Marian en Max zijn even weg

Misschien: Vilnius, Klaipeda en Rundale

Misschien was donderdag 15 augustus, de dag waarop de hele stad Maria Hemelvaart vierde, niet de ideale dag om door het voormalige kleine getto van Vilnius te wandelen. Maar waarschijnlijker is dat we er op elke willekeurige dag een onwezenlijk gevoel bij gehad zouden hebben. De oude Joodse wijk, waar nog geen 80 jaar geleden door de Duitsers, maar met enthousiaste hulp van de plaatselijke bevolking, duizenden mensen bijeen werden gedreven om te worden vermoord en waar nu nauwelijks iets aan die geschiedenis herinnert. Een klein standbeeld, een plaquette aan een muur, een bord waarop staat dat er plannen zijn om iets van de door de Duitsers en de Sovjets volledig uitgevlakte geschiedenis te herstellen. Maar op de plaats waar de grote synagoge stond een kleuterschool en in de gebouwen die wel zijn blijven staan zitten nu ambassades, luxe winkels en toeristische restaurants.

Als gezegd: de stad vierde feest. De meeste winkels en musea waren dicht, in de markthallen waren de meeste kramen leeg maar in de straten van het oude centrum was het druk – niet alleen met toeristen maar ook met inwoners van de stad in hun zondagse kleren, velen met een klein bosje veldbloemen of kruiden dat overal op straat te koop was. En daartussendoor nog de bruiloftsstoeten: het leek wel of in elke kerk -en het zijn er veel in deze stad- een huwelijk werd gesloten.

Wij hebben, behalve het kleine getto (het grote, waar nog wel een synagoge staat en er een museum is dat is gewijd aan de Joodse geschiedenis van de stad, hebben we overgeslagen), de markt bezocht (er was in elk geval voldoende te koop voor de lunch) en de grote kathedraal aan de andere kant van de oude binnenstad.  Verder hebben we gewoon wat rondgelopen en gekeken naar de gebouwen en de mensen. Dat hebben we ook de volgende dag gedaan, al lag toen de nadruk wat meer op de Bernardinetuin, een fors park aan de oever van de -smalle- Vilnia-rivier. Even geen kunst en cultuur dus.

We verbleven in een voormalig kleinschalig appartementenhotel dat leek te dateren uit de jaren zestig (maar ja, sovjet-gebied, dus het kan ook uit de jaren ’80 geweest zijn), nog net binnen het historische centrum. Ons appartement was ruim (drie kamers, keuken, badkamer) en recent netjes gerenoveerd. En dat er zo nu en dan iemand net een beetje te hard reed over de kinderkopjes in het straatje waarop we uitkeken, en er ’s nachts wat uitgaans-terugkeerders liepen te brallen – ach, dat viel ook wel weer mee.


Misschien was zondag 18 augustus, de laatste dag van wat voor veel Litouwers een lang weekend was, niet de ideale dag voor een uitstapje naar de Koerse schoorwal, de 90 km lange en maximaal 3 km smalle landtong van de Russische enclave Kaliningrad waarvan de noordelijkste 52 km Litouws grondgebied zijn. Maar het was mooi weer, en een van de attracties was het strand aan de kant van de Baltische zee en de mogelijkheid in die zee te zwemmen. En het begon goed: de wachttijd voor veerpont vanuit Klaipeda was maar 20 minuten want ze voeren niet volgens de dienstregeling van drie overtochten per uur (de overtocht zelf kost vier minuten, maar vanwege de grote schepen die hier de haven aandoen is een pont die even lang is als de breedte van het water geen optie). En op de weg naar het zuiden, door het langgerekte natuurreservaat dat de wal tegenwoordig is, was het redelijk rustig – de drukte leek de andere kant op te zijn, waarschijnlijk bezoekers van het jazzfestival dat de avond tevoren was afgelopen. Dachten we.

Het strand, inclusief een paar slagen in redelijk helder en niet te koud water, hadden we na een uurtje wel weer gezien. De aalscholverkolonie met z’n dode dennen, waarschijnlijk niet bestand geweest tegen de overdaad aan mest, hield onze aandacht beduidend minder lang vast en het plaatsje Nida vonden we te toeristisch om lang te blijven. Dat gold trouwens eigenlijk ook voor het wandelpad naar de wandelende zandduinen, maar ja - soms moet je even doorbijten om wat moois te zien. En mooi waren de twee arenden ook, die ver weg boven het water en de bossen aan de oever van de Haf rondjes draaiden, onopgemerkt door de selfie-belusten. Overigens wel een echte brandend zand-ervaring, het laatste deel van dit zonnige pad – en dan ook nog verloren land, want zo’n 300 jaar geleden was hier een dorpje dat vier maal gedurende telkens 30 tot 50 jaar op één plek kon blijven voordat het ook daar door de verstuivende duinen onleefbaar werd.

