Marian en Max zijn even weg

Verhaal van twee steden

“Ik ben nu 78, maar ik voel me veel ouder”. We konden het ons voorstellen, want wat de dame naast ons in een restaurant in Riga ons net verteld had over haar leven, was wel indrukwekkend. Geboren in Riga, als dochter van “etnische Duitsers”. Met haar moeder gevlucht voor het oprukkende Rode leger, tot in Duitsland. Daar als “displaced person” vijf jaar in een vluchtelingenkamp gezeten, en toen opgenomen door Australië. Nou ja – opgenomen: eerst weer vijf jaar in een kamp. En nu was ze met haar zoon voor de tweede keer terug in Letland, om via archieven en een paar nog levende verre familieleden iets te achterhalen over haar verleden en dat van haar ouders. Moeizaam, want ze sprak en las wel wat Lets, maar die officiële documenten waren toch wel erg moeilijk te begrijpen. En het was allemaal zo anders dan in Australië, en ook dan 25 jaar geleden toen ze voor het eerst terug was geweest. Zoveel drukker, en zoveel minder vriendelijk. Haar zoon had zo zijn eigen problemen. Hij hielp haar graag, zei hij, maar hij zag er als een berg tegenop om een auto te huren zodat ze nog een paar mensen wat verder weg konden bezoeken. Rechts rijden en de rotonde in de juiste richting nemen – zou hij dat wel kunnen?

Het verhaal over die vlucht voor het Rode leger deed ons direct denken aan de verhalen die we een paar dagen eerder hadden gehoord in een documentaire die getoond werd in het KUMU, het nationale museum van Estland in Tallinn. Mensen van haar leeftijd en ouder vertelden over hoe ze als kind na de nazi-bezetting door de Russen met hun ouders waren gedeporteerd naar Siberië. En daarvandaan waren ze op de een of andere manier teruggekomen. Sommigen nadat ze wees waren geworden, sommigen gestuurd door hun ouders die hadden gehoord dat de kinderen terug mochten. Hele einden lopend, liftend, hangend aan of zittend op de daken van treinen. Soms geholpen door mensen die ze onderweg tegenkwamen, soms opgejaagd. En altijd beschadigd – fysiek door een val van de trein of geestelijk door de ervaring.

Het zijn van die persoonlijke verhalen die je raken en die je doen beseffen hoeveel het uitmaakt of mensen handelen vanuit medemenselijkheid of als deel van een systeem, vanuit een ideologie die categorieën mensen hun menselijkheid afneemt door ze te labelen als klassevijanden, nazi’s, joden, gelukszoekers, “zij”. En het is gek, eigenlijk, hoezeer je je dat realiseert als je hier rondloopt in de oude steden, terwijl in ons eigen land die geschiedenis ook voor het oprapen ligt. Maar misschien komt dat wel omdat juist de Baltische staten in hun huidige vorm nog zo jong zijn -nog geen 30 jaar- en dat er veel geïnvesteerd wordt in het opbouwen van een nationale identiteit en in het kader daarvan vertellen van de geschiedenis.

Dat vertellen van een nationale geschiedenis was onderwerp van een tentoonstelling in een ander museum in Tallinn, het Kadriorg-paleis (een passende plek, omdat dit paleis zelf gebouwd werd in het kader van Tsaar Peter de Grote’s project om van Rusland een Europese natie te maken). De tentoonstelling ging over Deense schilderkunst en toonde vooral de schilderijen uit het begin van de 19e eeuw (de Deense “Gouden eeuw van de schilderkunst”) en hoe die een eeuw later werden geïnterpreteerd als deel van de Deense nationale identiteit. Interessant, zeker als je je realiseert hoe sommige onderwerpen -denk aan zeeslagen en de protestantse levensstijl- ook in de Nederlandse schilderkunst een belangrijke rol spelen. Maar ook de vaste collectie van vooral wat oudere kunst en het gebouw zelf maakten het bezoek zeer de moeite waard.

