Marian en Max zijn even weg

Van de rivier naar de zee

Het huis annex camping waarin we in Koman verbleven, ligt aan een meer. Niet een fraai meer met glooiende oevers, maar een diep uitgegraven put aan de voet van een stuwdam. En op die stuwdam en bijbehorende elektriciteitscentrale keken we uit, gelukkig wel van een afstand van minstens een kilometer. Niet aantrekkelijk, en toch was die stuwdam de reden -of misschien meer de oorzaak van de reden- dat we hier waren. Aan de andere kant van de dam was immers -natuurlijk- een stuwmeer. Ook niet met glooiende oevers, maar wel fraai: waar vroeger een rivier door een langgerekt, over hert algemeen smal dal stroomde, was nu een meer ontstaan waarvan de oevers grotendeels steil omhoog gingen, maar hier en daar ook ruimte boden voor een akkertje, een (vakantie)huisje en zelfs op een plek een klein dorpje. Allemaal alleen bereikbaar over het water.

En dat was waarom we op die dinsdagochtend al zo vroeg aan het ontbijt zaten: we moesten vóór kwart voor negen inchecken om mee te kunnen met de veerboot die ons in ongeveer drie uur ruim 32 kilometer door dat dal zou voeren. Dat inchecken / aan boord gaan was nog wel een kleine belevenis. Eerst een paar kilometer een steile weg naar het niveau van de bovenrand van de dam, en dan door een lange, onverlichte tunnel. Waarna we uitkwamen op een redelijk krappe kade, waar het -alweer- krioelde van de mensen die met een van de twee veerboten meewilden, of met een van de andere bootjes waarmee cruises over het stuwmeer verzorgd werden. Deels daar gekomen met eigen auto, deels met busjes. Het was er dus nogal vol met mensen en auto’s, en in al die volte probeerden de busjes te keren om weer terug te rijden, en de auto’s om achteruit de veerpont op te rijden. Dat laatste deden wij dus ook – waarbij het prettig was dat onze Peugeot 3008 erg leek op de Peugeot 308 waarin we tot vorig jaar reden (zij hert je door de hogere stoelen een heel andere blik hebt), maar we wel de 360° camera misten die onze nieuwe auto heeft.
De boottocht was ook weer interessant. We waren, op een enkeling na, duidelijk de oudsten. Niet zo gek, want deze oversteek is vooral in trek bij mensen die vanaf de andere kant de bergen in gaan, om in twee dagen terug te lopen naar wat dan de andere kant is. Verder was de betrekkelijk kleine boot (drie rijen van vijf auto’s) nogal goed gevuld, en waren er maar weinig enigszins comfortabele zitplaatsen in het overdekte gedeelte. Daar hadden we er dan weer wel elk een van weten te veroveren, mar het uitzicht daarvandaan werd natuurlijk wat beperkt door de mensen die buiten op de bankjes op het dek zaten, in de brandende zon. Faciliteiten waren er niet, behalve een enkel toilet en een koelkast met frisdrank, waar je zelf iets uit kon halen en afrekenen bij de stuurman. Die trouwens het grootste deel van de tocht meer belangstelling had voor het scherm van zijn telefoon dan voor het stuurrad, maar aangezien de route vooral bestond uit redelijk lange stukjes “recht zo die gaat” was dat misschien ook wel begrijpelijk. Verder deed de tocht ons wel denken aan de cruise die we jaren geleden in de buurt van Bergen maakten door een fjord, met als belangrijk verschil dat het toen koud was, en een groot deel van de reis goot.

