Marian en Max zijn even weg

Van de rivier naar de zee

Het huis annex camping waarin we in Koman verbleven, ligt aan een meer. Niet een fraai meer met glooiende oevers, maar een diep uitgegraven put aan de voet van een stuwdam. En op die stuwdam en bijbehorende elektriciteitscentrale keken we uit, gelukkig wel van een afstand van minstens een kilometer. Niet aantrekkelijk, en toch was die stuwdam de reden -of misschien meer de oorzaak van de reden- dat we hier waren. Aan de andere kant van de dam was immers -natuurlijk- een stuwmeer. Ook niet met glooiende oevers, maar wel fraai: waar vroeger een rivier door een langgerekt, over hert algemeen smal dal stroomde, was nu een meer ontstaan waarvan de oevers grotendeels steil omhoog gingen, maar hier en daar ook ruimte boden voor een akkertje, een (vakantie)huisje en zelfs op een plek een klein dorpje. Allemaal alleen bereikbaar over het water.

En dat was waarom we op die dinsdagochtend al zo vroeg aan het ontbijt zaten: we moesten vóór kwart voor negen inchecken om mee te kunnen met de veerboot die ons in ongeveer drie uur ruim 32 kilometer door dat dal zou voeren. Dat inchecken / aan boord gaan was nog wel een kleine belevenis. Eerst een paar kilometer een steile weg naar het niveau van de bovenrand van de dam, en dan door een lange, onverlichte tunnel. Waarna we uitkwamen op een redelijk krappe kade, waar het -alweer- krioelde van de mensen die met een van de twee veerboten meewilden, of met een van de andere bootjes waarmee cruises over het stuwmeer verzorgd werden. Deels daar gekomen met eigen auto, deels met busjes. Het was er dus nogal vol met mensen en auto’s, en in al die volte probeerden de busjes te keren om weer terug te rijden, en de auto’s om achteruit de veerpont op te rijden. Dat laatste deden wij dus ook – waarbij het prettig was dat onze Peugeot 3008 erg leek op de Peugeot 308 waarin we tot vorig jaar reden (zij hert je door de hogere stoelen een heel andere blik hebt), maar we wel de 360° camera misten die onze nieuwe auto heeft.
De boottocht was ook weer interessant. We waren, op een enkeling na, duidelijk de oudsten. Niet zo gek, want deze oversteek is vooral in trek bij mensen die vanaf de andere kant de bergen in gaan, om in twee dagen terug te lopen naar wat dan de andere kant is. Verder was de betrekkelijk kleine boot (drie rijen van vijf auto’s) nogal goed gevuld, en waren er maar weinig enigszins comfortabele zitplaatsen in het overdekte gedeelte. Daar hadden we er dan weer wel elk een van weten te veroveren, mar het uitzicht daarvandaan werd natuurlijk wat beperkt door de mensen die buiten op de bankjes op het dek zaten, in de brandende zon. Faciliteiten waren er niet, behalve een enkel toilet en een koelkast met frisdrank, waar je zelf iets uit kon halen en afrekenen bij de stuurman. Die trouwens het grootste deel van de tocht meer belangstelling had voor het scherm van zijn telefoon dan voor het stuurrad, maar aangezien de route vooral bestond uit redelijk lange stukjes “recht zo die gaat” was dat misschien ook wel begrijpelijk. Verder deed de tocht ons wel denken aan de cruise die we jaren geleden in de buurt van Bergen maakten door een fjord, met als belangrijk verschil dat het toen koud was, en een groot deel van de reis goot.

Na de ontscheping (bij Fierzë) een snelle lunch, en toen nog een ruim uur rijden naar ons volgende onderkomen: een hotel annex camping bij het plaatsje Helshan. Enige reden dat we daarvoor kozen, was dat het er was; de volgende accommodatie langs deze weg lag ruim een uur rijden verder (wat neerkomt op een kilometer of 40 – het wegdek zat vol gaten, waarvan sommige natuurlijk ontstaan waren en andere gefreesd met het oog op toekomstig herstel). We kwamen terecht op een groot, glooiend terrein ver buiten het plaatsje, waar aan het einde van een oprijlaan een opvallend, wit gebouw stond: strak ontwerp, trappen aan de buitenkant, veel glas. Daaromheen de camping (terrasjes met daarop wat bomen voor de schaduw) en ernaast een meer traditionele woning, mooi tussen het groen. Uit die richting kwam direct de eigenaar aangehold, een man van in de vijftig, die ons uitnodigde tussen de bomen aan een tafeltje te gaan zitten en eerst wat te drinken. Dat we slechts water wilden viel hem wat tegen, maar hij greep zijn telefoon en begon bevelen te geven waarvan wij slechts “urgente, urgente” verstonden, waarna er al snel een jonge vrouw met een grote fles ijskoud water verscheen, en twee glazen. “De vrouw van mijn zoon,” vertelde hij, “ze is een maand geleden moeder geworden.” Niet per se de informatie die we op dat moment nodig hadden, maar we hebben hen uiteraard hartelijk gefeliciteerd.
De schoondochter bracht later ook, via twee lange en dus niet zo steile trappen onze bagage naar de bovenste verdieping van het witte gebouw, waar de enige drie kamers waren die het hotel rijk bleek (een beetje karig ingericht, zonder airco en zonder mogelijkheid de ramen wat te verduisteren) – op de verdiepingen eronder moest een grote koffiebar komen, en daaronder nog wat ruimten waarvan de bestemming ons niet duidelijk werd. De eigenaar bleek het geheel zelf ontworpen te hebben (“Ik ben architect, nou ja, ik heb veel met architecten gewerkt”) en vertelde over hoe hij vijf jaar geleden na een carrière in Tirana was teruggekeerd naar zijn geboortegrond, zijn broers en zus had uitgekocht en begonnen was dit geheel op te bouwen (een beetje vergelijkbaar met de eigenaren van ons vorige onderkomen, al waren die veel jonger en nog maar een jaar bezig). We zouden hem nog veel zien en spreken, die middag, avond en volgende ochtend – terwijl we niet eens de enige gasten waren, want een tijdje na ons verscheen er een colonne van vier 4x4’s waaruit evenzovele Poolse gezinnen kwamen, en twee fietsers (Oostenrijkers, bleek, die in twee maanden vanuit Wenen hierheen gefietst waren). Zijn beheersing van het Engels was trouwens opmerkelijk goed, en dat terwijl hij het zich naar eigen zeggen in twee jaar had eigen gemaakt door met de gasten te spreken.
Ook hier konden we ter plekke het diner en het ontbijt gebruiken, bereid door de -beduidend jongere- vrouw van de eigenaar (“Zij is een stadsmeisje en moest alles hier nog leren – de koeien en geiten melken, kaas en boter maken ...”) en opgediend door zijn (schoon)dochters, die hier met hun echtgenoten en kinderen een korte vakantie doorbrachten.

