige honden begrijpen pas na een tijdje wat de voorkant van het starthok is, andere komen pas in actie nadat hun concurrenten al meters verder zijn, weer andere worden helemaal niet geacht om mee te doen maar ontrukken zich aan de greep van hun baasjes en een enkele is zo snel dat hij het lokaas daadwerkelijk weet te grijpen of springt er nog even met succes naar als het al twee meter boven de grond gehouden wordt. En een windhond die langzaam op gang komt, vervolgens vaart maakt en al finisht als de rest van het veld nog maar halverwege is, is beslist een fraai gezicht.

We bezochten deze show vanuit Harrogate, een redelijk welvarend stadje in Yorkshire. Een badplaats ook, al ligt het ver van zee: er zijn hier diverse mineraal houdende (warme) bronnen die al eeuwenlang bezoekers trekken omdat ze geneeskrachtig (zouden) zijn. Verder heeft het een aardig centrum, een paar grote parken en 130 restaurants. Plus een monument ter herdenking van het feit dat in 2014 hier de Tour de France begon. We verblijven in een appartement in een redelijk groot herenhuis een stukje buiten het centrum, gevonden via Airbnb. Woonkamer, slaapkamer, keukentje en badkamer – tot voor en jaar geleden bewoond door Paul, die bij zijn vriendin Sarah is ingetrokken en een complete inrichting (waaronder een goed, breed bed) heeft achtergelaten. De bezienswaardigheden hebben we grotendeels al gezien, het restaurant van gisteren beviel goed en dat wat we vanavond probeerden viel tegen - maar we houden nu eenmaal van avontuur.

Voordat we naar Harrogate gingen, waren we nog een weekje in Skipton. Een nog kleiner stadje in Yorkshire (maar 30 km van Harrogate) en met nog minder bezienswaardigheden: een kasteel, een kerk en een kanaal. Maar wel veel winkels en op vier dagen in de week een markt – dat alles toch vooral gericht op de toeristen, van wie velen door het stadje komen (of er via de rondweg omheen rijden) op weg naar de Yorkshire Dales, een populaire vakantiebestemming met veel wandelmogelijkheden van diverse zwaartes. Wij hebben daar geen gebruik van gemaakt, maar ons beperkt tot een aangenaam rondje door het bos achter het kasteel. De overige tijd hebben we vooral doorgebracht met een goed boek op het terras van ons huisje (op de dagen dat het te warm was om te wandelen) of in de woonkamer (op de dagen dat het regenachtig was). Een prettig huisje, trouwens, met een zodanig goed ingerichte keuken dat we niet eens een restaurant hebben bezocht.

Bezoekers kregen we overigens wel. Een paar avonden kwam er aan het begin van de schemering een familie fazanten langs (of eigenlijk waren het twee families die elkaar afwisselden, meenden we te zien): mannetje, vrouwtje en kuiken. Niet bepaald schuw, dus misschien waren ze gewend gevoerd te worden.

Zagen we nog wat cultuur? Ja. Na het museum in Kingston-Upon-Hull waarover we al schreven, in Llandudno een concert door een koor dat zowel klassiek als lichter genre zong en in Harrogate een tentoonstelling van schilderijen, foto’s en beeldhouwwerk van lokale kunstenaars. Van “best aardig” tot uitgesproken goed. Maar dat was het wel zo’n beetje.

Weinig opwindend, dus. En daarom nu nog even terug naar de vraag: hoe gaat het nu eigenlijk met dit land? Tja, voor zover wij daarover iets kunnen zeggen op basis van de waarnemingen die we nu gedaan hebben en die in elk geval in zoverre vertekend zijn dat we geen grote steden bezocht hebben: het hangt er erg vanaf waar je kijkt, en hoe. Zo’n evenement als we gisteren bezochten laat een redelijk welvarend platteland zien, waar de tijd niet zozeer stilstaat alswel eens per jaar stilgezet wordt en de wereld heel klein is (als buitenlanders vielen we er niet op, en de ene mevrouw die vroeg waar we vandaag kwamen was vol complimenten over de Nederlanders die altijd zo vriendelijk en vrolijk waren – we hebben haar maar in die waan gelaten). En eigenlijk geldt dat ook voor stadjes als Harrogate en Skipton, waar je aan een deel van de huizen en winkels kunt zien dat er (veel) geld is. Maar je ziet er ook de armoede: deels aan het winkelaanbod, deels aan de mensen op straat. Veel ouderen hebben het duidelijk niet breed en tussen de winkels met dure merken vind je ook de Poundstretchers en de liefdadigheidswinkels. Wales is duidelijk minder welvarend, en Kingston-Upon-Hull -de grootste stad waar we waren- heeft duidelijk zijn minder welvarende delen. Maar over het geheel genomen doet het VK zich nog altijd aan ons voor zoals we het eerder zagen: een land dat op veel plaatsen in verval is maar niet op de plaatsen die altijd al een redelijke welvaart uit de landbouw verwierven, en met ook overigens grote verschillen tussen rijk en arm.

En de Brexit? We hebben er niet veel mensen over gehoord. De Britten die we kenden en spraken, waren er treurig over. Een enkeling die we niet kenden maar die er toch iets over zei, leek blij dat het VK zich ontworsteld had aan de overheersing van de Fransen. En voor het overige gaat het leven gewoon door, en lijkt het vooral een zaak waarover alleen een beperkt aantal mensen zich (ernstige) zorgen maakt. Maar voor zover dat in het publieke debat komt, gebeurt dat voornamelijk in de marge van de media.

Genoeg, voor nu. Morgen inpakken en dan een ritje van nog geen 150 km. Onderweg nog een of twee stadjes bezoeken, maar die komen dus niet meer in dit blog.

Valkenburg (alweer)

Wie ons reisblog al wat langer volgt, zal zich wellicht afvragen waarom er dit keer zo veel tijd tussen de blogs zit. Hebben we geen internet? Geen zin? Niets te vertellen?

Het eerste was het in elk geval niet - althans niet sinds we ons eerste huisje in Wales verlaten hebben, want daar was internet traag en de Wifi zwak. En dat we niets te vertellen hebben, valt ook wel mee. Al moet gezegd worden dat we zeker geen grootste avonturen beleven. En daarmee komen we op de zin. Waarmee het eigenlijk wel goed zit. Dat wil zeggen, we zijn momenteel heel tevreden met een nogal laag tempo, waarbij we veel op één plek zijn en een groot deel van onze tijd besteden aan de inwendige mens: geestelijk (lezen) en lichamelijk (eten). Waarbij overigens die geestelijke inwendige mens interessanter voeding krijgt dan de lichamelijke, maar dat is logisch. We zijn in Engeland en Wales, per slot van rekening.