Na de ontscheping (bij FierzĂ«) een snelle lunch, en toen nog een ruim uur rijden naar ons volgende onderkomen: een hotel annex camping bij het plaatsje Helshan. Enige reden dat we daarvoor kozen, was dat het er was; de volgende accommodatie langs deze weg lag ruim een uur rijden verder (wat neerkomt op een kilometer of 40 – het wegdek zat vol gaten, waarvan sommige natuurlijk ontstaan waren en andere gefreesd met het oog op toekomstig herstel). We kwamen terecht op een groot, glooiend terrein ver buiten het plaatsje, waar aan het einde van een oprijlaan een opvallend, wit gebouw stond: strak ontwerp, trappen aan de buitenkant, veel glas. Daaromheen de camping (terrasjes met daarop wat bomen voor de schaduw) en ernaast een meer traditionele woning, mooi tussen het groen. Uit die richting kwam direct de eigenaar aangehold, een man van in de vijftig, die ons uitnodigde tussen de bomen aan een tafeltje te gaan zitten en eerst wat te drinken. Dat we slechts water wilden viel hem wat tegen, maar hij greep zijn telefoon en begon bevelen te geven waarvan wij slechts “urgente, urgente” verstonden, waarna er al snel een jonge vrouw met een grote fles ijskoud water verscheen, en twee glazen. “De vrouw van mijn zoon,” vertelde hij, “ze is een maand geleden moeder geworden.” Niet per se de informatie die we op dat moment nodig hadden, maar we hebben hen uiteraard hartelijk gefeliciteerd.
De schoondochter bracht later ook, via twee lange en dus niet zo steile trappen onze bagage naar de bovenste verdieping van het witte gebouw, waar de enige drie kamers waren die het hotel rijk bleek (een beetje karig ingericht, zonder airco en zonder mogelijkheid de ramen wat te verduisteren) – op de verdiepingen eronder moest een grote koffiebar komen, en daaronder nog wat ruimten waarvan de bestemming ons niet duidelijk werd. De eigenaar bleek het geheel zelf ontworpen te hebben (“Ik ben architect, nou ja, ik heb veel met architecten gewerkt”) en vertelde over hoe hij vijf jaar geleden na een carriùre in Tirana was teruggekeerd naar zijn geboortegrond, zijn broers en zus had uitgekocht en begonnen was dit geheel op te bouwen (een beetje vergelijkbaar met de eigenaren van ons vorige onderkomen, al waren die veel jonger en nog maar een jaar bezig). We zouden hem nog veel zien en spreken, die middag, avond en volgende ochtend – terwijl we niet eens de enige gasten waren, want een tijdje na ons verscheen er een colonne van vier 4x4’s waaruit evenzovele Poolse gezinnen kwamen, en twee fietsers (Oostenrijkers, bleek, die in twee maanden vanuit Wenen hierheen gefietst waren). Zijn beheersing van het Engels was trouwens opmerkelijk goed, en dat terwijl hij het zich naar eigen zeggen in twee jaar had eigen gemaakt door met de gasten te spreken.
Ook hier konden we ter plekke het diner en het ontbijt gebruiken, bereid door de -beduidend jongere- vrouw van de eigenaar (“Zij is een stadsmeisje en moest alles hier nog leren – de koeien en geiten melken, kaas en boter maken ...”) en opgediend door zijn (schoon)dochters, die hier met hun echtgenoten en kinderen een korte vakantie doorbrachten.

Na een roerend afscheid, waaraan we van onze kant bijdroegen door via Google translate onze telefoon in het Albanees te laten danken voor de gastvrijheid, vertrokken we de volgende achtend voor de langste etappe van onze reis: een rit van drie uur richting de kust. Eerst over vrijwel lege wegen (waaronder ook weer een stuk moderne snelweg door de bergen), maar uiteindelijk over de drukke snelweg tussen Tirana en de grote badplaats en havenstad DurrĂ«s. Daar bogen we gelukkig alweer snel vanaf, richting een gebied ten noorden van DurrĂ«s, waar we twee nachten verbleven in een mooie, prettig ingerichte villa op een klein ‘resort”, een kilometer van het strand. Voor ons een geheel nieuwe ervaring, zo’n resort – maar het was er een in ontwikkeling, en er was behalve een stuk of twintig identieke huizen met ruime tuinen er omheen, helemaal niets. Van die huizen waren er op dat moment ook maar enkele bewoond, waaronder dat naast ons. Door, zo bleek, de (Engelse) eigenaar van onze villa – hij had er zelf gewoond (vandaar de aangename inrichting) en was nu begonnen hemte verhuren.
Over het verblijf hier valt verder niet veel te vertellen. Er was een restaurantje op loopafstand, een winkeltje wat verderop en het was veel te warm om naar het strand te gaan. En toen we dat de tweede avond toch probeerden, bleek het vol te staan met rijen parasols en ligbeden, te huur via restaurants en barretjes die voor veel herrie zorgden. Maar toch: twee nachten goed geslapen en een heel rustige dag in de tuin en -vooral- de goed gekoelde woonkamer.


Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!