Na een roerend afscheid, waaraan we van onze kant bijdroegen door via Google translate onze telefoon in het Albanees te laten danken voor de gastvrijheid, vertrokken we de volgende achtend voor de langste etappe van onze reis: een rit van drie uur richting de kust. Eerst over vrijwel lege wegen (waaronder ook weer een stuk moderne snelweg door de bergen), maar uiteindelijk over de drukke snelweg tussen Tirana en de grote badplaats en havenstad Durrës. Daar bogen we gelukkig alweer snel vanaf, richting een gebied ten noorden van Durrës, waar we twee nachten verbleven in een mooie, prettig ingerichte villa op een klein ‘resort”, een kilometer van het strand. Voor ons een geheel nieuwe ervaring, zo’n resort – maar het was er een in ontwikkeling, en er was behalve een stuk of twintig identieke huizen met ruime tuinen er omheen, helemaal niets. Van die huizen waren er op dat moment ook maar enkele bewoond, waaronder dat naast ons. Door, zo bleek, de (Engelse) eigenaar van onze villa – hij had er zelf gewoond (vandaar de aangename inrichting) en was nu begonnen hemte verhuren.
Over het verblijf hier valt verder niet veel te vertellen. Er was een restaurantje op loopafstand, een winkeltje wat verderop en het was veel te warm om naar het strand te gaan. En toen we dat de tweede avond toch probeerden, bleek het vol te staan met rijen parasols en ligbeden, te huur via restaurants en barretjes die voor veel herrie zorgden. Maar toch: twee nachten goed geslapen en een heel rustige dag in de tuin en -vooral- de goed gekoelde woonkamer.


Een kleine stad in Albanië

Vol goede moed gingen we op weg. Een half uurtje rijden naar Podgorica, de huurauto inleveren, een taxi naar het busstation, een ritje van twee uur met Flixbus – wat zou er in vredesnaam mis kunnen gaan? Van alles, natuurlijk. Maar eigenlijk viel het mee. Geen al te druk verkeer naar en in Podgorica, een vriendelijke dame die na het afgeven van de autosleutels graag een taxi voor ons belde, een weinig spraakzame chauffeur die ons op het juiste adres afzette – dat ging voorspoedig. Dat het busstation weinig faciliteiten bood en er ook nauwelijks gecommuniceerd werd over waar onze bus zou komen en hoelang het zou duren toen hij er niet op de aangekondigde tijd was – ach, op dat moment was het wat minder aangenaam, maar uiteindelijk vielen die veertig minuten best mee. En dat de bus al bijna vol zat en we alleen op de achterbank een plaatsje konden vinden: het droeg bij aan het schoolreisjesgevoel, net als het feit dat het gros van onze medereizigers nog maar net de schoolgaande leeftijd ontgroeid was. En eigenlijk viel ook het oponthoud bij de grens met Albanië erg mee: van bus wisselen (waardoor we een betere plaats wisten te veroveren), lopend de grens over en twee keer met 80 man stuk voor stuk ons paspoort tonen en een stempel krijgen – terugkijkend was het eigenlijk best goed te doen, ondanks de hoge temperatuur. En we kwamen maar een uur later dan gepland aan in Shkodër, onze volgende halteplaats.

Een interessante stad. Bij het binnenrijden viel ons allereerst de grote hoeveelheid fietsers op, en de aanwezigheid van fietspaden (waar die er niet waren gebruikten fietsers gewoon de hele rechterbaan, die door automobilisten dan weer vooral gezien werd als extra parkeerstrook voor als ze “even” iets in een winkel of restaurant moesten halen). De bushalte waar we met de andere passagiers voor deze stad eruit moesten, lag -dat hadden we al uitgezocht- op een paar honderd meter van ons appartement. Net aan de andere kant van een grote rotonde die -op zaterdagmiddag om vier uur- best rustig was. Het gebouw bleek een redelijk nieuwe flat, net een stukje achter een andere die direct aan de rotonde lag en die dus vrijwel alle verkeersgeluid opving. Beneden een kleine supermarkt, andere winkels en restaurantjes in de omgeving. Een prima ligging dus, en eigenlijk verder ook heel goed. Ruim, goede bedden, airco – wij waren tevreden.
Het eten, wat later op de avond, bij een van die restaurantjes, aan een tafeltje op het trottoir, beviel zo goed dat we er de volgende gewoon weer naartoe zijn gegaan. Niet alleen uit gemakzucht, maar ook omdat we inmiddels hadden gezien dat het door veel (buitenlandse) bezoekers werd aanbevolen, en dat de andere restaurants in de buurt niet veel meer te bieden hadden. Nou ja, probeer “Vaders rijst”(geserveerd met goulash, witte bonen in tomatensaus en een goed kruide hamburger) of “Moeders gehaktballen” (in een pikante saus) maar eens te overtreffen.
De buurt waarin we zaten bleek trouwens het centrum van de stad te zijn: een paar moderne woonflats, hotels en bankgebouwen, afgewisseld met de oorspronkelijke bebouwing (een of twee verdiepingen, vaak met een tuintje eromheen dat dan weer hoog ommuurd was). Ook twee wat bredere boulevards die uitkwamen op de rotonde bij ons appartement, en de enige voetgangersstraat van de stad, met daaraan vooral restaurants en toeristische winkels. Plus: een Franciscaanse kerk en klooster, een grote moskee en een standbeeld van moeder Teresa (oorspronkelijk afkomstig uit Albanië), gebroederlijk naast elkaar. Zoals ook nonnen in habijt en hoofddoek gezusterlijk opliepen met dames in vergelijkbare maar toch onmiskenbaar islamitische dracht. Het was eigenlijk een beetje moeilijk om de buurt te “lezen”, dus toen we tijdens een avondwandelingetje in een straat terecht kwamen die ons steeds verder van een van de hoofdstraten voerde en waar op een gegeven ogenblik niemand anders meer was, voelden we ons toch wat minder op ons gemak – tot we ineens weer op een van de boulevards stonden en zagen hoe vrouwen van alle leeftijden daar alleen over straat gingen, en groepjes jongeren vrijwel ontbraken.

