Marian en Max zijn even weg

Kou

Een van de fijne dingen van het bestaan als pensionado is dat je de Nederlandse kou kunt ontvluchten door gedurende de wintermaanden naar warmer streken te gaan. Nu zijn we daar nog niet helemaal aan toe, maar een weekje leek ons wel aardig. Zo rond oud-en-nieuw, toch al niet de vrolijkste tijd in Nederland.

En dus keken we eens waar we vanaf Rotterdam (nou ja, Rotterdam – The Hague) naar toe konden, en dat leverde als keuze Tenerife op. Een eiland waar we ruim 30 jaar geleden al eens de kerst doorbrachten - we herinneren ons nog paella op een terras dat versierd was met kerstbomen, medepassagiers die hun eigen opvouwbare kerstboom als handbagage meenamen en ons zeer gebrekkige Spaans waarin we maar niet duidelijk konden maken dat de motor van onze huurauto olie sproeide en als gevolg daarvan was vastgelopen. En dichtbij La Palma, waar we de eeuwwisseling samen met de inwoners van Santa Cruz vierden met een dansje op straat. We wisten dus dat het er aangenaam warm kon zijn, maar ’s nachts ook fris – op La Palma hadden we een huisje dat tegen de berghelling lag en waar we blij waren dat er een petroleumkachel was.

We hebben dan ook, toen we afgelopen dinsdag onze koffertjes pakten, niet alleen zwemkleding ingepakt maar ook een fleece (niet degene die we op La Palma gekocht hebben, maar recentere) en onze donsjasjes. Beter mee dan om, zeggen we in zo’n geval.

Even leek het overdreven. Toen we aankwamen op het vliegveld Tenerife Sur, was het zo rond de 20 graden – precies wat we zochten. Dat het wat lang duurde voor onze bagage van de band kwam en we de sleutel van onze huurauto in handen hadden, bevestigde alleen maar de relaxte sfeer. En dat die huurauto een wat amechtige Dacia bleek die meer lawaai dan snelheid maakte, paste daar ook wel bij. En ach, dat z’n trekkracht zo beperkt was dat we de laatste zeven kilometer naar ons huisje in z’n twee moesten afleggen omdat het motortje de helling niet echt aankon – nou ja, het moest dan maar. Alleen: zeven kilometer redelijk steil klimmende weg, dat betekende wel dat ons huisje toch wat hoger tegen de hellingen van de Teide lag dan we hadden gedacht. En daarmee ook dat de temperatuur bij het uitstappen dichter bij de 10 dan de 20 graden lag – en dat kwam niet alleen maar omdat de zon inmiddels begon onder te gaan. Ja, “Noches frio”, zei de mevrouw die ons opwachtte, en ze toonde ons vol trots het al gereedstaande maar nog niet ingeplugde straalkacheltje en de extra dekens, voor het geval dat. En ja, het huis was nog wat frisjes – logisch, want gebouwd voor de hete zomers.

Ach, het deed ons denken aan La Palma, en die keer dat we oud- en nieuw doorbrachten in een appartement in de Algarve dat ook pas na een dagje stoken warm werd. Dus: fleeces aan, een lekkere warme maaltijd bereiden en dan vroeg naar bed om de volgende ochtend de omgeving wat te verkennen. De extra dekens kwamen daarbij trouwens goed van pas, want een straalkacheltje in de slaapkamer leek ons helemaal niks.

De volgende ochtend was het huis nog steeds kil. Logisch eigenlijk, want zo’n straalkacheltje verwarmt natuurlijk niet echt. Maar op het terras, in de zon, was het aangenaam en een telefoontje na het ontbijt leverde de belofte van de eigenaresse op dat ze zou zorgen voor een volgens ons wat geschikter verwarming: zo’n oliegevulde radiator waar we elders veel plezier aan beleefd hadden. Dichtbij bleek trouwens ook het volgens Google aanwezige restaurant inderdaad open te zijn – althans, ’s avonds – dus dat zelf koken hoefde ook maar eenmalig. En een wat uitgebreider verkennend tochtje leerde ons dat het beneden, dichter aan zee, weer net zo aangenaam was als de dag ervoor. Nou, dat kwam wel goed, dus.

Ehm, tja. Het restaurant was niet verwarmd, dus personeel en de paar gasten droegen hun donsjasjes ook binnen, over dikke truien. De bonensoep en het geitje waren smakelijk, maar kwamen uit de magnetron en de kaart bleek niet echt veel meer te bieden. En het radiatortje had de woonkamer inderdaad een paar graden verwarmd, maar dat dat aangenaam aanvoelde bleek toch al gauw alleen maar te zijn omdat het in het restaurant zo koud was geweest. Alweer vroeg naar bed dus maar, waar het nogal lang duurde voor we het onderlakense voldoende verwarmd hadden om echt profijt te hebben van de dikke dekenlaag. Nee, zo moesten we midden in de nacht constateren, dit was geen gelukkige keus. En toen de volgende ochtend bleek dat een hele nacht verwarmen de temperatuur slecht in een hoekje van de kamer zo rond de 15 graden had gebracht, was voor ons de maat vol – dit gingen we geen week volhouden.

Op zoek dus naar iets anders. Lagergelegen, dat in elk geval, en liefst ook op een plek waar iets meer variëteit in horeca was. Tja – dat was er wel, natuurlijk. Maar niet beschikbaar, en zelfs veel wat volgens boekingssites wel beschikbaar was bleek bij nader informeren (we wilden niet, zoals ooit in Frankrijk, uren voor een gesloten deur wachten omdat de gastheer voor hij voor een dagje uit vertrok niet in z’n mail gekeken had of er nog iemand een kamer geboekt had) geheel volgeboekt. Maar, zoals bekend: zoekt en gij zult vinden en niets is onmogelijk voor wie geld heeft, dus uiteindelijk bleek er nog een plekje te zijn in een redelijk comfortabel uitziende herberg in Santa Cruz: de Hotel Escuela, oftewel de hotelschool. Een paar jaar geleden was de zusterinstelling op Gran Canaria ons wel bevallen vanwege de redelijke kamers, een goed restaurant en aangename ligging, dus dat moest het dan maar worden voor de rest van de week.

En daar zitten we nu. In een inderdaad mooi kamer met goede klimaatregeling. Boven een restaurant waarvan de kaart helaas beperkt is en met een terras dat uit de zon en in de wind ligt Naast het stadion, een stukje buiten de binnenstad en in een zodanig patroon van eenrichtingsverkeer dat een ritje terug met de taxi evenveel tijd kost als de wandeling heen. Snip-, maar dan ook echt snip-, verkouden en met regelmatig een lichaamstemperatuur waar geen straalkacheltje nog wat van zou kunnen opsteken.