Datzelfde gold, misschien nog wel in sterkere mate, het al genoemde Kumu. Een erg mooi modern gebouw, niet te opdringerig ingepast in het park – hoewel dat een beetje afhangt van welke kant je het benadert. Binnen vooral moderne en hedendaagse kunst uit Estland, waar we een paar uur tussen konden lopen zonder echt vermoeid te raken- zo verrassend of interessant was het telkens weer. Modeontwerpen en kapsels die de drager of draagster forse problemen zouden opleveren in het openbaar vervoer in Nederland, een filmmontage die ons deed terugdenken aan Monty Python’s Flying Circus, de al genoemde video’s van mensen die als kind naar Siberië waren gevoerd, een zaal met gebeeldhouwde hoofden, schilderijen uit de sovjet-tijd en de reactie daarop, beelden, bezoekers in uitdossingen die je alleen in musea (vooral die voor moderne kunst) ziet …

Vergelijkbaar en toch weer heel anders was het Letse museum voor de schone kunsten in Riga. De vorige keer dat we er waren, alweer vier jaar geleden, konden we dat niet bezoeken omdat het gebouw –een ruime eeuw oud- werd gerestaureerd. Die restauratie heeft ook weer een gebouw opgeleverd dat op zichzelf al het bekijken waard is, zowel vanwege de oorspronkelijke art nouveau details en de immense houtconstructie in de koepel als het dakterras en de glazen vloer van de ruimte voor tijdelijke exposities. Maar het draait natuurlijk om de collectie. De bestaat hier uit werk van Estse kunstenaars, over een periode van ruim twee eeuwen. Ook hier weer alles tussen niet zo geslaagd tot bijzonder mooi, een beetje saai tot heel spannend en ontroerend tot grappig. Dat gold overigens ook voor de tijdelijke tentoonstelling met werken van de schilderes Hilda Vïka: vooral vrolijk en kleurig (en een beetje naïef) met daartussen ineens dat ene schilderij van de arrestatie, in het Sovjet-tijdperk, van haar echtgenoot. Somber, dreigend, pijnlijk. En dan in haar levensbeschrijving de mededeling dat ze zich daarna de beginselen van socialistisch realistische methode moest eigen maken om als kunstenaar te kunnen blijven werken.

Nou, tot zover weer de boodschappen. Nog even wat feitjes en weetjes, over Tallinn om te beginnen. We hadden er een spiksplinternieuw appartement in een buitenwijk vlakbij de haven waar de enorme veerboten naar Stockholm en Helsinki aanleggen. Heel ruim en comfortabel, maar nogal karakterloos. Een half uurtje lopen van de oude binnenstad, waar de geschiedenis nog zeer aanwezig is – net als de hedendaagse toerist. Een eindje verder ligt dan de imposante Russisch-Orthodoxe kathedraal (ook drukbezocht) en weer wat verder een aangenaam rustige en groene wijk met veel houten huizen. Vlak daarachter het zeevaartmuseum (van een bezoek daaraan is het niet gekomen, maar de schepen eromheen waren ook de moeite waard) en het gevangenisachtige zeefort. En dan, op de terugweg langs de kust, de megalomane Linnahall (een congres-, sport- en muziekhal die ook als fort dienst zou kunnen doen) uit het sovjet-tijdperk.
We hadden er het grootste deel van de twee dagen dat we er waren mooi weer – alleen op de avond dat we in de binnenstad in een restaurant gingen eten (Pegasus, modern en goed – we aten er gebakken octopus) barstte er net toen we binnen waren een enorme stortbui los. Maar die was weer voorbij toen wij klaar waren om naar ons appartement terug te gaan.  

In Riga begon een vergelijkbare stortbui toen we terug naar ons appartement liepen vanaf het museum, maar dat was gelukkig maar een heel kort stukje. Het appartement lag namelijk zeer centraal in de binnenstad, met uitzicht op het nationale monument (en dus ook op de erewacht die daar dagelijks tussen tien en vier staat, zeer strak in de houding of de benen strekkend in een exercitie die ook alweer aan Monty Python doet denken). Hier trouwens wel wat sfeer, vooral omdat we in een wat ouder gebouw zaten (het appartement zelf was wel recent gerenoveerd). Van de stad hebben we verder niet zoveel gezien, behalve de markt in de ook weer uit de sovjet-tijd stammende markthallen.

Over de rit van Tallinn naar Riga valt niet veel meer te zeggen dat hij lang was (nou ja, ruim vier uur) en een beetje saai, ondanks het drukke verkeer. Geen zicht op de zee, trouwens, terwijl de weg voor een groot deel vlak langs de kust loopt.