Omdat we aan een ruime dag in Shkodër wel genoeg dachten te hebben -en dat bleek ook te kloppen- hadden we afgesproken dat onze huurauto op maandagochtend bezorgd zou worden. Een luxe waar we normaal gesproken niet voor kiezen, maar bij het platform Rent from locals zat dat in de prijs voor een boeking van Shkodër naar Tirana inbegrepen. Een interessant concept, trouwens: je kiest op deze site de exacte auto die je wilt -en dus niet “in de categorie C, D” of wat dan ook- en dat blijkt de auto van een particulier te zijn (die hem in dit geval zelf kwam brengen en met de bus terugreisde). Omdat het begrip huisnummer in grote delen van Albanië onbekend is, hadden we ons wat zorgen gemaakt of dat wel goed zou gaan, maar het pleintje voor het theatertje naast onze flat bleek voldoende beschrijving. Jammer weer wel dat letterlijk vijf minuten nadat we de sleutel in ontvangst hadden genomen -we zaten even een kopje koffie te drinken op een terrasje- er een politiewagen arriveerde waarna voor we het in de gaten hadden alle auto’s op het pleintje een parkeerbon kregen. Duizend Lek! Een voorbijganger was zo vriendelijk ons te vertellen dat we die konden betalen op het postkantoor, maar daar kregen we een half uurtje later, na een flinke tijd in de rij, een letterlijk “computer says no”-moment: hij zat nog niet in het systeem, of we morgen terug wilden komen.

Dat hebben we niet gedaan (er bleek nog een andere optie), en we zijn gewoon vertrokken naar onze volgende bestemming: een pension / camping in een klein dorpje in de bergen, een kilometer of 50 van Shkodër. We hadden al gelezen dat de weg daar naartoe recent opnieuw geasfalteerd was, maar dat hij zo mooi en breed zou zijn als hij bleek te zijn, hadden we niet verwacht. De reis verliep dan ook voorspoedig (nou ja, we deden er wel anderhalf uur over), zodat we mooi op tijd waren voor een opmerkelijke lunch in een nog niet zo lang bestaand restaurantje: alweer klassieke streekgerechten met een moderne twist, weliswaar niet bereid door een kok uit een sterrenrestaurant, maar toch goed. De kamer waar we verbleven was ok voor een nacht, met als bonus een badkamer die zo was ingericht dat we ons elke keer dat we ons door de deur wurmden, gelukkig prijsden met ons relatief slanke postuur.
De rest van de middag hebben we buiten doorgebracht, aan een tafeltje op de camping waar later ook ons avondeten werd geserveerd. Bereid door de uitbaatster, die de volgende ochtend ook een zeer uitgebreid ontbijt verzorgde. En waarom dat al om half acht gebeurde, vertellen we in ons volgende blog.

Het gewoel der stad

De oplettende lezertjes zullen zich wellicht afvragen wat we tussen deze twee dagen in Rijeko Crnojevica deden. Welnu, we bezochten een plaats waar het toeristenseizoen wel al voluit begonnen was: Kotor, gelegen aan het eind van de langgerekte baai waar we eerder, in Herceg Novi, al aan verbleven. Een alleszins interessant bezoek, niet in de laatste plaats vanwege de manier waarop we er kwamen. De weg van Cetinje (zo’n 600 meter boven zeeniveau) naar Kotor (direct aan de zee) loopt over een zeer steile helling, en heeft dus veel haarspeldbochten. Altijd leuk om te rijden, maar wij kozen voor het alternatief: de kabelbaan die van (een eindje buiten) Kotor naar het Lovcen nationaal park gaat (op een hoogte van ruim 1300 meter). Om vanuit Cetinje bij het bovenste station te komen reden we een mooie, geleidelijk stijgende en rustige route door dat park; het vinden van een parkeerplaats kostte weinig moeite maar kan als het druk is vast wel een uitdaging zijn.


Tijdens de wandeling van de parkeerplaats naar het bergstation kregen we al een voorproefje van het uitzicht over de baai en de bergen eromheen, maar echt mooi werd dat pas tijdens de ruim tien minuten durende afdaling. Ook hier heel fijn dat het zo rustig was, en we een tienpersoonscabine voor ons alleen hadden.

Omdat het dalstation bepaald niet op loopafstand van Kotor ligt en het er een stuk warmer was dan boven, waren we blij dat we al snel een taxi konden vinden – de shuttlebus reed net weg toen we aankwamen. Toch kwamen we waarschijnlijk eerder aan, want toen onze chauffeur zag dat het verkeer in de tunnel helemaal vastzat, besloot hij de ‘geheime weg’ (“dit weten alleen taxichauffeurs”) te nemen die ons over de uitloper van de berg voerde die Kotor scheidt van de vlakte waar het dalstation ligt. Voordeel van die taxi was ook dat hij ons afzette bij de belangrijkste toegangspoort van de ommuurde binnenstad – vanaf het busstation is dat toch nog een aardig eind lopen.


De drukte voor die toegangspoort was vergelijkbaar met die voor de belangrijkste poort van Dubrovnik, maar dat bereidde ons toch onvoldoende voor op waar we in terechtkwamen toen we door de poort liepen: een betrekkelijk klein plein waar het krioelde van de mensen. Die drukte werd eigenlijk pas een beetje minder toen we ons een eind hadden laten meevoeren door de stroom mensen die zich geleidelijk vertakte in een soort delta van kronkelende nauwe straatjes. Grotendeels in één richting, inderdaad – maar er waren ook tegenliggers, waaronder de vele karretjes en steekwagens waarmee dozen voedsel, kratten drank en zakken schoon beddengoed voor de vele restaurants en hotels het stadje werden binnengebracht – en op enig moment ook een elektrisch vrachtwagentje met daarachter een trein van vuilcontainers. Pittoreske doorkijkjes en zo nu en dan een blik op een hooggelegen fort – het was aardig, maar niet echt bijzonder.

Omdat we wel trek begonnen te krijgen, lunchten we bij een restaurant met een ruim terras vlak bij een van de andere poorten van de stad. Aangenaam eten en een ober die vriendelijk was en vertelde over zijn bezoeken aan Nederland, maar vervolgens te keer ging dat er binnen in het restaurant Turken zaten te eten en dat hij als rechtgeaarde Serviër nu eenmaal een enorme hekel aan die mensen had.

Aangesterkt door de lunch stortten we ons weer in het gewoel, en liepen we langs een andere route terug. Daarbij stapten we op enig moment een (Orthodoxe) kerk binnen, waar we getrakteerd werden op een kort optreden van drie priesters die een paar liederen zongen, elk van hen met zijn eigen melodielijn. Mooi, en knap.