Toch zijn er wel wat dingen die de moeite van het vertellen waard zijn. Om te beginnen: de tocht van Devil’s Bridge (waar we de eerste week zaten) naar Llandudno (verblijfplaats tweede week) was in kilometers niet zo lang, maar kostte toch meer uren dan we verwacht hadden. De wegen in Wales zijn niet breed en wel redelijk bochtig, dus je zit zomaar een half uur achter iemand die nooit last heeft van files omdat hij altijd vooroprijdt. Gelukkig werd dat ongemak gecompenseerd door de uitzichten en waren we hem inmiddels voorbij tijdens het mooiste deel van de tocht: het traject door Snowdonia National Park. Het is een van de ruigere berggebieden van dit eiland, overigens zonder dat het heel hoog is (Snowdon, de hoogste berg, is nog geen 1.100 meter). Het is er leeg, maar hier en daar ligt er een stadje. Waaronder Blaenau Ffestiniog, dat midden in het natuurpark ligt maar er zelf, met een ruim gebied eromheen, geen deel van uitmaakt zodat de leisteenwinning ongestoord kan doorgaan. Mooi is het dus niet, maar we vonden het wel leuk om het nu eens te zien terwijl de zon en beetje scheen. De vorige keer dat we hier waren, ruim 30 jaar geleden, regende het voortdurend. Althans, zo herinneren we het ons – maar dat komt misschien omdat we kampeerden.

Nu reden we er slechts doorheen, op weg naar de plaats waar we de tweede week van onze vakantie zouden doorbrengen: Llandudno, aan de noordkust (we stopten voor de lunch nog even in Betws-Y-Coed, maar daar valt echt weinig over te melden – behalve dan dat het er druk was). We kwamen daar vroeg op zaterdagmiddag aan, op wat achteraf bleek ongeveer het drukste moment van de week te zijn. Een file op de toegangsweg en erg veel mensen op de trottoirs van de voornaamste winkelstraat, op de terrasjes en op het strand (met ezeltjes). Inderdaad: we hadden Valkenburg weer gevonden, zij het ditmaal aan zee.

Ons verblijf was een appartement in een ruim 100 jaar oud huis in een rustige villawijk tegen de heuvel. Slaapkamer, badkamer, woonkamer met keukenhoek (onbruikbaar, omdat de afzuigkap niet was aangesloten). Eigendom van een dame die vertelde dat ze bezig was het huis op te knappen en dat ons appartement recent gerenoveerd was. Dat was zeker te zien, maar helaas ook dat het budget kennelijk beperkt was geweest, waardoor veel nu al een wat shabby indruk maakte. Bij het huis een grote tuin, waar we na een verkennend tochtje door de stad fijn konden zitten met een e-book (wat is dat trouwens een geweldige uitvinding voor de vakantieganger) en een glas cider.

Hoewel -of misschien moeten we het zo langzamerhand toegeven: omdat- Llandudno vooral gebouwd is voor het toerisme, is het wel een aangename stad. Een lange boulevard langs het strand van een schiereiland, een pier, een paar brede en wat smallere straten in een ruitpatroon daarachter en vervolgens weer een strand (veel minder druk), grote hotels / herenhuizen uit de tweede helft van de 19e en de eerste decennia van de 20e eeuw, veel restaurants. Met zo’n 20.000 inwoners niet groot, maar ’s zomers lopen er waarschijnlijk meer toeristen rond dan inwoners. Op de kop van het schiereiland een grote (maar niet erg hoge) heuvel, the Great Orme, waarvan de top (met daarop een gebouwencomplex dat in WO II een radarobservatiepost huisvestte) goed te voet te bereiken is, maar ook met een kabelbaan en een kabeltram. Wij namen de laatste. Mooie uitzichten, bij mooi weer tot aan Liverpool en het eiland Man, al kun je van mening verschillen of een veld windmolens in zee echt zo fraai is. Maar ach, zei de eigenaar van een visrestaurant die we daarnaar vroegen: de helft van de tijd zie je ze toch niet, vanwege de mist. Zelf was hij trouwens vooral heel blij met het windmolenpark, want er school daar veel vis en die was dus een stuk makkelijker te vangen. Wat hij op tafel zette was nogal goed, dus wie waren wij om hem tegen te spreken.
Overigens bezochten we nog een goed restaurant, Osborne’s Café & Grill. Dat deden we op aanraden van twee “locals” met wie we een borreltje dronken (vogelaars die we een paar jaar geleden ontmoetten tijdens onze vakantie in Nieuw Zeeland van wie we ontdekten dat ze in Llandudno woonden nadat we besloten hadden daar naartoe te gaan).

We hadden geen behoefte om er veel op uit te trekken, al liet het weer dat de meeste dagen wel toe. Wel wat gewandeld in de directe omgeving, en op twee mooie plaatsen wat verder weg. Op een prachtige zonnige dag maakten we vanaf het schiereiland dat ons tijdelijk verblijf was, een uitstapje naar een ander schiereiland. Dat wil zeggen: Ynys Llanddwyn is in elk geval bij laag tij verbonden met het eiland Anglesey (dat weer met bruggen verbonden is met het vasteland van Wales – voor zover je in dat geval van vasteland kunt spreken, natuurlijk) dus in die zin is het wel een schiereiland. En het had zelf ook weer een schiereilandje waar we naartoe gewandeld zijn, dus …. Nou ja, belangrijkste: het leverde een prettige wandeling van een uur of twee op met veel mooie uitzichten, vooral op de bergen van Snowdonia.
Op een wat bewolktere dag bezochten we Bodnant Garden, een formele tuin, een romantische tuin en een park bij het landgoed Bodnant. Ook mooi, smaakvol aangelegd en fraai beplant, zelfs met forse seguoia’s, maar helaas niet meer zo in voorjaarsbloei. De beroemde tunnel van goudenregen is dan vast indrukwekkend.  Al waren er nog genoeg pollen in de lucht om een sluimerende hooikoorts heel virulent te maken.