Weer lekker

Vanavond (nou ja, inmiddels gisteravond) hebben we weer echt lekker gegeten. Een cataplana, bereid door een Portugees die een restaurant heeft in Sibiu, onze een-na-laatste verblijfplaats tijdens deze rondreis door Roemenie. Dat is wel fijn, want de avond daarvoo viel het -ook in Sibiu- wat tegen (hotelrestaurant, Roemeense specialiteit: varkensvlees in maggisaus) en de ervaringen in Boekarest (hotelrestaurant middelmatig Italiaans, Libanee restaurant beter, maar niet heel goed) waren ook al niet om over naar huis te schrijven. Bij wijze van spreken, dan.

Sibiu is sowieso wel een aardige stad, maar voor we daar meer over vertellen eerst nog even wat over Boekarest. Vanwege onze momenteel niet optimale mobiliteit bedachten we na aankomst en een eerste verkenning in de omgeving van het hotel dat het misschien handig was om voor de volgende dag een prive-gids te boeken, die ons -liefst deels per auto- in korte tijd de interessantse plekken zou kunnen laten zien. Niet per se de toeristische hoogtepunten, maar wat architectuur en plaatsen met een betekenis in de geschiedenis of juist het alledaagse leven van nu. Dat zou voorkomen dat we zelf op zoek zouden moeten, wat (te) vaak resulteert in lange wandelingen door net de verkeerde straten - of de goede, zonder dat je je dat realiseert.

Het beschikbare aanbod was op zo korte termijn niet heel groot, maar Alina van "When in Bucharest" bleek een goede keuze: sociologe, goed geinformeerd over dingen die wij interessant vinden, vloeiend Engels (die Erasmusprogramma's zijn toch wel een heel mooi resultaat van de Europese samenwerking). Helaas moesten we op de ochtend zelf besluiten om niet allebei mee te gaan -onvoldoende energie voor het nog forse wandeldeel- maar dat belet ons niet om toch in de eerste persoon meervoud verslag te doen.

Het eerste deel van de wandeling leidde van het hotel door een wijk die in een paar opzichten wel wat weg heeft van waar we zelf wonen: gebouwd in de decennia rond 1900, redelijk rustig, te weinig parkeerruimte. Maar de verschillen zijn in het oog springender: grotere huizen, vrijstaand in soms forse tuinen. Nu deels in gebruik als kantoor of ambassade, deels nog als woonhuis (vooral de bescheidener en vaak minder goed onderhouden). Een door de overheid opgelegde keuze uit twee bouwstijlen (ofwel een combinatie van Frans eclectisch met Roemeens nostaligisch ofwel Art deco) maakt dat het in zijn verscheidenheid een aangename eenheid vormt. En toch nog een overeenkomst: op diverse plaatsen in de wijk zijn bewoners begonnen om de publieke ruimte weer tot een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid te maken, in plaats van een opgave voor de overheid.

Van dit rustige gebied naar een veel levendiger deel van de stad aan de andere kant van een van de heel brede (en zeer drukke) boulevards die tot de redenen behoren waar Boekarest ook wel "Klein Parijs" genoemd wordt. Een bezoekje aan het in omvang redelijk bescheiden Atheneum, een ronde (concert)zaal met zo'n 600 zitplaatsen, waar een geschilderd fries de Roemeense geschiedenis laat zien, van de Romeinse overheersing via de interessante positie van Transsylvanie in het Ottomaanse rijk, de eenwording en de opname in de Habsburgse dubbelmonarchie naar het korte bestaan, tussen de twee wereldoorlogen, als zelfstandig koninkrijk.

Voor de nieuwere geschiedenis konden we in de straten in de omgeving terecht, in het bijzonder op het revolutieplein. Toevallig hadden we kort voor ons vertrek nog het televisiefragment gezien waarin Ceaucescu op 21 december 1989, vanaf het balkon van het gebouw van het centraal comite van de communistische partij, het verzamelde volk zal toespreken en in opperste verbazing raakt als ze niet voor hem applaudiseren maar beginnen te scanderen dat hij weg moet. Van de schade aan gebouwen als gevolg van de daarop volgende strijd tussen bevolking en leger enerzijds en de Securitate anderzijds, is niet veel meer te zien - belangrijkste herinnering is het, door skateboardende en graffiti spuitende jongeren aangetaste, monument. Grappig wel om over dat soort gebeurtenissen, die we zelf zeer bewust maar op afstand hebben meegemaakt, te praten met iemand die er als vierjarige middenin zat, maar wat ze er nu van weet helemaal uit de geschiedenisboeken, documentaires en de persoonlijke verhalen van haar familie heeft.

Van deze recente geschiedenis weer naar de wat oudere: het "oude" centrum, waar de meeste gebouwen overigens uit de 19e eeuw stammen. Kennelijk hechtten de Boekaresters niet zo aan hun gebouwde historie, al zullen de frequente aardbevingen (die van 4 maart 1977 waren we trouwens alweer geheel vergeten) er ook een rol in hebben gespeeld. Eerlijk gezegd is dit centrum ook niet zo bijzonder, maar je kunt er ongetwijeld een aangename dag doorbrengen als je van winkels, bierhuizen en terrassen houdt. Bijzonder waren nog wel even een heel klein zeer oud orthodox klooster en een uit de Turkse tijd stammende karavanserail, een herberg met een grote binnenruimtedie ook als marktplaats werd gebruikt.
De middag hebben we verder doorgebracht met de lunch en nog een wandeling in de buurt van het hotel, waar we stuitten op de nationale kathedraal - opmerkelijk klein.  

De volgende ochtend wilden we, voor we uit Boekarest vertrokken, nog een bezoek brengen aan het parlementsgebouw, het volgens alle berichten megalomane paleis dat Ceaucescu onder de noemer "Huis van het volk" voor zichzelf liet bouwen, maar waarvan hij de voltooiing niet meer heeft meegemaakt. Wij vonden het op het eerste gezicht nog wel meevallen, ook al omdat de avenue die er naartoe leidt heel breed is, met hoge blokken woningen ernaast en toch, dankzij wandelpaden en bomenrijen, een aangename indruk maakt. Maar die eerste indruk verandert toch wel als je je realiseert dat wat je ziet niet slechts een facade is met een ondiep gebouw erachter, maar een zide van een bouwwerk op een vierkant grondvlak - en daardoor daadwerkelijk in volume een van de grootste gebouwen ter wereld.
Tja, hoe de Roemenen daar nu tegenaan kijken, weten we niet echt. Volgena Alina is er toch wel enige trots, en ook wel wat heimwee, ook onder jongeren die het niet hebben meegemaakt, naar de communistische tijd - toen het bouwen van de metro in Boekarest maar tien jaar kostte, terwijl er nu per jaar maar 10 km snelweg wordt gerealiseerd. Dat laatste was trouwens ook een van de klachten van een oudere man die ons in Sibiu aansprak en zijn nood klaagde over het steeds duurdere leven. Ja, voor toeristen was het allemaal heel goedkoop en die kwamen daar ook graag, maar voor de gewone Roemeen was het heel zwaar. Misschien konden wij hem helpen met 10 Lei?