Tijdens de terugrit met de taxi (dit keer wel door de -lange- tunnel) en de kabelbaan (omhoog is minder spectaculair, zelfs als je achteruit reist) konden we het niet laten de (binnen)stad te vergelijken met Dubrovnik. Meest opvallende is dan misschien wel dat de oude binnenstad van Dubrovnik in tegenstelling tot die van Kotor kennelijk niet organisch gegroeid is, maar grotendeels is gebouwd volgens een strak rooster van straten (een paar lange, wat bredere die parallel aan elkaar lopen en dan een stel smalle steegjes loodrecht daarop, die door de hogere huizen veel meer schaduw bieden). Verder misten we in Kotor de grote, rijke openbare gebouwen zoals Dubrovnik heeft in de vorm van onder andere het rectoraat. En tenslotte kregen we het gevoel dat Kotor nog toeristischer was, maar misschien kwam dat ook wel omdat er net drie cruiseschepen tegelijk lagen.


Hoe dan ook, een aangename dag. Het pretpark bovenaan de kabelbaan hebben we verder maar links (en rechts) laten liggen, en toen we ontdekten dat we voor een bezoek aan het mausoleum van Petar II Petrovic Njegos (zie een van onze vorige blogs) -dat we vanaf het balkon van ons appartement konden zien liggen, boven op de berg Lovcen - nog een steile klim te voet moesten maken, hebben we daar ook maar van afgezien. De terugrit, langs een andere weg, was op zich al mooi genoeg.

De weg naar Rijeko Crnojevica

Een aantal jaren werken in sterrenrestaurants, en dan terugkeren naar je geboorteplaats om daar je eigen zaak te beginnen. Het schijnt geen ongebruikelijke droom te zijn voor koks, maar slechts weinigen maken hem waar. De man voor wiens kookkunst wij 10 kilometer over een smal en kronkelend bergweggetje reden, deed dat wel. In Rijeko Crnojevica, een dorpje van -in de kern- zo’n 500 inwoners, halverwege Cetinje en Podgorica en dan dus nog die weg af.
We waren op het bestaan van zijn restaurant geattendeerd door onze gastvrouw in Cetinje, en de website zag er veelbelovend uit: traditionele gerechten met een moderne twist. Omdat het op woensdag zou gaan regenen, leek het ons een goed idee er te gaan lunchen. Dat viel niet tegen: zowel de weersvoorspelling als de aanbeveling bleken volkomen te kloppen. Op het moment dat we er aankwamen barstte er een stevige onweersbui los, en wat er een tijdje later uit de keuken kwam beviel ons zeer. Althans, de gemarineerde forel en de courgettesalade die we als voorgerecht hadden en de op de barbecue bereide paling uit het nabijgelegen meer – het dessert was niet om over naar huis te schrijven. Wat ons op de vraag bracht: was dit nu het beste restaurant waar we gedurende deze reis aten? Eigenlijk bleek dat een onmogelijke opgave: het was een zo andere stijl dan de ook -in hun genre- prima restaurants waar we eerder aten, dat we de vraag niet konden beantwoorden. Een constatering waar de chef die even later een praatje kwam maken, prima mee kon leven: hij kookte in zijn eigen stijl, en daar kwamen voldoende klanten op af – uit de wijde omgeving, en -in het seizoen- veel toeristen.


Veel van die toeristen komen overigens niet speciaal voor dit restaurant, en ook niet omdat er nog veel is wat herinnert aan de tijd dat Rijeko Crnojevica de eerste hoofdstad van Montenegro was. De belangrijkste reden is dat het aan een van de rivieren ligt (de Rijeko Crnojevica) die het meer van Skadar voeden, een van de grootste meren van Europa, waarvan 2/3 in Montenegro ligt en 1/3 in Albanië. Of, zo zou je het ook kunnen zeggen: aan een uitloper van dat meer, want op de muur van het restaurant stond aangegeven hoe hoog het meer in 2010 had gestaan – ruim een meter boven straatniveau. Een combinatie van hevige regenval, het te laat openen van de stuwdam aan de Albanese kant van het meer en een sterke zuidenwind die het water aan de noordkant van het meer opstuwde.

Dat meer is (onder andere) een enorme toeristische trekpleister, en Rijeko Crnojevica is een van de plekken waar boottochten over het meer worden aangeboden. Ook wij kozen ervoor een dergelijke “cruise” te maken, en daarom reden we twee dagen later weer dezelfde weg - maar nu in de stralende zon. We hadden via een website geboekt en kregen als aanwijzing dat we ons een half uurtje tevoren moesten melden bij het kantoor van het bedrijfje, “tussen de Family Market en de Idea” – de twee winkels die het dorpje rijk is. Alleen, wat daar ook was – geen kantoortje. Wel iemand op straat met een bord dat je bij hem een boottocht kon boeken. Van onze Internetboeking wist hij niets – wat niet zo verwonderlijk was, want hij bleek te werken voor een van de vele conculega’s van “onze” aanbieder. Maar hij kon ons wel we vertellen dat we maar eens aan de waterkant moesten kijken: onze “kapitein” zouden we vanzelf herkennen want hij was een grote (nou ja, dikke) man. Aan de waterkant wel veel denneboomslanke dames die ons ook al een cruise wilden verkopen, maar niemand die in de verste verte paste bij de beschrijving. Die liepen we pas tegen het omvangrijke lijf toen we in arren moede maar wat lunchinkopen gingen doen in de Idea – alleen, hij was toch niet de man die we zochten. Althans, hij was niet onze kapitein, maar een vriend die meeging op onze toer (waarom vertelde hij niet, maar dat werd na een tijdje duidelijk). Nou ja, toch een opluchting, want hoewel we niet vooraf betaald hadden begon onze boeking toch een beetje te voelen als oplichting.

Kort hierna meldde onze kapitein zich, en ook hij bleek ruimschoots aan de beschrijving te voldoen. Of we nog maar even op een terrasje wilden gaan zitten, want hij moest nog gauw zijn auto wegzetten – maar daarna zou echt de transfer naar de boot beginnen. Omdat we geboekt hadden voor een “shared tour” keken we nog even of zich op een van de terrasjes aan de waterkant al een groepje bevond, maar dat was niet zo. Logisch, bleek toen we na de transfer (het oversteken van een grasveldje) bij de boot kwamen: wij waren de enigen, want het toeristenseizoen begint pas over een paar weken.