Waar we natuurlijk nog wel wat aan gedaan hebben, is ons afvragen hoe het nu eigenlijk gesteld is met het Verenigd Koninkrijk en zijn inwoners. Het blijft ingewikkeld. Ook in Llandudno is de eerste indruk die je krijgt er een van vervallen glorie, nette armoede en zo nu en dan opzichtig vertoon van rijkdom. Maar misschien komt dat omdat de schoolvakanties nog niet begonnen zijn en (daardoor) het straatbeeld bepaald wordt door ouderen. En als je die ziet, krijg je niet de indruk dat de pensioenen hier hoog zijn. Wat je ook ziet, zijn de tekenen van een ongezond leven. Vooral erg veel mensen met (ernstig) overgewicht.
Tegelijkertijd toch ook, vooral tijdens de weekends, heel wat mensen die het duidelijk beter gaat. Net wat beter gekleed en ook wat te besteden aan attracties, eten en drank. In de winkels opvallend veel mensen van boven de 40 achter de kassa en als vakkenvuller – zou er hier niet een lager minimumloon voor jongeren bestaan? Of zijn er hier gewoon minder jongeren?
We zijn er nog niet uit

Y Gwyll

Wie de serie Hinterland (in het Welsh: Y Gwyll, en dat betekent dan weer “de schemering”) heeft gezien, moet haast wel de indruk hebben gekregen dat het in Wales heel vaak en veel regent. Dat sluit ook aan bij onze eigen herinnering van inmiddels zo’n 35 jaar oud, toen we er midden in de zomer kampeerden: koud, nat, winderig. We hoefden er dan ook niet lang over na te denken toen we, mede door de prachtige landschappen die we in die serie ook te zien kregen, geïnspireerd werden weer er eens een vakantie door te brengen: dat gingen we niet in onze tent doen, maar in een huisje.

We zaten een week middenin dat decor van Hinterland, en het heeft inderdaad elke dag geregend. Vooral ’s nachts, waarna het overdag snel droog werd en vaak ook helemaal opklaarde. We hebben dan ook bijna elke dag wel kunnen wandelen en een aantal keren ook kunnen eten op ons terras – deels in de stralende zon, bij temperaturen van tegen de 20 graden.

Onze cottage stond in de buurt van de locatie die een belangrijke rol speelt in de eerste aflevering van het eerste seizoen en het hele derde seizoen van Hinterland: Devil’s Bridge (of Pontarfynach), een dorpje op de plek waar de rivier Mynach uitmondt in de bredere Rheidol. Belangrijkste attractie: de drie boven elkaar gebouwde bruggen over de Mynach en een ca. 100 meter hoge waterval in die rivier. Plus een smalspoortreintje, ruim honderd jaar geleden gebouwd om toeristen uit de badplaats Aberystwyth hierheen te brengen (maar misschien ook wel vanwege de mijnbouw die in deze omgeving floreerde). In Devil’s Bridge is naast wat op toeristen gerichte activiteit (een hotel met -redelijk goed- restaurant, een camping, een souvenirwinkel) niet veel te vinden – zelfs geen pub. Lekker rustig wel, al betekende het dat we voor inkopen tenminste een halfuur moesten rijden: naar Aberystwyth (redelijk wat winkels) of naar Rhayader / Llansantffraed-Cwmdeuddwr (een kruidenier, een slager en nog een beetje meer). Geen probleem – de wegen zijn rustig en breed zat (naar Aberystwyth) of smal maar mooi gelegen (naar Rhayader). En halverwege op de weg naar Aberystwyth ligt de Halfway Inn, een pub waar wij gegeten hebben aan hetzelfde tafeltje waar de hoofdpersoon uit Y Gwyll een ansichtkaart in handen krijgt die de sleutel blijkt te zijn in een van de mysteries die hij moet oplossen.

Bijzonder mooi vonden we de uitstapjes die we maakten naar een aantal grote waterreservoirs in de bergen, ontstaan door de aanleg van stuwdammen. Die in de Elan Valley zijn zo’n 120 jaar oud en werden aangelegd ten behoeve van de watervoorziening van Birmingham, 117 km verderop. De meren liggen fraai in het ruwe landschap, dat op een minder zonnige dag dan dat wij er waren overigens bijzonder desolaat moet zijn. De dammen zelf zijn interessante en redelijk fraaie bakstenen bouwsels.
Dat geldt iets minder voor de dam van het Nant-y-Moch stuwmeer, die zo’n 50 jaar geleden werd gebouwd om elektriciteit op te wekken. Maar het meer ligt wel weer erg mooi, in een misschien nog wel wilder berggebied (waarbij je je overigens geen hoge en scherpe toppen moet voorstellen, maar meer een glooiend terrein). Op allerlei punten weidse vergezichten, waarbij het voor je appreciatie ervan uitmaakt of je windmolens horizonvervuiling vindt of bewonderenswaardige staaltjes technologie.

Wat we natuurlijk niet konden overslaan, was een wandeling bij Devil’s Bridge, en in het bijzonder langs de waterval. De man die ons de kaartjes verkocht, keek ons eens goed aan en suggereerde dat we wel in aanmerking kwamen voor het senior-tarief. Dat bleek vanaf 60 jaar te gelden, dus: ja. Nadat we betaald hadden, wees hij ons erop dat we de volledige wandeling wel zwaar zouden kunnen vinden – 700 deels forse treden op dan wel af. Maar ach, “u kunt ook alleen het eerste stukje doen”. Het bleek een goede aansporing, want zelfs bij de bijzonder steile “Jacob’s Ladder” waar we een stuk met ruim 100 treden af moesten, zetten we door. Waarna de klim aan de andere kant van het water eigenlijk wel weer meeviel. Hoe dan ook: het was de moeite waard. De waterval is niet breed, maar wel imposant en de omgeving is lekker ruig.

Aberystwyth, ten slotte, is een stadje zoals we er meer gezien hebben: eens een echte toeristentrekker, nu vooral in verval. Een pier en hotels aan de boulevard die betere dagen hebben gekend, verwaarloosde gebouwen, een schraal winkelaanbod (maar wel voldoende als je geen te hoge eisen stelt). Waarmee ook hier de vraag zich opdrong: hoe gaat het eigenlijk met dit land? Maar daarover later meer.

Hull is never dull

Een winkelcentrum dat dertig jaar geleden heel modern was, om negen uur op een donderdagochtend. We stopten er kort na onze aankomst in Hull even omdat er een parkeergarage was en we er een kopje koffie wilden drinken om de tijd stuk te slaan voor we bij onze eerste bestemming terecht konden. Deprimerend. Weinig klanten – maar dat was rond lunchtijd al wat anders. Veel lege winkelruimten. Daartussen outlets van merken die bij ons vorige bezoek aan Engeland -meer dan vijf jaar geleden- nog redelijk mooie dingen hadden maar nu vooral allerlei onaantrekkelijks. Winkels met prullaria voor één of twee pond, aangeprezen als ideaal om cadeau te doen. Andere met juist weer misplaatst dure schoenen. En dan toch nog een enkele zaak die ons wel aansprak en waar we in de uitverkoop een paar aardige zomerschoenen vonden.