Goed, Sibiu dus, of Hermannsstad zoals het heet in het hier veel gesproken Duits. Redelijk forse stad met een aangenaam oud centrum waar we zowel zaterdag als zondagochtend wat hebben rondgelopen en -gekeken. En twee bezoekjes gebracht aan het museum in het voormalige paleis Brukenthal, dat diverse collecties omvat. Die van  Europese kunst is groot en redelijk divers, met opmerkelijk veel schilderijen uit de Nederlanden en het aangrenzende deel van Duitsland. Een paar echt bijzondere werken daartussen (een anoniem altaarstuk uit de 15e eeuw dat Christus aan het kruis laat zien, omgeven door zijn 10.000 martelaren die zich met kennelijk genoegen aan bomen hebben gespiest, deed ons denken aan Monty Python's Life of Brian) en alles geplaatst in de leefvertrekken van het paleis (inclusief muziekkamer met oude instrumenten en een uitgebreide bibliotheek), dus zeker de moeite waard. Dat geldt in iets mindere mate de collectie Roemeense schiderijen. Daar zitten ook wel heel mooie tussen, maar het merendeel is niet echt anders danuit de rest van Europa. En een deel is gewoon erg middelmatig.
Middelmatg was ook ons hotel, enigszins aan de rand van de stad. Naast het stadion, zodat we goed konden horen dat er in de wedstrijd Sbiu - Timisoara op zaterdagmiddag een paar keer werd gescoord. Voorzover dat geluid van buiten niet werd gesmoord in de dreun van het bruiloftsfeest dat twee verdiepingen onder onze kamer werd gevierd, maar dat gelukkig ruim voor middernacht eindigde.

De terugeis naar Timisoara, op zondagmiddag, was weer lang en warm maar verliep zonder bijzonderheden. En dat het laatste avondmaal dat we in Roemenie nuttigden nou net weer niet lekker was - ach, het zij zo.

En kunnen we nog iets zeggen over land en volk? Nou ja, iets. Het land is op veel plaatsen landschappelijk mooi en veel van de steden en dorpjes die we gezien hebben ademden een prettig ouderwetse sfeer. De mensen met wie we te maken hadden waren merendeels prettig en spraken goed, of in elk geval voldoende, Engels of Duits (een enkeling ook Frans). Meest opmerkelijk is misschien wel de -voor zover wij konden zien- redelijk harmonieuze wijze waarop binnen dit land vele etnische inderheden samenleven (er is zelfs geen enkele categorie in de meerderheid). Over hoe dat komt en of het zo zal blijven, nu we leven in een tijdperkvan het construeren van (etnische) identiteiten en dus het afzetten tegen en uitsluiten van andere groeperingen, is een interessante vraag die ook in het gesprek met Alina regelmatig aan de orde kwam. Maar dat is dan ook weer lekker voer voor sociologen.

Lekker weer

Het was bijna 30 graden toen we aankwamen op het vliegveld van Timisoara, en het koelde maar langzaam af. Heel aangenaam om op het teras van het hotel te kunnen eten, en minstens zo aangenaam dat de kamer een goede airco had. Net als de auto, trouwens, en die kwam tijdens de verdere reis goed van pas: op twee dagen, de meeste nachten en een enkele avond na lag de temperatuur boven de twintig graden, met over het algemeen een heldere tot half bewolkte hemel. Nou ja, er was ook een enkele (stevige) regenbui, maar geen aanhoudende regen.

De dagen met het minste weer hadden we in Brasov, onze verblijfplaats na Bazna. Op weg er naartoe was het nog wel aardig, zij het dat de bewolking steeeds meer toenam. Maar in Sighisoara, een stadje met een oude, op een heuvel gelegen en stevig ommuurde middeleeuwse kern, konden we nog lekker op een terras lunchen. Een goed gevulde rundvleessoep respectievelijk een nog gevulder bonensoep, die geserveerd werd in een uitgehold brood. Dat was wel genoeg voor een lange middag in de auto, maar voor we daar weer instapten hebben we natuurlijk ook een beetje rondgekeken. Wel mooi maar erg toeristisch en ook in deze tijd van het jaar redelijk druk, dus een bezoek aan het huis waar Vlad, beter bekend als Dracula, geboren zou zijn hebben we maar overgeslagen.

Volgens Wikipedia is Brazov het populairste toeristenoord in Roemenie, maar ons is niet duidelijk geworden waarom dat zou zijn. Misschien waren we er in het verkeerde seizoen - er ligt een uitgebreid wintersportgebied in de buurt. En, wat verder weg, het kasteel dat model heeft gestaan voor de burcht van Dracula in het boek van Bram Stoker. Hebben we ook niet bezocht - zo spannend vinden we kastelen niet meer - en onderweg hadden we in het voorbijrijden al een heel mooi exemplaar gezien.
.
In Brasov zelf is niet zo veel te beleven. Dat wil zeggen, de oude binnenstad is aardig maar niet bijzonder en ook niet groot, en de rest is gewoon vooral oost-europese bouw uit de tweede helft van de 20ste eeuw.
Ons hotel, nou ja "residence" Ambient, was ook al niet bijzonder. Of eigenlijk: zeer matig. Het was dat we de tweede nacht een andere, grotere en aan de achterkant (dus niet aan de drukke straat) gelegen kamer konden krijgen waar de matrassen ook nog wat beter aanvoelden, anders waren we van het via Travelbird geboekte pad afgeweken en hadden we een ander onderkomen gezocht. Wat wel weer heel prettig was, was dat vlakbij het hotel een leuk restaurant lag, Ceasu'Rau. We hebben er beide dagen 's avonds gegeten, op de half overdekte binnenplaats, temidden van vele Roemenen. Het was er druk, en dat kwam ongetwijfeld door het eten: grote porties (redelijk) goed vlees van de grill of uit de oven, met aardappels, polenta of rijst en een vrij ruime keuze aan groenten. En dat voor een, naar onze begippen, heel vriendelijk prijsje (zo'n 150 Lei, omgerekend een Euro of 35 - inclusief wijn, koffie en fooi). Kennelijk was het voor Roemeense begrippen ook een uitgelezen plaats om met je vriendin en haar ouders te gaan eten en dan tussen soep en hoofdgerecht ergens een bos bloemen en een klein doosje vandaan te halen en op je knie te vallen, waarna zoenen, champagne en applaus. Althans, dat gebeurde aan de tafel naast ons.