Vanaf dat moment ging het snel. We werden in de boot -een meter of acht lang en anderhalve meter breed, met gelukkig wel een baldakijntje boven de banken- geholpen / getild, de vriend ging in het midden van de achterste bank zitten en opende zijn eerste zak chips, de kapitein startte de (buitenboord)motor en we staken van wal. Eerst voorzichtig onder de eeuwenoude en vervolgens de iets nieuwere brug door, maar daarna ging het gas vol open en scheerden we weg over het spiegelgladde water van de daar al redelijk brede rivier (of was het nu een uitloper van het meer?). Dat spiegelgladde werd natuurlijk stevig doorbroken door de hekgolven van onze boot, en die van de tegenliggers die met vergelijkbare snelheden terugkeerden van hun toer. Bij het doorkruisen van de eerste daarvan begrepen we direct waarom we met twee zware jongens in de boot zaten: de vriend leverde met zijn naar schatting honderdvijftig kilo de broodnodige extra stabiliteit.

Door de hoge snelheid verrasten we menig waterhoen en fuut die nog net op tijd konden wegduiken, terwijl ander vogels verschrikt opvlogen. Een uitdaging om ze te fotograferen, maar hier bleek toch maar weer dat wat je in je jeugd leest op latere leeftijd nog best van pas kan komen: al die verhalen over hoe Biggles en zijn kameraden de Duitse Fokkers en Messerschmidts wist neer te halen, wierpen hun vrucht af. Richt je camera op een vast punt net naast de boeg en wacht tot een vogel de juiste koers vliegt om in je blikveld te komen, dat werkte. Een beetje, want dan moet je natuurlijk niet de afstandsinstelling op automatisch zetten: dat levert alleen maar mooie scherpe boegbeelden op, met daarnaast wat wazige vlekken waarin het geoefende oog kan herkennen dat het inderdaad een vogel is.

Los daarvan was het een mooie tocht met uitzicht op nabije en verre bergen, een bezoek aan een gebied waar pelikanen en aalscholvers lunchten en een tochtje door de “jungle”- die ons erg aan de Biesbosch deed denken. En de kapitein en zijn maat bleken heel vriendelijk: ze maakten foto’s van ons die we later toegestuurd kregen en we kregen een handje uit de tweede of derde zak chips. Bij terugkeer, anderhalf uur later, kregen we van hen de tip om te gaan eten in een leuk nieuw restaurant, en dat bracht ons inderdaad in de verleiding om nogmaals te lunchen in Casarogna (om de prijs hoef je dat niet te laten). Maar omdat een eenvoudig doch vriendelijk uitziend restaurantje, waar we even stopten voor een plaspauze, karper uit het meer op de kaart had staan, kozen we daarvoor. Beduidend minder verfijnd – de karper was waarschijnlijk gefrituurd- maar toch ook aangenaam.

Van oude en nieuwe dingen, en mensen die voorbijgaan

Eigenlijk hadden we best nog wat langer in het huisje van opa kunnen blijven. Gewoon nog een dagje rustig op de schommelbank in het bosje zitten. Wat lezen, en zo nu en dan kijken naar de mooie omgeving. Maar ja, het volgende verblijf was al geboekt en zo. Op maandag vertrokken we dus weer, terug naar de kust. In die richting, althans, want wat zouden we aan de kust moeten?


Onze eerste stop was al na een half uurtje, in Kolasin. Een stadje in een ski-gebied, maar heel anders dan Zabljac. Een redelijk historische kern, veel bomen in de stad, vriendelijke uitstraling. Kunst in de openbare ruimte, terrasjes waar het goed koffie drinken was. Het bleek alleen wat lastig het stadje weer te verlaten: een van de twee toegangswegen was geheel afgesloten vanwege een zo te zien grootschalige aanpassing, en op de andere werd onderhoud verricht aan een brug waardoor er maar één rijstrook beschikbaar was waarvan het verkeer in- en uit de stad gebruik moest maken.

Na Kolasin kwamen we al spoedig op de in onze eerdere blogpost genoemde snelweg. Technisch heel mooi, maar omdat hij grotendeels door tunnels gaat valt er weinig te genieten van het landschap. Wat dat betreft zou de omweg over de oude weg de extra reistijd misschien wel waard geweest zijn. Hoe dan ook, na een drie kwartier kwamen we aan in Podgorica (het vroegere Titograd). De tegenwoordige hoofdstad van het land, en ook de grootste stad. Geen historische kern en ook nauwelijks andere bezienswaardigheden, en verkeerstechnisch een ramp. We deden er bijna een uur over om er doorheen te komen (of eigenlijk, via de doorgaande route omheen te rijden) waarvan een minuut of twintig om via een zeer drukke rotonde linksaf te slaan. Het leek wel of iedereen vóór ons het verkeer op de rotonde voorrang gaf, terwijl van de andere takken juist het verkeer dat de rotonde op wilde voorrang nam. En dan natuurlijk nog het probleem om op de rotonde zelf van de linkerbaan naar rechts te komen ….


Goed, ook hier kwamen we zonder kleerscheuren doorheen, en na het verlaten van de stad reden we alweer snel de bergen in, op weg naar de vroegere hoofdstad: Cetinje. Een gestage maar geleidelijke klim over een weg die mooie uitzichten bood en waarlangs we na een half uurtje onze bestemming bereikten: een appartement op de vierde verdieping van een van de nieuwste flatgebouwen in de stad. Gelegen in een wijk met heel diverse bebouwing, op loopafstand van het centrum. Tijd voor een late en zeer smakelijke lunch op het terras van een dichtbijgelegen restaurant, een paar boodschappen en daarna weer wat bijkomen in de relatieve koelte van ons nieuwe verblijf (airconditioning is hier overdag wel een zegen; in de nacht koelt de stad door de relatief hoge ligging wel weer aardig af).