Om een uur of vijf leek het ons dan ook dat we wel eens terug konden gaan, maar omdat er nog steeds redelijk wat verkeer naar het noorden reed, besloten we om eerst maar wat te eten. Niet slecht en in elk geval vers, de gebakken tarbot en de gestoofde makreel, zij het ook niet heel bijzonder. Maar we hadden een fijn plekje op een klein terrasje net terzijde van het drukke deel, dus wij zaten ruim een uur goed. Totdat we het niet langer konden uitstellen en we op weg gingen naar de veerpont. De file bleek 2,5 km lang (de laatste kilometer twee- en een deel zelfs driebaans) en om het kwartier schoven we een meter of 300 op. Kort voor negen uur reden we de andere oever weer op, met niet alleen een gelukkig nog goed gevulde maag maar ook een inmiddels redelijk gevulde blaas. Nou ja, ons appartement was nog maar vijf minuutjes rijden en hier waren er geen files.

Dat appartement in Klaipeda is trouwens wel bijzonder. De hele tweede verdieping van een ca.110 jaar oud villa-achtig gebouw in een wijk in het noorden van de stad die de oorlog en de daaropvolgende bezetting redelijk ongeschonden doorstaan lijkt te hebben, maar de aanleg van een paar grote wegen wat minder. Ruim, dus: drie kamers van toch al gauw zes bij acht meter plus een forse keuken en badkamer – en een hal waar die van ons wel zes keer in zou passen. Nog niet zo heel lang geleden redelijk netjes gerenoveerd en ingericht alsof er een oude dame haar laatste jaren had doorgebracht, maar hier en daar ook een detail dat deed vermoeden dat er kleine kinderen hadden gewoond. Niet slecht, al waren die grote wegen wel erg dichtbij en de spoorlijn waarover veel goederentreinen van en naar de haven reden ook. Er waren momenten dat we haast ons bed uitschudden.

Klaipeda zelf is niet zo verschrikkelijk interessant, in de zin dat er weinig van de oude historie -die trouwens bescheiden is, want het was nooit een belangrijke handelsstad- valt terug te zien. Of misschien maakt dat het juist wel interessant: tijdens, maar vooral na, de Tweede wereldoorlog is het grootste deel van de historische gebouwen -waaronder alle kerken- met de grond gelijk gemaakt en is er buiten het oude centrum een heel nieuwe stad in sovjet-stijl opgetrokken. En natuurlijk is ook dat historie, alleen moet je de geschiedenis van dit deel van Oost-Pruisen dus zien door te kijken naar wat er niet meer is. En zo vormt Klaipeda wel weer een aanvulling op het verhaal dat we in Riga hoorden, over de vlucht van de etnische Duitsers voor de Russen.


Misschien was de regenachtige woensdag 21 augustus niet de ideale dag om het “paleis” in Rundale te bezichtigen want nu moesten we de Franse tuin en het park overslaan, maar het was onze laatste dag van onze vakantie en Rundale ligt qua reisafstanden op een prima plek tussen Klaipeda en het vliegveld van Riga in. Daarom daar overnacht en in de ochtend het paleis bezocht, nadat we overigens de buitenkant al in de avond hadden bewonderd, want ons hotel lag er zeer dichtbij. Het was zo’n gebouw zoals we er meer hebben gezien, voor het laatst eigenlijk in de vorm van het kleinere Kardriorgpaleis in Riga. In een niet te overdadige barokstijl gebouwd, met grote ruimten voor ontvangsten en feesten, en aparte woon- en werkvleugels voor de hertog en de hertogin. Interessantst waren eigenlijk wel de bibliotheek, met daarin een exemplaar van de encyclopedie (geen eerste druk) en de grote betegelde kachels waarvan we ons afvroegen hoe die eigenlijk gestookt werden. Aan de achterkant, per drie vanuit speciale kamertjes, bleek toen we ook nog een kleine tentoonstelling bekeken over de bouw en renovatie van het slot. Daar zagen we ook dat het in de loop van de eeuwen onder andere als onderdak voor bezettende militairen (begin 19e eeuw) en als dorpsschool (eerste helft van de 20e eeuw) had gefunctioneerd.

De reis van Klaipeda naar Rundale verliep grotendeels over autowegen die ons deden denken aan de Franse Routes Nationales zoals je die in de jaren ’70 nog wel eens trof: redelijk rustig en mooi in het land. De rit van Rundale naar het vliegveld van Riga was enerverender, want ons navigatiesysteem leidde ons over binnenweggetjes die nauwelijks verhard en in elk geval niet geasfalteerd waren. Heel rustig dus en zozeer in het land gelegen dat we onderweg zes herten telden (die een beetje verbaasd keken, want de volgende bus zou toch ’s middags pas langskomen?).

Reacties

Reacties

Heleen Verhage

Dank maar wee voor dit verhaal. Toen wij in Klaipeda waren eind mei, was het duidelijk rustiger. Geen wachttijd voor het pontje naar de Koerse schoorwal. Wij staken over met de auto met daarin onze fietsen, en maakten een heerlijke fietstocht naar Nida. Warm was het wel, te warm om het hoogste duin aan het eind van het fietspad en vlak voor de grens met Rusland te beklimmen.

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!