De tocht van Brasov naar Boekarest was afwisselend. Door de bergen (haarspeldbochten), in de stromende regen en de file door wintersportdorpen, nog wat klimmen en dalen achter automobilisten die de rem beter wisten te vinden dan gaspedaal en koppeling en vervolgens tot aan Boekarest een kilometer of 50 prachtig nieuwe snelweg door een volstrekt oninteressante vlakte. En dan rijd je de stad binnen. Eerst in een lange file op een smalle weg, daarna gedurende kilometers in vier rijen breed langzaam rijdend en regelmatig stilstaand verkeer waarin iedereen probeert net een paar seconden eerder dat metertje verder te komen dan de concurrentie. Ach, je past je snel aan, dus tegen de tijd dat je een smal zijstraatje in moet om bij je hotel te komen, beheers je de kunst van het banen wisselen over de volle breedte van de weg tot in de finesses.

Hotel Reginetta 1 ligt in een prettige wijk, redelijk dichtbij het centrum. Jammer is dat het aan een kant aan een nogal drukke straat ligt, dus met het raam open slapen was er niet bij. Wel fijn was dat we, na enig denkwerk van de recptioniste, in plaats van de ons oorspronkelijk toegewezen kamer direct onder het dak een wat grotere en lichtere op de eerste verdieping konden krijgen. Dat scheelt al gauw een paar graden. En gelukkig was de direct daaronder liggende nachtclub wegens vakantie gesloten (nou ja, we waren er toch niet op vrijdag of zaterdag, dus we zouden er sowieso geen geluidsoverlast van gehad hebben).
De keuze om in het (Italiaanse) restaurant van het hotel wat te eten bleek wat ongelukkig: niet echt goed en -voor Roemeense begrippen- veel te duur (ruim 400 Lei).

Steeds minder

Er zijn redelijk wat landen in Europa waar we nooit geweest zijn, maar het worden er wel steeds minder. Neem nu Roemenie. Een week geleden waren we er nog nooit geweest en even zag het er naar uit dat dat vanwege wat gekwakkel met de gezondheid zo zou blijven, maar inmiddels hebben we er al weer heel wat kilometers afgelegd, couleur locale opgesnoven en lokale wijnen genuttigd.

Vrijdagmiddag vlogen we van Eindhoven naar Timisoara. Net iets meer dan twee uur - en dat had niet veel langer moeten zijn, want echt comfortabel kun je het reizen in zo'n volgepropt vliegtuig niet noemen. De vlucht hebben we trouwens maar op het nippertje gehaald, terwijl we toch zo mooi op tijd op het vliegveld waren: de security en de paspoortcontrole kostten met een half uur meer tijd dan we gedacht hadden. Timisoara is, naar het schijnt, het een-na grootste vliegeld van Roemenie, maar dat wil niet zeggen dat het groot is. Integendeel - het lijkt lijkt nog het meest op Eelde. Wat ook betekent dat de paspoortcontrole, de bagageafhandeling en het ophalen van de huurauto vlot verliepen - maar dat zou best anders kunnen zijn als er twee vliegtuigen kort na elkaar landen.

Van het vliegveld naar het hotel was maar een half uurtje rijden, mede dankzij de handige route-app op de telefoon. Hotel Galaxy is modern, comfortabel maar niet erg gunstig gelegen aan een drukke invalsweg. Het heeft een heel redelijk maar voor Roemeense begrippen duur Italiaans restaurant.

De ochtend van onze eerste dag hebben we wat rondgekeken in de binnenstad van Timisoara, Het is wel de moeite waard om daar een (halve) dag rond te lopen en te zien hoezeer de stad lijkt op Wenen en Budapest (maar veel en veel kleiner). We hebben er een klein beetje gewinkeld en wat gesnoept van echte Roemeense delicatessen (gefrituurd deeg met jam-, kaas- of vleesvulling). Ook even snel een museum in een barokpaleisje bezocht, met schilderijen en beeldhouwwerk van de vroege middeleeuwen tot heden (ook een paar minder bekende schilders uit deNederlandse Gouden eeuw) en een tentoonstelling met schilderijen en een installatie van een kunstenares die ons in levenden lijve ontving en die ons graag alles had verteld over hoe ze zich door lucht en licht had laten inspireren.

Van Timisoara ging de reis die middag naar Bazna. Een paar honderd kilometer, maar wel vier uur rijden. Eerst over een redelijk lege snelweg, maar vervolgens een groot deel over een veel drukkere tweebaansweg. Enigszins enerverend, want sommige Roemenen rijden opmerkelijk snel en nemen forse risico's bij het inhalen. Wat zomaar tot gevolg kan hebben dat je een uur in een lange file staat tot de weg na een aanrijding weer is vrijgemaakt. Wij hadden het geluk dat de betrokken auto's allebei ver in de berm terecht waren gekomen, dus het oponthoud was wat korter. Het laatste deel van de reis ging over veel rustiger wegen door kleine dorpjes, waar een redelijk diverse bevolking, deels in kleurige klederdracht, voor hun huizen van de late middagzon genoot.

Bazna is een betrekkelijk klein dorp, maar het is ook een kuuroord. Er zijn thermische bronnen met water waaarin allerlei mineralen zitten die goed voor de gezondheid zouden moeten zijn, en daarom komen mensen er al ruim een eeuw naartoe om genezing te zoeken van uiteenlopende kwalen. Wij verbleven in het hotel dat bij de kuurbaden hoort. Stel je daarbij niet een Kurhaus voor, maar een wat groot uitgevallen chalet dat een jaar of twintig geleden is gebouwd. Vier verdiepingen: op de begane grond vooral het zwembad en de sauna, daarboven twee etages met kamers (een stuk of 30 in totaal) en op zolder een fitness-ruimte. Op het terrein verder nog wat grotere en kleinere gebouwen, met in een ervan het restaurant. Het hotel vooral gevuld met Roemenen - deels wat jonger dan wij, maar ook een aanzienlijk aantal ouderen. Plus, zo ontdekten we, een stuk of wat Nederlanders die dezelfde rondreis maakten als wij. In het restaurant een duidelijk onderscheid tussen de pensiongasten (een vast, wat karig aandoend menu) en de overigen die zich a la carte kunnen laten verwennen. Het eten en de Roemeense wijn niet verfijnd maar grotendeels wel smakelijk - en enorm goedkoop.