Voor Cetinje als plaats om wat langer te blijven hadden we vooral gekozen omdat het een mooie uitvalsbasis leek voor wat dagtochtjes, maar ook de stad zelf bleek de moeite waard. De dag na onze aankomst besteedden we aan de verplichte registratie bij het toeristenbureau (eerdere gastgevers deden dat voor ons, dus het kwam een beetje als verrassing dat we het hier in persoon moesten doen), het vinden van een geldautomaat die onze bankpas accepteerde (het VPay-systeem dat Nederlandse banken gebruiken is in het buitenland kennelijk wat minder algemeen) en het verkennen van het oudere gedeelte van de stad. In de vele musea daar zou je makkelijk een dag kunnen doorbrengen, maar we bezochten alleen maar -een beetje toevallig omdat het wat begon te regenen- het Biljarda, de voormalige residentie van Petar II Petrovic Njegos. Een langgerekt gebouw met op de beide verdiepingen aan één kant een gang en daaraan grotere en kleinere kamers en zaaltjes. Daarin op de eerste verdieping een permanente tentoonstelling gewijd aan leven en werken van deze Petar, de laatste van de prins-bisschoppen oftewel Vladika’s (zijn opvolger was al verloofd en scheidde daarom kerk en staat, in plaats van man en vrouw). De jong gestorven Petar moet nogal veelzijdig zijn geweest: hij voerde belangrijke staatkundige wijzigingen door, was filosoof en dichter – het deel van zijn bibliotheek dat we zagen bevatte werken van Homerus, Voltaire en vele Italianen (voornamelijk in het Frans en Italiaans). Daarnaast was hij kennelijk een fervent liefhebber van biljart, want hij liet een (betrekkelijk klein, dat dan weer wel) biljart de berg opbrengen (“Stel je voor,” zei de gids, “en dan noemen ze ons Montenegrijnen lui …”). De toelichting op het tentoongestelde was grotendeels in het Montenegrijns, dus veel hebben we er niet van opgestoken. Maar uit het tentoongestelde konden we wel afleiden dat snorren, pistolen, dolken en geweren voor mannen kennelijk onontbeerlijk waren, en dat vrouwen kennelijk geen grote rol in de geschiedenis speelden. Het enige vrouwenportret wat we hier zagen vermeldde slechts “vrouw in traditionele dracht”.
Meer gelijkheid van de seksen was er in de tentoonstelling op de begane grond, gewijd aan de geschiedenis van de staatsmusea van Montenegro. Daar zagen we niet alleen foto’s van de deels vrouwelijke museumstaf, maar ook van koningin Elisabeth van België, Sophia Loren en de dames Chroesjtsjeva en Broz (Tito) – die allen op enig moment een van de musea bezochten. Een aardig weetje leverde het deel van deze tentoonstelling op dat gewijd was aan de technische staf van het museum. Daar werd ons uitgelegd welke uitdagingen het klimaat in Cetinje opleverde: niet alleen erg warm in de zomer en koud in de winter, maar ook meer regenval dan in vrijwel elke andere plaats in Europa.

Uiteindelijk interessanter dan deze tentoonstellingen was echter wat zich er net buiten bevond: het reliëf van Montenegro, een vele meters grote driedimensionale kaart van het land (schaal 1:10.000) gemaakt door het Oostenrijks-Hongaarse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hier was duidelijk te zien dat het land zijn naam niet voor niets aan de bergen ontleent: ruw geschat is nog geen kwart van het land vlak, en de bergen zijn niet bepaald zacht glooiende hellingen. Los daarvan was het natuurlijk ook wel eden hoogstandje van landmeetkunde en handarbeid: in onze tijd met hoogtemeting via satellieten en 3D-printen zou dit al een klus zijn, maar stel je voor wat een werk het geweest moet zijn om eerst al die bergen heel precies in kaart te brengen, en dan vervolgens op schaal uit steen te houwen.


Omdat we wat laat aan onze wandeling begonnen, hebben we de rest van de musea (waaronder een naar het schijnt best interessante tentoonstelling van moderne kunst) gemist – er moest per slot van rekening ook geluncht worden en een ijsje gegeten. Wel liepen we nog een galerie binnen waar actuele politieke cartoons te zien waren, en troffen we een fraai beeld van een elegante vrouw die, zittend op een bankje, een boek las. Het bleek te gaan om prinses Xenia van Montenegro, over wie tijdens haar leven al zoveel gesproken en geschreven is dat we hier volstaan te vermelden dat ze als eerste automobiliste in de Balkan naamgeefster is geworden van diezelfde autoweg waarover we richting Cetinje reden.


Het behouden huis

“Dat was het huis waar mijn opa woonde,” vertelde de verhuurder van het huisje waarin we vlak bij Mojkovac drie nachten verbleven. We zaten met een glas raki (of slivovitz, zoals we het nog kenden uit Slovenië, nu alweer zo’n 50 jaar geleden) voor het huis van zijn ouders, een eindje verder op het ruime stuk land dat dus nog van zijn opa was geweest en waarop zijn vader en moeder nu kippen hielden en groente en fruit teelden. Voor eigen gebruik (inclusief de stokerij van de vader) en voor de gasten, voor wie de moeder met duidelijk genoegen smakelijke maaltijden bereidde. Het huisje van opa hadden ze laten staan, en op een gegeven moment gerenoveerd zodat ze het konden verhuren. Niet voor het geld, zo vertelde hij -en dat kon ook kloppen, gezien de zeer lage prijs per nacht- maar omdat je het toch niet kon laten instorten. En voor de aanspraak.

Dat die aanspraak belangrijk was, was ons al direct gebleken toen we er aankwamen, na een prachtige tocht van een ruim uur door de zeer nauwe kloof van de Tara. Niet het gedeelte door het Durmitor nationaal park, dat na de Grand Canyon de een na grootste kloof ter wereld is, maar meer stroomopwaarts, tussen Zabljac en Mojkovac. Iets minder diep en breed, maar nog steeds spectaculair mooi. En met een weg die heel rustig was, op deze wat druilerge dag na de stevige onweersbui van de dag ervoor. Maar dat terzijde – we zouden het over aanspraak hebben. Zodra we de auto uitstapten was daar de moeder, die ons hartelijk welkom heette. Althans, dat leidden we af uit de enige woorden die we verstonden: "dobro došli", ook nog bekend van 50 jaar geleden. Een andere taal dan Montenegrijns (of eigen: Servisch) bleek ze niet te spreken, maar aangezien ze zeer vaardig was met Google Translate konden we al snel vertellen dat we inderdaad wel wat wilden drinken, dat we een goede reis hadden gehad en dat we de plek waar we nu waren heel mooi vonden. Nadat ze ons de vissen had laten zien die ze voor ons had uitgezocht -vier mooie forellen- kregen we even de tijd om ons te installeren, waarna het ritueel zich herhaalde met haar man die inmiddels was thuisgekomen van zijn werk in Podgorica en ook wel een glaasje lustte. Hij was wel wat minder spraakzaam, of kon wat moeilijker lezen wat wij antwoordden. Maar ach, toen hij ons later zijn moestuin liet zien bleek “dobre” ook gewoon de juiste reactie op alles wat hij aanwees.

De zoon, die wel heel behoorlijk Engels sprak, kwam de volgende (zaterdag)ochtend uit Podgorica, waar hij woonde en werkte. Van hem hoorden we hoe het leven in zijn jeugd geweest was -zo’n 35 jaar geleden, schatten we. Met hoeveelheden sneeuw die er de laatste tien, vijftien jaar niet meer gevallen waren. Met de dieren op de boerderij (de koe ging op stal onder waar nu onze woonkeuken was) en de relatieve isolatie waarin ze leefden. En over hoe zijn generatie niet meer zoals die daarvoor naar het buitenland vertrok voor werk, maar bezig was de eigen economie op te bouwen. Wat, zo vond hij, heel prima lukte maar waarover hij ook wel gemengde gevoelens had: alles was wel erg duur geworden. Zelf verdiende hij echter zo goed dat hij zich met vrouw en kinderen vakanties naar Spanje en Italië kon veroorloven, waar het leven een stuk goedkoper was.