Maar goed, daar kwamen we niet voor. Wel om een kijkje te nemen in de naast dit winkelcentrum gelegen Ferens Art Galery. Niet omdat we daar eerder van gehoord hadden, maar gewoon omdat het kon. Het bleek een opmerkelijk mooi museum te zijn. Een oud, klassiek gebouw, net gerenoveerd. Een brede collectie -van Italiaanse Renaissance via Nederlands-Vlaamse Gouden Eeuw naar Brits hedendaags. Plus, te leen uit de National Galery, een heel fraaie Rembrandt en een tentoonstelling met als thema “Skin”. Een paar van de rauwe schilderijen van Lucian Freud tegenover de vervreemdend realistische werken van beeldhouwer Ron Mueck, met daar omheen weer de bijzondere foto’s van Spencer Tunick die hele mensenmenigten naakt liet poseren in en rond Hull.

Maakte dit museum de slogan “Hull is never Dull” dus waar, in de rest van de stad was op deze druilerige donderdagochtend weinig te merken van het feit dat Hull momenteel de culturele hoofdstad van Engeland is. Rond de binnenstad een ring van grauwe huizen en bedrijfspanden die in alles jaren van economische achteruitgang lieten zien, en daarbuiten een ring van (half) vrijstaande  huizen aan groene lanen waarbij je ook niet het gevoel had dat je hier echte welvaart zag.

Dat was dan weer wel het geval in het nabijgelegen Beverley, een klein marktstadje met een grote kathedraal en daarnaast een park met monumenten voor de vele gevallenen in de twee grote oorlogen van de vorige eeuw (en de oorlogen waar Engeland daarna bij betrokken was). Huizen en winkels in het centrum goed onderhouden, daarbuiten nauwelijks zichtbaar in de grote tuinen. In de kathedraal deden we waar we vroeger een beetje om meesmuilden als we het in de reisgidsjes (die groene van de ANWB) als aanbeveling zagen staan: we bewonderden het houtsnijwerk van de middeleeuwse kerkbanken en de beschilderde plafonds. En we zagen het in witte steen uitgesneden konijn dat Lewis Caroll (en via hem Jefferson Airplane) inspireerde.

Nog een kopje thee en toen echt op weg: eerst verder naar het noorden en vervolgens door de North Yorkshire Dales en Moors naar het westen. Bestemming: het nabij Carlisle gelegen gehucht Beaumont waar we twee nachten logeerden bij vrienden die daar wonen in een cottage, ongeveer op de plek waar Hadrian’s Wall zijn westelijke uiteinde had. Het zou dus zomaar kunnen dat in hun huis stenen uit die muur verwerkt zijn, maar aan die mogelijkheid hebben we minder aandacht besteed dan aan hun en ons wel en wee sinds de vorige keer dat we elkaar zagen. Waarbij, naast de zegeningen van het gepensioneerd zijn (en de laatste loodjes daaraan voorafgaand) en de Brexit, vooral “The wedding” (van hun dochter, die we al sinds haar geboorte kennen) een onuitputtelijke bron van verhalen bleek.

Een bezoek aan Judy en Ian is niet compleet zonder een (stevige) wandeling, en die was dan ook gepland voor de vrijdag. Nou ja -stevig- ze hadden uit ons relaas over vervangen heupen iets teveel de indruk gekregen dat onze conditie niet optimaal is. Daarom werd het een wandeling van minder dan 10 kilometer en geheel over vrijwel vlak terrein: een rondje Buttermere (in het Lake District). Gecombineerd met een bezoekje aan Cockermouth, een redelijk welvarend stadje met een opmerkelijk gevarieerd winkelaanbod (nauwelijks van landelijke ketens). In een antiekzaak vond Ian daar voor ons een Ordnance Survey kaart van het gebied rond Snowdonia, in de buurt van onze volgende bestemming. Uit 1953 weliswaar, maar wat verandert er nu in die tijd?

Dat, en meer, in onze volgende blogs.

Middellandsezeecruise

Hele dagen aan het strand zitten of, nog luier, aan de rand van het zwembad van je hotel – dat is niets voor ons. Denken wij. Dachten wij. Want ons hotel in Deia zijn we alleen maar uit geweest voor het diner en om wat te halen voor de lunch. De rest van de tijd hebben we doorgebracht in de tuin en op ons balkon. En ook, een paar minuten, in het zwembad, maar dat was zo koud dat we het verder maar gelaten hebben voor wat het was.

Gelezen hebben we, veel gelezen. Sudokus gemaakt. Geluierd. Goed gegeten, eigenlijk elke avond. Waarvan twee keer zelfs heel goed, bij Sebastian (waar we trouwens ook een hele lekkere Mallorcaanse wijn dronken, een mooie droge Viognier) en bij Sa Vinya. Jammer wel dat het ’s avonds al vroeg wat koud was om op het terras te zitten, maar alles bij elkaar heerlijk om op deze manier ruim 2 dagen door te brengen.

En dus valt er verder over Deia wat ons betreft niets meer te melden. Door, dus, naar onze laatste bestemming op Mallorca: Estellencs. Was Deia nog een stadje, met wel twee mini-mercados, Estellencs bleek een echt dorp, met één winkel waar van de meest basale dingen een paar stuks te koop waren: “Un poco de tot”. Met achter de toonbank een meneer die we de keren dat we er kwamen (elke dag een stokbroodje) geen woord hebben horen zeggen. Verder in het dorp: een doorgaande weg, een paar zijwegen, een oud centrum met een stuk of 15 heel smalle straatjes, drie of vier restaurants en een bar waar de dorpsjeugd en -ouderen elke dag luidruchtig bij elkaar klitten.

In Estellencs hadden we zonder twijfel de mooiste kamer van deze reis: ruim, een echt comfortabel bed en een zeer aangenaam eigen dakterras. Met voldoende schaduw, gelukkig, want het weer was nu daadwerkelijk warm en zonnig. Dat weerhield ons er niet van om een paar redelijke wandelingen te maken: rond de acht kilometer, een paar honderd meter stijgen en dalen, tussen de twee en drie uur uit en thuis. Geen echte prestaties dus, maar de conditie wordt langzaamaan beter.