Op zondag een uitstapje gemaakt naar het nabijgelegen dorpje Boian, met halfverharde wegen en een opvallende "burchtkerk": een kerk met om het kerkhof een hoge, dikke muur met daarin een stevige poort met toren - duidelijk gebouwd als een goed te verdedigen vesting waarin het hele dorp zich (eeuwen geleden) kon terugtrekken wanneer er weer eens een legertje langskwam. Interessant, overigens, dat er in zo'n klein dorp opvallend veel kerken (orthodox, katholiek, luthers en overig protestant) waren en dat het oudere deel van de kerkgangsters in klederdracht ging. Mooie, grote boerderijen naast onverklaarbaar bewoonde bouwvallen - die dan soms toch weer dubbel glas en sateliettelevisie bleken te hebben. Gloednieuwe Mercedesen naast aftandse Dacia's en Skoda's, en paard-en-wagen. Nauwelijks als zodanig herkenbare winkeltjes ter groote van een huiskamer, volgestouwd met de meest uiteenlopende waren en ook een uit het communistisch tijdperk overgebleven grote winkelhal - bijna leeg.

Na dit bezoek even doorgereden naar een leuk vestingstadje in de buurt (Medias) en na de lunch door een enorme onweersbui weer terug naar het hotel. Een halfuurtje in het zwembad, waar alle andere hotelgasten ook bleken te zijn: staand in het bijna zwarte water. Of, zo ontdekten we, niet eens staand, maar verticaal drijvend zonder te hoeven watertrappen. Het water was zo zout dat je niet eens kon zwemmen, omdat als je horizontaal probeerde te liggen, je benen telkens boven water kwamen.Bij dit alles viel ons op dat het feit dat we nauwelijks een woord Roemeens spreken (en wat we spreken is onbewust: "dank u" is "merci", "rekening" is "nota", "tot ziens" klinkt als "arrivederci" en "goeie dag" als "bon dia") geen probleem was - veel mensen, niet alleen de jongeren, spreken heel behoorlijk Engels en ook met Frans of Duits kun je bij sommigen terecht.

Laatste dag

Het is onze laatste volledige dag in Engeland – morgenavond hopen we op de veerboot terug te zitten. Het is ook de tot nu toe guurste dag: fris, veel wind, zwaarbewolkt. Een groot verschil met gisteren, toen we -tegen de verwachting in, want er was regen en zelfs onweer voorspeld- een heel warm en zonnig bezoek brachten aan een van de leukste Engelse tradities: een land- en tuinbouwshow. Meer precies: de 104th Aldborough and Boroughbridge Agricultural Show bij Newby Hall & Gardens, in de buurt van Ripon. Niet dat we zo enorm geïnteresseerd zijn in (oude) tractoren en andere landbouwwerktuigen, de mooiste koeien of de hengsten die het best achteruit kunnen lopen, maar de feestelijke sfeer is aanstekelijk. En dan – die tractoren, koeien en paarden zijn ook best interessant om te zien, net als de grootste uien, mooiste doperwten en beste stengels koolzaad, of de fraaiste prestaties op het gebied van brood en cake bakken, “schilderen” met macaroni of papier-maché, bloemschikken in “unusual containers” of met één bloem en drijfhout. En ook de demonstratie “Duck herding and sheepdog handling” en de oldtimer auto’s mochten er zijn. Maar het absolute hoogtepunt voor ons was ook dit keer weer de race waarbij honden achter een aan een lijn voortgetrokken lokaas moeten rennen. Eerst een paar races met steeds drie of vier terriërs, die op het eind ook nog eens door een gat in een muur van hooibalen moesten, later nog een met allerlei hondenrassen door elkaar. Het mooiste is dat volstrekt onvoorspelbaar is wat er zal gebeuren, maar wel altijd om te lachen: sommige honden begrijpen pas na een tijdje wat de voorkant van het starthok is, andere komen pas in actie nadat hun concurrenten al meters verder zijn, weer andere worden helemaal niet geacht om mee te doen maar ontrukken zich aan de greep van hun baasjes en een enkele is zo snel dat hij het lokaas daadwerkelijk weet te grijpen of springt er nog even met succes naar als het al twee meter boven de grond gehouden wordt. En een windhond die langzaam op gang komt, vervolgens vaart maakt en al finisht als de rest van het veld nog maar halverwege is, is beslist een fraai gezicht.

We bezochten deze show vanuit Harrogate, een redelijk welvarend stadje in Yorkshire. Een badplaats ook, al ligt het ver van zee: er zijn hier diverse mineraal houdende (warme) bronnen die al eeuwenlang bezoekers trekken omdat ze geneeskrachtig (zouden) zijn. Verder heeft het een aardig centrum, een paar grote parken en 130 restaurants. Plus een monument ter herdenking van het feit dat in 2014 hier de Tour de France begon. We verblijven in een appartement in een redelijk groot herenhuis een stukje buiten het centrum, gevonden via Airbnb. Woonkamer, slaapkamer, keukentje en badkamer – tot voor en jaar geleden bewoond door Paul, die bij zijn vriendin Sarah is ingetrokken en een complete inrichting (waaronder een goed, breed bed) heeft achtergelaten. De bezienswaardigheden hebben we grotendeels al gezien, het restaurant van gisteren beviel goed en dat wat we vanavond probeerden viel tegen - maar we houden nu eenmaal van avontuur.

Voordat we naar Harrogate gingen, waren we nog een weekje in Skipton. Een nog kleiner stadje in Yorkshire (maar 30 km van Harrogate) en met nog minder bezienswaardigheden: een kasteel, een kerk en een kanaal. Maar wel veel winkels en op vier dagen in de week een markt – dat alles toch vooral gericht op de toeristen, van wie velen door het stadje komen (of er via de rondweg omheen rijden) op weg naar de Yorkshire Dales, een populaire vakantiebestemming met veel wandelmogelijkheden van diverse zwaartes. Wij hebben daar geen gebruik van gemaakt, maar ons beperkt tot een aangenaam rondje door het bos achter het kasteel. De overige tijd hebben we vooral doorgebracht met een goed boek op het terras van ons huisje (op de dagen dat het te warm was om te wandelen) of in de woonkamer (op de dagen dat het regenachtig was). Een prettig huisje, trouwens, met een zodanig goed ingerichte keuken dat we niet eens een restaurant hebben bezocht.

Bezoekers kregen we overigens wel. Een paar avonden kwam er aan het begin van de schemering een familie fazanten langs (of eigenlijk waren het twee families die elkaar afwisselden, meenden we te zien): mannetje, vrouwtje en kuiken. Niet bepaald schuw, dus misschien waren ze gewend gevoerd te worden.

Zagen we nog wat cultuur? Ja. Na het museum in Kingston-Upon-Hull waarover we al schreven, in Llandudno een concert door een koor dat zowel klassiek als lichter genre zong en in Harrogate een tentoonstelling van schilderijen, foto’s en beeldhouwwerk van lokale kunstenaars. Van “best aardig” tot uitgesproken goed. Maar dat was het wel zo’n beetje.