Die economie, dat hadden we al wel gezien, is trouwens duidelijk in transitie. Naast de moderne winkelcentra en grote supermarkten zie je ook nog veel kleine winkeltjes, en terwijl vrijwel alles in de winkel inderdaad aan de prijs is, kun je in kleinere restaurantjes redelijk voordelig en goed eten. Ook is er waarschijnlijk (nog) een forse informele economie: op zaterdag kwam een buurman met groot materieel langs om een oude garage te slopen en het stukje land eromheen te egaliseren, en een andere buurman kwam het gras maaien (niet een gazonnetje, maar een flinke lap land). Ja, zei de zoon – hij heeft koeien, dus hij komt over een paar dagen ook het gemaaide gras weghalen. Op zondag ging het werk gewoon door: er kwamen een paar metselaars om een nieuw muurtje op te trekken. Heel kleinschalig allemaal, en dat contrasteert dan weer met wat we op maandag zagen: Montenegro bouwt momenteel een snelweg van de zee naar Servië, een project waar andere landen stevige steun van de EU voor nodig hebben. Het antwoord op de vraag waar het geld daarvoor dan wel vandaan komt -dat het helemaal uit de eigen economie komt is gezien de omvang van het project wel heel onwaarschijnlijk- blijkt simpel en veelzeggend: uit China, als onderdeel van de nieuwe zijderoute. Voordat die klaar is, moet er overigens nog wel veel vrachtverkeer over de bestaande wegen stromen. Waarvan er een vlak langs ons huisje liep – en wonder boven wonder hoorden we daar minder van dan we thuis vaak van de A4 en de A12 horen, die toch beduidend verder van ons huis liggen.

Tijdens ons verblijf waren er natuurlijk ook momenten dat we niet voor aanspraak hoefden te zorgen. Die hebben we onder andere gebruikt voor een bezoek aan het stadje Bijelo Polje, door onze hulp in de huishouding altijd aangeduid als “mijn stad”. We zijn er niet lang gebleven: het zag er op zaterdag rond het middaguur niet erg levendig uit, en het bleek schier onmogelijk een parkeerplaats te vinden bij plekken die er wel uitnodigend uitzagen (de keer dat dat wel lukt, lukte het weer niet om via sms te betalen, dus dat schoot ook niet op). Een paar uurtjes op een schommelbank in de toen nog ongemaaide bloemenwei bij ons huisje bleek een goed alternatief. En op zondag, na een stevig ontbijt waarin de moeder weer flink wat eieren van eigen erf verwerkt had, konden we een aardig stukje wandelen langs een prachtig meer in een natuurreservaat op een paar kilometer van ons onderkomen – ook niet verkeerd.

Een verhaal van twee steden

De lange busreis over korte afstand waarmee we ons vorige verslag begonnen, bracht ons in onze volgende etappeplaats: Herceg Novi, net over de grens van Kroatië en Montenegro. Ook een oude stad maar, zoals de naam al doet vermoeden, toch beduidend jonger dan Dubrovnik. Kleiner ook, en veel rustiger. En daardoor misschien wel fijner.

We verbleven er ook weer buiten het centrum, maar wel meer in de buurt ervan. In een opmerkelijk appartement: toen we er met de taxi vanaf het busstation aankwamen, leek het even alsof we in het souterrain van een kleine villa werden weggestopt. Dat leverde even herinneringen op aan een onderkomen in Italië waar we na een paar uur alweer vertrokken omdat het te bedompt was. Des te aangenamer was daarom de verrassing toen we er binnenstapten en we zagen dat het aan de andere kant een balkon had vanwaar we uitkeken op een tuintje dat was aangelegd op het dak van een garage – en over en tussen de huizen aan de overkant van een doodlopend straatje hadden we een weids panorama over het begin van een baai die diep het land ingaat en aan het eind waarvan Kotor ligt. Misschien wel de bekendste en meest toeristische plaats van Montenegro, maar daarover waarschijnlijk later.

Helemaal goed dus, dit appartement, en als we hadden willen zwemmen was het nog beter geweest, want via een steile trap en dito straatje kwam je bij de promenade langs de baai, precies op de plek waar er een klein strandje was. En een aangenaam restaurantje waar we een prima late lunch genoten – uitgebreid genoeg om in de loop van de avond op ons balkon te volstaan met wat meloen, brood en worst. Een procedure die prima beviel, en die we de dag erop herhaalden – zij het dat we in een ander maar even aangenaam restaurant lunchten, waarvandaan we ook een wandelingetje door het oude centrum maakten.

Dat we twee nachten in Herceg Novi verbleven was niet zozeer een keuze voor die stad, maar had te maken met de huurauto waarmee we onze weg door Montenegro zouden vervolgen: die konden we hier ophalen. Een felrode, glimmende Renault Captur (benzine) die direct bijzonder vertrouwd aanvoelde – zij het dat de felblauwe, glimmende Nissan Juke (hybride) waarin we sinds een jaar zelf rijden wat meer snufjes heeft, waaronder een stand waarmee hij aanvoelt als volledig elektrisch aangedreven. Maar dat terzijde. Het gaat om de rit en niet om de auto.

Die rit voerde ons eerst nog een stuk langs de baai, met hier en daar echt prachtige uitzichten. Vervolgens de bergen in, naar het noordoosten. In het begin nog een beetje druk, maar al snel reden we er vrijwel alleen. Dat blijft een feestje: de slingerende weg, soms dalend en dan weer stijgend, soms door smalle kloven en dan weer langs weidse uitzichten. Vroeger, met een handgeschakelde auto, ging dat er ‘sportief’ aan toe – nu, met een automaat, rustig en vloeiend. Nou ja, het kan ook de leeftijd zijn.