En ja, toen was het zover. Na nog een dagje luieren begaven we ons naar San Telm, om ons in te schepen voor onze cruise. Ook zoiets waarvan we altijd gedacht hadden dat het niets voor ons was – maar ja, je moet alles een keer geprobeerd hebben, nietwaar?

Op de kade schrokken we wel even. Tussen de wachtenden ook een schoolklas van de internationale school: een stuk of 25 luidruchtige jeugdigen, met een juf erbij die probeerde ze te overschreeuwen. Nou ja, gelukkig waren we de haven nog maar net uit of de eerste gezichten werden, ondanks de rustige zee, wat bleek. De herrie verstomde allengs, en we genoten van de rust, het water en de zon.

De eerste “leg” van onze trip was maar kort, dus eigenlijkwaren we nog maar nauwelijks gewend aan het leven aan boord of we moesten al weer aan wal, op Sa Dragonera – het Drakeneiland. Hier stond een wandeling gepland naar een vuurtoren op de top van de hoogste berg, en onderweg zouden we ongetwijfeld de nodige draken tegenkomen. En jawel. We waren nog geen 100 meter op weg of voor ons bleef iemand plotseling stokstijf staan, wijzend naar een muurtje langs de weg. En toen zagen wij het ook: twee paar ogen die ons schattend aankeken. Viel hier wat te eten of niet?

Ach ja, de draken waren doodgewone hagedissen, de berg een meter of 200 hoog en het vlaggeschip van Cruceros Margarita een bootje dat een stuk of 35 mensen kon vervoeren, als ze dicht op elkaar gepakt zaten, en dat in 20 minuten de afstand naar het eiland aflegde. Maar: de wandeling was mooi, en het was ons nog niet eerder overkomen dat we tijdens het nuttigen van een boterhammetje op een bankje naast het pad een stuk of 50 hagedissen letterlijk van ons af moesten schudden.

En daarmee zijn onze 14 dagen op Mallorca weer (zo goed als) voorbij. Morgenochtend nog even rustig aan, dan een uurtje rijden naar La Palma en aan het eind van de middag de terugvlucht. Benieuwd of het in Nederland al lente is.

Afgelegen

Vaak als we weer eens op een afgelegen plek zijn, vragen we ons af hoe het is om daar geboren te zijn en op te groeien. Naar school te gaan (waar, eigenlijk, en hoe lang?), de wereld te leren kennen (hoe groot is die eigenlijk?) en iemand te vinden om mee door het leven te gaan (hoeveel keuze heb je dan?).

Ons tweede verblijf op Mallorca bood ons een uitgelezen kans om dat te ontdekken. De agroturismo Bàlitx d’Avall ligt ver van de bewoonde wereld in de punt van een vallei. Je komt er te voet (een uur lopen vanaf een bushalte aan de weg tussen twee stadjes) of met een four-wheel drive (twintig minuten rijden, afhankelijk van wie rijdt). Een ritje om de bagage op te halen uit onze langs de weg geparkeerde auto, met de dochter des huizes als chauffeur, leerde dat je het heerlijk kunt vinden om op je achtste vanuit een klein stadje naar zo’n plek te verhuizen en vervolgens elke dag tweemaal de tocht naar de bushalte te moeten maken om naar school te gaan. En dat het ook nog mogelijk is om een vriendje op te doen. Maar hoe ze haar toekomst zag, dat hebben we niet gevraagd.

Wat dit verblijf ons ook leerde, of eigenlijk weer bevestigde, is dat het in dit soort oude, als een soort burcht opgetrokken, boerderijen in de bergen altijd koud en vochtig is. Ook al is het buiten, in de zon en uit de wind, best warm. En ook al brandt er ergens in huis een haardvuur. Er moet dus veel gedaan worden om het verblijf comfortabel te maken – en dat was hier niet echt het geval. De bedden waren niet zo best, het overige meubilair schamel en versleten, deuren en ramen kierden en het sanitair – nou ja, daar was niets mis mee.

Waar ook niets mis mee was, en wat uiteindelijk het gebrek aan comfort wat ons betreft voldoende compenseerde om de volle drie dagen te blijven, was de vriendelijkheid van de mensen. In het bijzonder de uit Tsjechië afkomstige seizoenshulp, die ons afwisselend in Spaans, Duits en Engels vertelde dat zij zich ook zo verkeken had op de temperaturen hier: de eerste weken had ze kleren van haar werkgever moeten lenen om althans een beetje warm te blijven. Zij zorgde er ook voor dat we de laatste dag en nacht een kamer hadden die wel voldoende warm te krijgen was met de elektrische radiator.

De dagen in zo’n afgelegen oord zijn simpel. Een beetje uitslapen, en dan een eenvoudig doch voedzaam ontbijt. Vervolgens wat in de zon zitten, voor zover aanwezig, en dan een uurtje of wat wandelen in de -overigens heel mooie- omgeving. Tijdens de wandeling het verstrekte lunchpakketje eer aandoen en na terugkeer nog wat uurtjes op het terras. In de middag scheen de zon gelukkig wel steeds. Zodra de zon achter de bergen verdween de warme kleren weer aan, en dan om acht uur aan tafel voor het avondeten. Stevige boerenkost: dikke soep, een stoofschotel van lam of konijn, wat aardappels en een beetje groenten, een goed vullend dessert – en een glaasje Mallorcaanse likeur die erg aan Pernod deed denken. Dan nog wat lezen bij het haardvuur, en naar bed.

Bijzonder aan zo’n afgelegen plek is natuurlijk ook dat je wat afgesneden bent van de rest van de wereld. Waarschijnlijk was er wel ergens een tv in huis, maar in elk geval niet voor de gasten. Internet was er niet en mobiel bereik was beperkt tot een paar plekken in en rond het huis – als je geluk had. Misschien niet iets wat je voor langere tijd wilt, maar voor een paar dagen is het toch wel lekker.

Hoe dat ook zij – we vonden het niet erg om na drie dagen met onze bagage weer naar onze auto vervoerd te worden en daarbij ook te ervaren dat een ritje in een terreinwagen over zo’n ruw pad niet echt een pretje is voor je botten, je nieren en de vullingen in je kiezen.

Warm en zonnig

Warm en zonnig, zo hadden we ons Mallorca voorgesteld. En vanuit die gedachte hadden we onze koffers gepakt: korte broeken en dunne truitjes, overhemden met korte mouwen. En ja, wat stevigers om in te wandelen – we gingen immers de bergen in. En op het laatste moment toch ook maar onze donsjasjes en regenjacks.