Weinig opwindend, dus. En daarom nu nog even terug naar de vraag: hoe gaat het nu eigenlijk met dit land? Tja, voor zover wij daarover iets kunnen zeggen op basis van de waarnemingen die we nu gedaan hebben en die in elk geval in zoverre vertekend zijn dat we geen grote steden bezocht hebben: het hangt er erg vanaf waar je kijkt, en hoe. Zo’n evenement als we gisteren bezochten laat een redelijk welvarend platteland zien, waar de tijd niet zozeer stilstaat alswel eens per jaar stilgezet wordt en de wereld heel klein is (als buitenlanders vielen we er niet op, en de ene mevrouw die vroeg waar we vandaag kwamen was vol complimenten over de Nederlanders die altijd zo vriendelijk en vrolijk waren – we hebben haar maar in die waan gelaten). En eigenlijk geldt dat ook voor stadjes als Harrogate en Skipton, waar je aan een deel van de huizen en winkels kunt zien dat er (veel) geld is. Maar je ziet er ook de armoede: deels aan het winkelaanbod, deels aan de mensen op straat. Veel ouderen hebben het duidelijk niet breed en tussen de winkels met dure merken vind je ook de Poundstretchers en de liefdadigheidswinkels. Wales is duidelijk minder welvarend, en Kingston-Upon-Hull -de grootste stad waar we waren- heeft duidelijk zijn minder welvarende delen. Maar over het geheel genomen doet het VK zich nog altijd aan ons voor zoals we het eerder zagen: een land dat op veel plaatsen in verval is maar niet op de plaatsen die altijd al een redelijke welvaart uit de landbouw verwierven, en met ook overigens grote verschillen tussen rijk en arm.

En de Brexit? We hebben er niet veel mensen over gehoord. De Britten die we kenden en spraken, waren er treurig over. Een enkeling die we niet kenden maar die er toch iets over zei, leek blij dat het VK zich ontworsteld had aan de overheersing van de Fransen. En voor het overige gaat het leven gewoon door, en lijkt het vooral een zaak waarover alleen een beperkt aantal mensen zich (ernstige) zorgen maakt. Maar voor zover dat in het publieke debat komt, gebeurt dat voornamelijk in de marge van de media.

Genoeg, voor nu. Morgen inpakken en dan een ritje van nog geen 150 km. Onderweg nog een of twee stadjes bezoeken, maar die komen dus niet meer in dit blog.

Valkenburg (alweer)

Wie ons reisblog al wat langer volgt, zal zich wellicht afvragen waarom er dit keer zo veel tijd tussen de blogs zit. Hebben we geen internet? Geen zin? Niets te vertellen?

Het eerste was het in elk geval niet - althans niet sinds we ons eerste huisje in Wales verlaten hebben, want daar was internet traag en de Wifi zwak. En dat we niets te vertellen hebben, valt ook wel mee. Al moet gezegd worden dat we zeker geen grootste avonturen beleven. En daarmee komen we op de zin. Waarmee het eigenlijk wel goed zit. Dat wil zeggen, we zijn momenteel heel tevreden met een nogal laag tempo, waarbij we veel op één plek zijn en een groot deel van onze tijd besteden aan de inwendige mens: geestelijk (lezen) en lichamelijk (eten). Waarbij overigens die geestelijke inwendige mens interessanter voeding krijgt dan de lichamelijke, maar dat is logisch. We zijn in Engeland en Wales, per slot van rekening.

Toch zijn er wel wat dingen die de moeite van het vertellen waard zijn. Om te beginnen: de tocht van Devil’s Bridge (waar we de eerste week zaten) naar Llandudno (verblijfplaats tweede week) was in kilometers niet zo lang, maar kostte toch meer uren dan we verwacht hadden. De wegen in Wales zijn niet breed en wel redelijk bochtig, dus je zit zomaar een half uur achter iemand die nooit last heeft van files omdat hij altijd vooroprijdt. Gelukkig werd dat ongemak gecompenseerd door de uitzichten en waren we hem inmiddels voorbij tijdens het mooiste deel van de tocht: het traject door Snowdonia National Park. Het is een van de ruigere berggebieden van dit eiland, overigens zonder dat het heel hoog is (Snowdon, de hoogste berg, is nog geen 1.100 meter). Het is er leeg, maar hier en daar ligt er een stadje. Waaronder Blaenau Ffestiniog, dat midden in het natuurpark ligt maar er zelf, met een ruim gebied eromheen, geen deel van uitmaakt zodat de leisteenwinning ongestoord kan doorgaan. Mooi is het dus niet, maar we vonden het wel leuk om het nu eens te zien terwijl de zon en beetje scheen. De vorige keer dat we hier waren, ruim 30 jaar geleden, regende het voortdurend. Althans, zo herinneren we het ons – maar dat komt misschien omdat we kampeerden.

Nu reden we er slechts doorheen, op weg naar de plaats waar we de tweede week van onze vakantie zouden doorbrengen: Llandudno, aan de noordkust (we stopten voor de lunch nog even in Betws-Y-Coed, maar daar valt echt weinig over te melden – behalve dan dat het er druk was). We kwamen daar vroeg op zaterdagmiddag aan, op wat achteraf bleek ongeveer het drukste moment van de week te zijn. Een file op de toegangsweg en erg veel mensen op de trottoirs van de voornaamste winkelstraat, op de terrasjes en op het strand (met ezeltjes). Inderdaad: we hadden Valkenburg weer gevonden, zij het ditmaal aan zee.

Ons verblijf was een appartement in een ruim 100 jaar oud huis in een rustige villawijk tegen de heuvel. Slaapkamer, badkamer, woonkamer met keukenhoek (onbruikbaar, omdat de afzuigkap niet was aangesloten). Eigendom van een dame die vertelde dat ze bezig was het huis op te knappen en dat ons appartement recent gerenoveerd was. Dat was zeker te zien, maar helaas ook dat het budget kennelijk beperkt was geweest, waardoor veel nu al een wat shabby indruk maakte. Bij het huis een grote tuin, waar we na een verkennend tochtje door de stad fijn konden zitten met een e-book (wat is dat trouwens een geweldige uitvinding voor de vakantieganger) en een glas cider.