Na anderhalf uur rijden en een ruim uur lunchen bereikten we alweer onze volgende etappeplaats: Zabljac. Gekozen vanwege de ligging in het Durmitor nationaal park, en dat is -naast een aantal hotels met name als SKI en SOA- dan ook het enige wat de plaats te bieden heeft. De troosteloosheid van een veel te snel gegroeide wintersportplaats in de zomer – meer kunnen we er niet van maken of over vertellen. Nou ja, behalve dan dat het al kort na onze aankomst heftig begon te onweren, waarmee het al snel een vijftien graden koeler werd dan we de voorgaande dagen gehad hadden - bepaald niet onaangenaam. En dat we een nogal klein en inventief maar niet in alle opzichten praktisch ingedeeld appartement in een gloednieuw huisje in het centrum hadden. Voor één nacht, en dat was ook wel genoeg. De volgende ochtend hebben we nog wat rondgekeken in de omgeving, maar omdat het maken van een langere wandeling door bergachtig terrein er nog niet (of niet meer) in zit, hadden we het snel gezien: op kille dagen met veel bewolking doet dit deel van het land de naam Montenegro volstrekt eer aan.

Hoe warm het was, en hoe dichtbij

Vandaag maakten we een busreis van nog geen vijftig kilometer, die twee uur langer duurde dan de aangekondigde één uur en een kwartier. In een bus waarvan het toilet op slot zat. Gelukkig werkte de airconditioning wel, maar onderweg moesten we twee keer uitstappen en een minuut of twintig buiten staan wachten tot alle paspoorten gecontroleerd waren. In de schaduw, dat dan weer wel, maar ook daar was het bijna dertig graden.

Was dat heel erg? Daarover zijn de meningen verdeeld. Maar niet over het feit dat het toch mooi is om na meer dan 50 jaar samen reizen nog weer eens een nieuwe ervaring op te doen. Althans: dat lange wachten voor een grensovergang herinnerden we ons natuurlijk nog wel van de tijden vóór Schengen (en van bezoeken aan de VS Australië en Nieuw-Zeeland). Maar in een bus - dat hadden we nog niet gedaan.

Maar goed. Laten we bij het begin beginnen. Of eigenlijk een jaartje eerder, want het is alweer even geleden dat we hier berichtten over onze reizen. De reden daarvoor is dat we vorig jaar -naast onze jaarlijkse wintertrip naar zuid-Spanje waarover niet veel te vertellen viel- niet zoveel gereisd hebben. Een tochtje van ruim een week van het begin van de tachtigjarige oorlog (Heiligerlee) naar het einde (Münster) – meer zat er vanwege een heupoperatie niet in. En natuurlijk hadden we ook de nodige festiviteiten die ons wat dichter bij huis hielden.

Maar nu dus: een lange rit in een trage machine. Van Dubrovnik in Kroatië naar Herceg Novi in Montenegro. Voor ons gevoel het echte begin van een drie weken durende reis die ons uiteindelijk naar Tirana moet brengen. De vliegreis van Rotterdam naar Dubrovnik tellen we dan niet mee, maar over Dubrovnik zelf moeten we het natuurlijk wel hebben. We hebben twee dagen door de oude binnenstad geslenterd, samen met honderden andere toeristen. Een soort Valkenburg dus, alweer, maar wel de moeite waard. Ook als je, zoals wij, nog nooit iets van Game of Thrones gezien hebt, iets wat hier kennelijk is opgenomen. Een kleine vesting, ingeklemd tussen bergen en de zee. Hoge, dikke muren met imposante toegangspoorten. Een redelijk lange en brede rechte straat parallel aan de bergen, een kortere dwars daarop. In het daardoor opgespannen kwadrant een zeer overzichtelijk raamwerk van smalle steegjes. Net breed genoeg om aan één kant wat tweepersoons tafeltjes langs de muur te zetten, en van dergelijke terrasjes is het dan ook vergeven (ons zij het dan weer vergeven dat we op een daarvan lekker lang geluncht hebben). Wat precies de reden van deze bouw is, zouden we niet weten – maar een effect viel ons wel direct op: omdat de huizenblokken redelijk hoog zijn, valt de zon maar een paar minuten per dag recht in de steegjes en blijft het er dus relatief koel.

Er is een aantal bezienswaardigheden binnen de muren, waarvan we een kerk en het “Paleis van de rector” bezocht hebben. Dat laatste is een mooi gebouw in Italiaanse barokstijl: trappen en galerijen rond een binnenplaats (denk aan etsen van Escher), rijk versierd met schilder- en beeldhouwwerk. In een aantal zalen een tentoonstelling van de bewaard gebleven bezittingen van de rijkste families in de stad: meubilair, serviezen, bestek, wapens, schilderijen, draagstoelen, kleding en zo voort. Ook dat deed denken aan wat we eerder in Italië zagen – en dat is natuurlijk niet vreemd, gezien de grote invloed van Venetië langs een groot deel van de Adriatische kust en de korte afstand over zee. In het paleis ook een tentoonstelling van foto’s die gemaakt waren tijdens het beleg van de stad gedurende de oorlog van begin jaren ’90 van de vorige eeuw. Beklemmend, zeker in het licht van wat er nu alweer jaren in Oekraïne gebeurt.

Een eindje buiten de oude binnenstad bezochten we het museum voor moderne kunst. Vooral lokale, of in elk geval Kroatische schilders en beeldhouwers. Niet bepaald de wereldtop, maar toch is er altijd wel weer iets wat je raakt en bijblijft omdat de kunstenaar een blik of een houding mooi getroffen heeft.

De drie nachten hier brachten we door in een appartement dat een flink eind buiten de stad lag, in Komolac aan het einde van een langgerekte baai. Redelijk landelijk, heerlijk rustig en op een minuut van een halte waarvandaan een paar keer per uur een bus naar de oude stad ging. Ideaal, en je pikt ook nog wat op van het forensenbestaan (lees: op de terugweg was de bus volgepakt met mensen die kennelijk woonden in de flatgebouwen die we vanuit ons appartement zagen liggen).

En hebben we nog een bespiegeling naar aanleiding van ons bezoek? Ja, natuurlijk. We kwamen in het paleis van de rector ook terecht in wat de rechtbank geweest moet zijn, en in de kerkers. Denk bij die rechtbank vooral aan klassejustitie en volstrekte rechteloosheid voor wie niet tot de adel of de gegoede burgerij behoorde. En de kerkers waren natuurlijk donker, bedompt en gespeend van alle menselijkheid. Precies zoals sommigen de gevangenis tegenwoordig ook weer zouden willen zien, dachten we. Wat weer de vraag opriep: waarom eigenlijk? De straf -de vergelding- is de vrijheidsbeneming. Dat die een paar honderd jaar geleden werd voltrokken onder omstandigheden die we nu onmenselijk vinden, valt in zoverre te begrijpen dat het leven in vrijheid voor velen niet veel beter was. Maar eigenlijk zou dat toch reden moeten zijn om ook nu de omstandigheden in de gevangenis niet slechter te maken dan strikt noodzakelijk met het oog op de beveiliging?