Die late ingeving bleek een gelukkige greep. Toen we aankwamen in Palma was het warm, maar naarmate de zon zakte werd de wind steeds killer. En in ons appartement was het ronduit koud. Grappig, trouwens – we hadden een rustig plekje voor één nacht gezocht en dat was goed gelukt: we bleken in een soort bejaardenflat terecht te zijn gekomen. Een beetje buiten maar wel op loopafstand van het centrum. Voor ons dan, want voor onze rollatorgebonden medebewoners was het mooie deel van de stad waarschijnlijk net wat te ver weg.

Een middag en een ochtend hebben we er rondgelopen. Een enkel toeristisch hoogtepunt gezien, van een afstandje, en een bezoekje gebracht aan het museum voor contemporaine kunst. Zoals wel vaker bij dergelijke musea een mooi, interessant stukje architectuur met een inhoud die maar zeer ten dele kon bekoren.

In de middag onze huurauto opgehaald, en op weg gegaan naar de agroturismo waar we de eerste vier nachten zouden verblijven. Een boerderij, een kilometer of vijf buiten Pollença in het Noordoosten van het eiland. Ver van alle drukte – behalve hordes fietsers die met grote snelheid in groepjes over de smalle weggetjes scheurden, of juist eenzaam slingerend en met een slakkegangetje de hellinkjes probeerden te bedwingen. Een groot terrein met een mooie cactustuin (de trots van de oude dame die ons ontving en de volgende dagen met veel goede zorgen omringde, en die heel blij was dat wij -nou ja, een van ons- zo’n aardig woordje Spaans spraken) en een zwembad. Onze kamer een appartementje met twee heel lage deuropeningen (wat niet alleen ’s nachts voor heftige hoofdpijn zorgde) en twee bedden met wat afgeleefde matrassen, die overigens tijdens ons verblijf werden vervangen door beduidend betere. Als ontbijt telkens weer een andere versbereide lekkernij, en daarna nog een ruime keuze uit ander smakelijks.

Maaltijden werden er helaas niet bereid, dus daarvoor moeste we naar een van de vele restaurants in het stadje, vijf kilometer verderop. Daarvan bleken er een paar trouwens best goed en aangenaam, dus een straf was het niet echt. Alleen het terugrijden ….

De eerste hele dag dat we er zaten was het nog aangenaam weer, dus hebben we een leuke wandeling gemaakt door een dal richting zee. Niet te inspannend, wel heel mooi. Aansluitend nog een ritje naar de vuurtoren op de uiterste (oostelijke) punt van het eiland. Dat was iets wat meer mensen deden, dus het was hele stukken filerijden op de smalle, bochtige kustweg. Waarbij de vele fietsers niet eens altijd de traagsten waren.

De volgende dag koud en stevige regen. Tijd voor weer een museum. Gewijd aan de plaatselijke grootheid Dionís Bennàsar, van wie we nog nooit gehoord hadden maar die best mooie schilderijen maakte. Alleen hingen die niet in het museum, maar in een kerk elders in de stad, als onderdeel van een tentoonstelling vanwege zijn vijftigste sterfjaar. Snel uitgekeken, dus, en veel tijd om te lezen.

De dag daarop was het wel weer zonnig, maar nog koud. Prima weer om wat andere plaatsjes in de buurt te bekijken: Alcudia, met de romeinse ruïnes van de stad Pollensia, en Sa Pobla, waar we heel snel weer weg waren omdat er echt niets te beleven viel (of misschien wel, maar dan dingen die we niet wilden).

En dat waren dan onze eerste vijf dagen op Mallorca. Nog tien te gaan.

Donkere wolken

De eerste hele dag van wat onze 72 uur strandvakantie in Varadero moest worden, begon met zware bewolking en heftige regen. Daarmee leek het weer zich aan te passen aan het nieuws dat de dag daarvoor bekend was geworden: het overlijden van Fidel Castro. We hoorden het bij ons laatste ontbijt in Trinidad. De eigenaars van de Casa keken bedrukt, en het was stiller dan normaal in de stad. Geen muziek, in elk geval. Op de televisie het soort beelden dat je ook bij ons ziet in een dergelijk geval: fragmenten uit het leven van de overledene (inderdaad, de toespraken) en presentatoren die vanuit de studio met de verslaggever op straat gesprekken voeren die klonken als "Hoe is de sfeer daar?", "Nou, de mensen kijken erg bedrukt en iedereen heeft het erover", "Juist. En, Jose, is er al iets bekend over de begrafenis?", "Nou, ik weet evenveel als jullie, maar de mensen op straat verwachten dat hij een staatsbegrafenis krijgt en dat er veel gasten van over de hele wereld zullen komen om El Commandante de laatste eer te bewijzen.", "En maken mensen zich zorgen over de toekomst zonder Fidel Castro?" "Het is eigenlijk nog wat vroeg om te zeggen, mensen zijn nu nog vooral geschokt, maar ik denk wel dat velen zich zorgen maken over de toekomst.".

Nou ja, dat laatste werd misschien niet gezegd, maar de vraag dringt zich natuurlijk wel op: "Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan?". En daaraan gekoppeld natuurlijk de vraag: hoe is het nu om in dit land te leven, zijn mensen gelukkig of willen ze verandering?

Het is belachelijk om te denken dat je dergelijke vragen ook maar een klein beetje kunt beantwoorden na tien dagen als toerist door een paar plaatsen te hebben getrokken, en zonder je tevoren al te zeer in het land en zijn geschiedenis verdiept te hebben. Tegelijkertijd hebben we wel wat dingen waargenomen en geprobeerd te duiden, dingen die de komende tijd mede ons referentiekader zullen zijn om de gebeurtenissen te begrijpen.

Allereerst: we krijgen sterk de indruk dat het toerisme de enige echte bron van inkomsten voor de Cubaanse economie is. De landbouw lijkt momenteel maar net aan in staat om in de eigen behoeften te voorzien (als het al genoeg is) en sowieso nauwelijks iets te produceren wat een substantiele export kan opleveren. De enige periode waarin het eiland daar wel toe in staat was, was in de tijd van de slavernij en de voortzetting daarvan in de vorm van roofkapitalisme in het begin van de twintigste eeuw. Maar die verhoudingen zien we niet snel terugkeren, en dan nog: rietsuiker is geen product van betekenis meer. En rum, hoe smakelijk ook in coctails, zal het niet worden. 