Hoewel -of misschien moeten we het zo langzamerhand toegeven: omdat- Llandudno vooral gebouwd is voor het toerisme, is het wel een aangename stad. Een lange boulevard langs het strand van een schiereiland, een pier, een paar brede en wat smallere straten in een ruitpatroon daarachter en vervolgens weer een strand (veel minder druk), grote hotels / herenhuizen uit de tweede helft van de 19e en de eerste decennia van de 20e eeuw, veel restaurants. Met zo’n 20.000 inwoners niet groot, maar ’s zomers lopen er waarschijnlijk meer toeristen rond dan inwoners. Op de kop van het schiereiland een grote (maar niet erg hoge) heuvel, the Great Orme, waarvan de top (met daarop een gebouwencomplex dat in WO II een radarobservatiepost huisvestte) goed te voet te bereiken is, maar ook met een kabelbaan en een kabeltram. Wij namen de laatste. Mooie uitzichten, bij mooi weer tot aan Liverpool en het eiland Man, al kun je van mening verschillen of een veld windmolens in zee echt zo fraai is. Maar ach, zei de eigenaar van een visrestaurant die we daarnaar vroegen: de helft van de tijd zie je ze toch niet, vanwege de mist. Zelf was hij trouwens vooral heel blij met het windmolenpark, want er school daar veel vis en die was dus een stuk makkelijker te vangen. Wat hij op tafel zette was nogal goed, dus wie waren wij om hem tegen te spreken.
Overigens bezochten we nog een goed restaurant, Osborne’s Café & Grill. Dat deden we op aanraden van twee “locals” met wie we een borreltje dronken (vogelaars die we een paar jaar geleden ontmoetten tijdens onze vakantie in Nieuw Zeeland van wie we ontdekten dat ze in Llandudno woonden nadat we besloten hadden daar naartoe te gaan).

We hadden geen behoefte om er veel op uit te trekken, al liet het weer dat de meeste dagen wel toe. Wel wat gewandeld in de directe omgeving, en op twee mooie plaatsen wat verder weg. Op een prachtige zonnige dag maakten we vanaf het schiereiland dat ons tijdelijk verblijf was, een uitstapje naar een ander schiereiland. Dat wil zeggen: Ynys Llanddwyn is in elk geval bij laag tij verbonden met het eiland Anglesey (dat weer met bruggen verbonden is met het vasteland van Wales – voor zover je in dat geval van vasteland kunt spreken, natuurlijk) dus in die zin is het wel een schiereiland. En het had zelf ook weer een schiereilandje waar we naartoe gewandeld zijn, dus …. Nou ja, belangrijkste: het leverde een prettige wandeling van een uur of twee op met veel mooie uitzichten, vooral op de bergen van Snowdonia.
Op een wat bewolktere dag bezochten we Bodnant Garden, een formele tuin, een romantische tuin en een park bij het landgoed Bodnant. Ook mooi, smaakvol aangelegd en fraai beplant, zelfs met forse seguoia’s, maar helaas niet meer zo in voorjaarsbloei. De beroemde tunnel van goudenregen is dan vast indrukwekkend.  Al waren er nog genoeg pollen in de lucht om een sluimerende hooikoorts heel virulent te maken.

Waar we natuurlijk nog wel wat aan gedaan hebben, is ons afvragen hoe het nu eigenlijk gesteld is met het Verenigd Koninkrijk en zijn inwoners. Het blijft ingewikkeld. Ook in Llandudno is de eerste indruk die je krijgt er een van vervallen glorie, nette armoede en zo nu en dan opzichtig vertoon van rijkdom. Maar misschien komt dat omdat de schoolvakanties nog niet begonnen zijn en (daardoor) het straatbeeld bepaald wordt door ouderen. En als je die ziet, krijg je niet de indruk dat de pensioenen hier hoog zijn. Wat je ook ziet, zijn de tekenen van een ongezond leven. Vooral erg veel mensen met (ernstig) overgewicht.
Tegelijkertijd toch ook, vooral tijdens de weekends, heel wat mensen die het duidelijk beter gaat. Net wat beter gekleed en ook wat te besteden aan attracties, eten en drank. In de winkels opvallend veel mensen van boven de 40 achter de kassa en als vakkenvuller – zou er hier niet een lager minimumloon voor jongeren bestaan? Of zijn er hier gewoon minder jongeren?
We zijn er nog niet uit

Y Gwyll

Wie de serie Hinterland (in het Welsh: Y Gwyll, en dat betekent dan weer “de schemering”) heeft gezien, moet haast wel de indruk hebben gekregen dat het in Wales heel vaak en veel regent. Dat sluit ook aan bij onze eigen herinnering van inmiddels zo’n 35 jaar oud, toen we er midden in de zomer kampeerden: koud, nat, winderig. We hoefden er dan ook niet lang over na te denken toen we, mede door de prachtige landschappen die we in die serie ook te zien kregen, geïnspireerd werden weer er eens een vakantie door te brengen: dat gingen we niet in onze tent doen, maar in een huisje.

We zaten een week middenin dat decor van Hinterland, en het heeft inderdaad elke dag geregend. Vooral ’s nachts, waarna het overdag snel droog werd en vaak ook helemaal opklaarde. We hebben dan ook bijna elke dag wel kunnen wandelen en een aantal keren ook kunnen eten op ons terras – deels in de stralende zon, bij temperaturen van tegen de 20 graden.

Onze cottage stond in de buurt van de locatie die een belangrijke rol speelt in de eerste aflevering van het eerste seizoen en het hele derde seizoen van Hinterland: Devil’s Bridge (of Pontarfynach), een dorpje op de plek waar de rivier Mynach uitmondt in de bredere Rheidol. Belangrijkste attractie: de drie boven elkaar gebouwde bruggen over de Mynach en een ca. 100 meter hoge waterval in die rivier. Plus een smalspoortreintje, ruim honderd jaar geleden gebouwd om toeristen uit de badplaats Aberystwyth hierheen te brengen (maar misschien ook wel vanwege de mijnbouw die in deze omgeving floreerde). In Devil’s Bridge is naast wat op toeristen gerichte activiteit (een hotel met -redelijk goed- restaurant, een camping, een souvenirwinkel) niet veel te vinden – zelfs geen pub. Lekker rustig wel, al betekende het dat we voor inkopen tenminste een halfuur moesten rijden: naar Aberystwyth (redelijk wat winkels) of naar Rhayader / Llansantffraed-Cwmdeuddwr (een kruidenier, een slager en nog een beetje meer). Geen probleem – de wegen zijn rustig en breed zat (naar Aberystwyth) of smal maar mooi gelegen (naar Rhayader). En halverwege op de weg naar Aberystwyth ligt de Halfway Inn, een pub waar wij gegeten hebben aan hetzelfde tafeltje waar de hoofdpersoon uit Y Gwyll een ansichtkaart in handen krijgt die de sleutel blijkt te zijn in een van de mysteries die hij moet oplossen.