Een maakindustrie is er niet, en kan er ook nauwelijks zijn omdat het land geen eigen grondstoffen heeft. Consequentie: vrijwel alles -zeker alles wat rijdt of op electriciteit werkt- moet geimporteerd worden. Dat gebeurt -je ziet zeker (jonge) Cubanen met redelijk moderne telefoons, er rijden gloednieuwe elektrische scooters (wat gebeurt er als de batterijen op zijn?), mensen lopen niet in lompen- maar dat hier veel auto's rondrijden uit de jaren '50 en '60 (Amerikaanse merken) en de jaren '70 en '80 (Oost-Europese) komt niet alleen door het gunstige klimaat. 

Blijft dus over de dienstverlening, en daarbinnen is toerisme waarschijnlijk het enige waarin Cuba een concurrerend product te bieden heeft: prachtige Caraibische stranden, gecombineerd met veiligheid. Alleen: als Cuba meer dan nu wil gaan verdienen aan toerisme (wat zou kunnen als de Amerikaanse toenaderingspolitiek ondanks Trump wordt doorgezet) moet er enorm geinvesteerd worden. Dat geld zal dan van buiten het land moeten komen, en dat betekent dat uiteindelijk ook het grootste deel van de winst weer het land uit zal vloeien terwijl de kosten van de basisinfrastructuur (vliegvelden, wegen, waterleiding, riolering etc) er blijven. Tenzij er heel veel idealistische investeerders te vinden zijn die hun geld willen steken in kleine, verantwoorde projecten en met weinig opbrengsten genoegen nemen, zal het land dus ook van (massa)toerisme niet rijk worden. En dan, massatoerisme heeft zijn schaduwkant: het eet zichzelf op. Valkenburg en Zandvoort zijn overal, ook op andere plaatsen waar het zonnig is en de stranden mooi zijn, dus waarom zou je speciaal naar Cuba gaan? Niet meer voor de rust (die is er nu al niet meer) en ook niet voor de veiligheid (toeristen brengen hun eigen criminaliteit mee, en grootschalig toerisme creeert nieuwe). Economisch zijn de vooruitzichten dus niet gunstig, en je hoeft geen Marxist te zijn om te begrijpen dat dat een belangrijker kracht is dan de politieke visie en de overtuigingskracht van een enkele man. 

Belangrijke economische kracht naast de bron(nen) van welvaartstoename is natuurlijk de verdeling van die welvaart. Kijken we naar wat min of meer direct zichtbaar is, dan hebben we de indruk dat er weliswaar aanzienlijke verschillen zijn tussen verschillende lagen van de bevolking, maar dat armoede hier van een heel andere orde is dan in andere delen van de caraiben / zuid-amerika. Met als kanttekening dat we die laatste alleen uit verhalen en beelden kennen, en dat we maar een klein deel van Cuba gezien hebben. Maar het lijkt erop dat iedereen hier een dak boven het hoofd heeft, en we begrijpen dat er ook wat eerste levensbehoeften betreft een basisvoorziening voor iedereen is. Een van onze gidsen liet ons een winkel zien zoals ze er volgens hem overal zijn, waar de Cubanen tegen inlevering van bonnen maandelijks tegen heel lage prijzen zaken als rijst, meel, olie, eieren, tandpasta en zeep kunnen kopen. Het rantsoen was volgens hem eigenlijk niet genoeg, dus er was een levendige zwarte markt waar vrijwel iedereen wat bijkocht. Je kunt dan zeggen: dit is typisch de armoede die veroorzaakt wordt door een communistisch systeem. Je kunt ook zeggen: het is een (niet eens typisch) communistische manier om te zorgen dat de armoede eerlijk verdeeld wordt en niemand echt door de bodem van het bestaan zakt.

Naast deze "distributiewinkels" zijn er de "normale", soms zelfs supermarktjes/ kleine warenhuizen, waar zowel de toeristen als de plaatselijk bevolking kunnen kopen. De prijzen zijn er duidelijk hoger dan in de distributiewinkels (voor toeristen trouwens ook nog eens beduidend hoger dan voor Cubanen), en het aanbod is ook hier beperkt. Maar er is een deel van de bevolking dat ook hier terecht kan - zeker als ze CUCs te pakken kunnen krijgen. Echte rijkdom hebben we niet gezien, maar er zal best een politieke klasse zijn, en een categorie vaklieden, die een reatief bevoorrechte positie inneemt. Zonder dat dan opzichtig te laten zien, denken we.

Het belangrijkste (zichtbare) klasseverschil is misschien wel dat tussen degenen die een inkomen in CUCs kunnen verwerven (denk: iedereen die iets aan toeristen kan verkopen of diensten aan toeristen kan verlenen) en degenen die dat niet kunnen (denk aan mensen in overheidsdienst, inclusief mensen in het onderwijs en de gezondheidszorg, en werkers in de -weinige- industrie en de landbouw). Wij hebben begrepen dat zij niet echt veel verdienen. 

We hebben, na thuiskomst, nog een beetje lopen zoeken of we meer konden vinden. Drie bronnen leken ons interessant (zie ondeaan voor de links). De  eerste vermeldt dat het gemiddelde maandinkomen in Cuba in 2015 op ca. 680 CUP lag, dus ca. 28 CUC. Dat komt neer op minder dan 1 Euro (of dollar) per dag, en dat is -internationaal vergeleken- extreem weinig. Maar zoals  hier  vermeld wordt, is zo'n internationale vergelijking eigenlijk onzin, omdat basisbehoeften -eten, gezondheidszorg, wonen- zwaar gesubsidieerd zijn, en somige luxegoederen -of eigenlijk: alles wat geimporteerd moet worden- extreem duur. Wat misschien nog het meest zegt, is dat de gemiddelde levensverwachting op 78 jaar ligt, aldus de  Wereldbank.  Dat is vrij hoog, in elk geval vergeleken met de rest van Zuid-Amerika en de Caraiben). Al met al lijken deze cijfers niet strijdig met onze waarnemingen. 

Vraag lijkt ons dus vooral: weet het land een manier te vinden om de inkomsten uit toerisme op een redelijke manier aan iedereen ten goede te laten komen? Redelijk, in de zin dat degenen die niet direct bijdragen (en verdienen) aan het toerisme in welvaart niet te ver achterbijven bij degenen die dat wel doen, en redelijk in de zin dat degenen die direct bijdragen / verdienen niet het gevoel hebben dat ze er zelf niet (voldoende) beter van worden. En dat is extra ingewikkeld omdat de inkomsten uit toerisme niet centraal maar verspreid binnenkomen, deels direct bij individuen: kamerverhuurders, taxichauffeurs, restauranteigenaars, muzikanten - en deels ook nog eens oncontroleerbaar, in de vorm van fooien.

Hier zit de grootste sociale uitdaging voor Cuba, en hier zal het wegvallen van Castro (en zijn generatie) de grootste invloed hebben. Al lijkt het ons dat er nog een tweede, uiteindelijk wellicht veel invloedrijker, factor is: de stroom van informatie over hoe het in de rest van de wereld is. Een stroom die (hier) langs twee kanalen loopt: het toerisme (alweer) en internet (er was de laatste decennia nog een derde, maar de invloed daarvan lijkt toch gering: de contacten van Cubanen met familie die na de revolutie naar de VS is gegaan - degenen die het overlijden van Castro vierden). 

Wat betreft Fidel Castro en zijn mede-revolutionairen moet gezegd worden dat ze -naast de voor ons vrijwel onzichtbare maar ongetwijfeld aanwezige onderdrukking (het enige wat je ziet is de enorme neiging om alles te registreren en te controleren, o.a. met controlepunten op de wegen waar auto's zo nu en dan zonder kennelijke aanleiding worden aangehouden)- een verhaal hebben, of in elk geval hadden, dat mensen kennelijk aanspreekt en dat ze dat verhaal ook kunnen staven met feiten. Voor de revolutie was er uitbuiting en onderdrukking door een kapitalistische bovenlaag en buitenlandse investeerders, er was een dictatuur, armoede, analfabetisme etc. Dat was een perfecte basis voor een verhaal over onrecht, over een interne vijand, over de hoop op een betere toekomst die gerealiseerd kon worden door te strijden en solidair te zijn. Dat sprak aan, anders was de revolutie niet geslaagd. Na de machtsovername werd het bezit van de voormalige uitbuiters genationaliseerd en (symbolisch) aan het volk gegeven, de welvaart nam toe en de verschillen werden kleiner, er werd gealfabetiseerd bij het leven en de VS creeerden met hun blokkade van Cubaanse goederen en de steun aan het gewapende verzet een ideale externe vijand. Dat leverde een verhaal op van heldendom en succes, en van de noodzaak waakzaam te blijven: een verhaal dat nog steeds verteld wordt -ook door een deel van de bevolking- en dat nog steeds aanspreekt. Getuige ook, al zit daar ongetwijfeld veel regie achter, het voortdurende eerbetoon aan de overledene. Al leken de schoolkinderen die op maandagochtend langs onze casa trokken met de Cubaanse vlag en portretten van Fidel Castro, zo nu en dan een leus scanderend, zich daarbij normaal puberaal ongemakkelijk te voelen. 

Dat het verhaal van het socialisme nog steeds zo leeft, komt natuurlijk ook omdat andere verhalen geen ruimte kregen. Van buiten kwamen ze niet binnen, en binnenlandse "contrarevolutionairen" zullen niet zachtzinnig behandeld zijn. Dit informatiemonopolie verdwijnt. Toeristen en internet laten zien dat er meer en andere rijkdom mogelijk is, en brengen dat onder handbereik. Toeristen stellen vragen en vertellen hun verhalen, over vrijheid en de zegeningen van marktwerking (ook zij -wij- hebben hun verhaal dat overtuigend is, als je aan de oppervlakte blijft). En het internet zit vol verhalen, sommige zelfs min of meer waar.

Als gezegd, we weten niet of mensen in Cuba gelukkig of ongelukkig zijn, of ze verandering willen of niet, of dat komt door onderdrukking of overtuiging. We blijven vooral zitten met vragen - vragen die ons ook doen terugdenken aan onze reizen door de VS, waar we op sommige plaatsen armoede zagen die ons niet minder lijkt dan in Cuba, tegenover rijkdom die we in Cuba niet zagen. Maar we denken in het bijzonder aan de keer dat we een museum bezochten dat was gewijd aan Norman Rockwell. Daar hingen de vier schilderijen die hij maakte bij een verhaal dat wat ons betreft aansprekender en completer is dan het verhaal van Castro, namelijk Roosevelt's toespraak over de vier vrijheden. Daarin gaat het niet alleen om bevrijd zijn van armoede, maar ook om bevrijd zijn van angst (voor onderdrukking) en om vrijheid van meningsuiting en van godsdienst. Het lijkt ons wel zeker dat Cuba wat die tweede en derde betreft, tekort schiet. Maar in de kritiek daarop is het makkelijk om te vergeten dat het "vrije Westen"  de vier vrijheden evenmin volledig recht doet. Het (neo-)liberalisme heeft een vrijheidsmodel gecreeerd waarin bevrijding van armoede niet meer een gemeenschapsideaal is, maar een persoonlijke verantwoordelijkheid. Maar dan wel een verantwoordelijkheid die slechts een enkeling kan dragen, zolang de vrijheid van machtigen en kapitaal niet (stevig) aan banden wordt gelegd.

Waarmee we uiteindelijk op de vraag komen: is het mogelijk? Een samenleving waarin alle mensen echt vrij zijn, zowel in het domein van de ideeen als in het materiele? Het is te hopen voor Cuba. En voor de rest van de wereld, want veel bewijs dat het kan is er niet.

Na de regen en de wolken waarmee we dit verhaal begonnen, kwam de zon weer. Vandaag, onze laatste dag, zijn de lucht en de zee stralend blauw, zijn de stranden wit en de palmen groen. Over een week, na de begrafenis, komt vast ook de muziek weer. Maar de figuurlijke donkere wolken zullen door mensen verjaagd moeten worden.

NB: Deze blog is grotendeels geschreven op 29 november 2016, maar pas geplaatst op 2 december.

Bronnen
De gegevens over het gemiddelde maandinkomen vonden we hier: http://www.tradingeconomics.com/cuba/wages

Die over de (on)mogelijkheid om te vergelijken hier:  http://cubanismo.net/cms/nl/artikels/cuba-na-fidel-castro-deel-7-hoeveel-verdient-een-cubaan-nu-eigenlijk

En de Wereldbankgegevens staan hier: http://data.worldbank.org/?locations=ZJ-CU

En ten slotte nog een interessant verhaal dat we na thuiskomst lazen: https://www.opendemocracy.net/democraciaabierta/teofilo-f-ruiz/from-castro-s-cuba-to-trumplandia