Bijzonder mooi vonden we de uitstapjes die we maakten naar een aantal grote waterreservoirs in de bergen, ontstaan door de aanleg van stuwdammen. Die in de Elan Valley zijn zo’n 120 jaar oud en werden aangelegd ten behoeve van de watervoorziening van Birmingham, 117 km verderop. De meren liggen fraai in het ruwe landschap, dat op een minder zonnige dag dan dat wij er waren overigens bijzonder desolaat moet zijn. De dammen zelf zijn interessante en redelijk fraaie bakstenen bouwsels.
Dat geldt iets minder voor de dam van het Nant-y-Moch stuwmeer, die zo’n 50 jaar geleden werd gebouwd om elektriciteit op te wekken. Maar het meer ligt wel weer erg mooi, in een misschien nog wel wilder berggebied (waarbij je je overigens geen hoge en scherpe toppen moet voorstellen, maar meer een glooiend terrein). Op allerlei punten weidse vergezichten, waarbij het voor je appreciatie ervan uitmaakt of je windmolens horizonvervuiling vindt of bewonderenswaardige staaltjes technologie.

Wat we natuurlijk niet konden overslaan, was een wandeling bij Devil’s Bridge, en in het bijzonder langs de waterval. De man die ons de kaartjes verkocht, keek ons eens goed aan en suggereerde dat we wel in aanmerking kwamen voor het senior-tarief. Dat bleek vanaf 60 jaar te gelden, dus: ja. Nadat we betaald hadden, wees hij ons erop dat we de volledige wandeling wel zwaar zouden kunnen vinden – 700 deels forse treden op dan wel af. Maar ach, “u kunt ook alleen het eerste stukje doen”. Het bleek een goede aansporing, want zelfs bij de bijzonder steile “Jacob’s Ladder” waar we een stuk met ruim 100 treden af moesten, zetten we door. Waarna de klim aan de andere kant van het water eigenlijk wel weer meeviel. Hoe dan ook: het was de moeite waard. De waterval is niet breed, maar wel imposant en de omgeving is lekker ruig.

Aberystwyth, ten slotte, is een stadje zoals we er meer gezien hebben: eens een echte toeristentrekker, nu vooral in verval. Een pier en hotels aan de boulevard die betere dagen hebben gekend, verwaarloosde gebouwen, een schraal winkelaanbod (maar wel voldoende als je geen te hoge eisen stelt). Waarmee ook hier de vraag zich opdrong: hoe gaat het eigenlijk met dit land? Maar daarover later meer.

Hull is never dull

Een winkelcentrum dat dertig jaar geleden heel modern was, om negen uur op een donderdagochtend. We stopten er kort na onze aankomst in Hull even omdat er een parkeergarage was en we er een kopje koffie wilden drinken om de tijd stuk te slaan voor we bij onze eerste bestemming terecht konden. Deprimerend. Weinig klanten – maar dat was rond lunchtijd al wat anders. Veel lege winkelruimten. Daartussen outlets van merken die bij ons vorige bezoek aan Engeland -meer dan vijf jaar geleden- nog redelijk mooie dingen hadden maar nu vooral allerlei onaantrekkelijks. Winkels met prullaria voor één of twee pond, aangeprezen als ideaal om cadeau te doen. Andere met juist weer misplaatst dure schoenen. En dan toch nog een enkele zaak die ons wel aansprak en waar we in de uitverkoop een paar aardige zomerschoenen vonden.

Maar goed, daar kwamen we niet voor. Wel om een kijkje te nemen in de naast dit winkelcentrum gelegen Ferens Art Galery. Niet omdat we daar eerder van gehoord hadden, maar gewoon omdat het kon. Het bleek een opmerkelijk mooi museum te zijn. Een oud, klassiek gebouw, net gerenoveerd. Een brede collectie -van Italiaanse Renaissance via Nederlands-Vlaamse Gouden Eeuw naar Brits hedendaags. Plus, te leen uit de National Galery, een heel fraaie Rembrandt en een tentoonstelling met als thema “Skin”. Een paar van de rauwe schilderijen van Lucian Freud tegenover de vervreemdend realistische werken van beeldhouwer Ron Mueck, met daar omheen weer de bijzondere foto’s van Spencer Tunick die hele mensenmenigten naakt liet poseren in en rond Hull.

Maakte dit museum de slogan “Hull is never Dull” dus waar, in de rest van de stad was op deze druilerige donderdagochtend weinig te merken van het feit dat Hull momenteel de culturele hoofdstad van Engeland is. Rond de binnenstad een ring van grauwe huizen en bedrijfspanden die in alles jaren van economische achteruitgang lieten zien, en daarbuiten een ring van (half) vrijstaande  huizen aan groene lanen waarbij je ook niet het gevoel had dat je hier echte welvaart zag.

Dat was dan weer wel het geval in het nabijgelegen Beverley, een klein marktstadje met een grote kathedraal en daarnaast een park met monumenten voor de vele gevallenen in de twee grote oorlogen van de vorige eeuw (en de oorlogen waar Engeland daarna bij betrokken was). Huizen en winkels in het centrum goed onderhouden, daarbuiten nauwelijks zichtbaar in de grote tuinen. In de kathedraal deden we waar we vroeger een beetje om meesmuilden als we het in de reisgidsjes (die groene van de ANWB) als aanbeveling zagen staan: we bewonderden het houtsnijwerk van de middeleeuwse kerkbanken en de beschilderde plafonds. En we zagen het in witte steen uitgesneden konijn dat Lewis Caroll (en via hem Jefferson Airplane) inspireerde.

Nog een kopje thee en toen echt op weg: eerst verder naar het noorden en vervolgens door de North Yorkshire Dales en Moors naar het westen. Bestemming: het nabij Carlisle gelegen gehucht Beaumont waar we twee nachten logeerden bij vrienden die daar wonen in een cottage, ongeveer op de plek waar Hadrian’s Wall zijn westelijke uiteinde had. Het zou dus zomaar kunnen dat in hun huis stenen uit die muur verwerkt zijn, maar aan die mogelijkheid hebben we minder aandacht besteed dan aan hun en ons wel en wee sinds de vorige keer dat we elkaar zagen. Waarbij, naast de zegeningen van het gepensioneerd zijn (en de laatste loodjes daaraan voorafgaand) en de Brexit, vooral “The wedding” (van hun dochter, die we al sinds haar geboorte kennen) een onuitputtelijke bron van verhalen bleek.

Een bezoek aan Judy en Ian is niet compleet zonder een (stevige) wandeling, en die was dan ook gepland voor de vrijdag. Nou ja -stevig- ze hadden uit ons relaas over vervangen heupen iets teveel de indruk gekregen dat onze conditie niet optimaal is. Daarom werd het een wandeling van minder dan 10 kilometer en geheel over vrijwel vlak terrein: een rondje Buttermere (in het Lake District). Gecombineerd met een bezoekje aan Cockermouth, een redelijk welvarend stadje met een opmerkelijk gevarieerd winkelaanbod (nauwelijks van landelijke ketens). In een antiekzaak vond Ian daar voor ons een Ordnance Survey kaart van het gebied rond Snowdonia, in de buurt van onze volgende bestemming. Uit 1953 weliswaar, maar wat verandert er nu in die tijd?

Dat, en meer, in onze volgende blogs.