Vertrouwd en toch anders

Het landschap, de planten, de mensen – het ziet er heel vertrouwd uit en het is toch net een beetje anders dan in Nederland. Of Canada, Duitsland, Zweden, of zelfs Finland en Polen. En daar liggen ze toch tussenin: Letland en Estland, de twee Baltische staten waar we de afgelopen dagen doorheen reden, waar we wandelden, boodschappen deden, aten en sliepen.

Vertrouwd voelt het als je op een mooie tweebaansweg door de bossen rijdt of tussen weilanden en akkers. Dat zou ook op de Veluwe kunnen zijn, of in Drenthe. Alleen zou dan het uitzicht na vijf minuten wel weer veranderen, en zou je vrijwel zeker (veel) andere auto’s zien. Hier niet. Het is niet zo uitgestrekt als Canada, Zweden of Finland, maar de bossen en landbouwterreinen zijn wel een stuk groter dan in Nederland. En die tweebaansweg met weinig verkeer is wel de snelweg – althans, de hoofdweg tussen de grootste plaatsen, want bij een maximumsnelheid van 90 km per uur is “snelweg” misschien niet het juiste woord. Rond de relatief grote steden als Riga en Tallinn is het trouwens wel wat meer alsof je in Nederland bent: vierbaanswegen waarop het redelijk druk is, en soms, de stad in, een heuse file waardoor je 20 minuten doet over een stukje van twee kilometer. Waarbij het wegdek dan overigens ook niet noodt tot snel rijden, maar dat terzijde.

Wat echt wel anders is, zijn de huizen. Zowel op het platteland als in de steden zie je veel houten huizen. Sommige een beetje armoedig, maar ook heel grote en mooie. Daarin doet het hier het meest aan Scandinavië denken. Echte baksteen zie je hier niet zoveel (maar zit misschien onder het pleisterwerk) en de echte nieuwbouw is zoals bijna overal in het Westen: veel glas, soms wat bijzondere vormen. Zo verbleven we in Tartu in een appartement in een 22 verdiepingen hoge toren waarvan de woonlagen in een spiraal waren gebouwd (hij heet dan ook Tigutorn, oftewel slakketoren) en de kamers dus wat vreemde vormen hebben omdat ze aan de raamkant veel breder zijn dan aan de kant van de hal. Toch waren er hier en daar nog wel wat rechte hoeken, en het geheel was zeer ruim en best comfortabel (en het uitzicht zou mooi geweest zijn als we wat hoger hadden gezeten).
Opvallend zijn sommige dorpjes. Uitgestrekte landerijen, heel grote gebouwen waar kennelijk de oogst wordt verwerkt of opgeslagen en voor de mensen volstrekt uit de toon vallende flatgebouwen – drie of vier verdiepingen hoog, grijs beton en half vervallen. Ze deden ons nog het meest aan Cuba denken en ze zullen dus wel afkomstig zijn uit het Sovjet-tijdperk. Trouwens, ook in de steden zie je wel van die groots opgezette appartementencomplexen uit de periode tussen 1945 en 1990 waar je eigenlijk een hamer en sikkel op verwacht.

En de mensen? Dat is wat moeilijk te zeggen, want er zijn relatief veel toeristen. Maar je ziet wat meer van dat hele witte haar – echt Scandinavisch. En verder is het een Noord-Oost Europese mengelmoes, met wat minder mensen uit andere delen van de wereld dan in West-Europa. Meer mensen uit de voormalige Sovjet-republieken (je vindt hier onder andere Russische, Georgische en Oezbeekse restaurants en veel informatiepanelen in musea en bij monumenten etc. zijn behalve in het Lets of Ests ook in het Russisch). De kleding loopt uiteen van redelijk armoedig naar goed verzorgd modern (skinny jeans, vrolijke jurkjes) of meer traditioneel (linnen, borduursels). Er wordt redelijk wat gefietst en in de steden zie je ook de (elektrische) steps. Er zijn (in de grotere steden) grote tot enorme markten (deels overdekt) waar je ook kleine stalletjes vindt waar mensen kennelijk hun eigen producten verkopen (groenten, fruit, ingemaakte augurken in uiteenlopende smaken), kleine winkeltjes en grote supermarkten. In een van die supermarkten -een soort Lidl of Aldi- zagen we een interessant fenomeen: voor de twee kassa’s die open waren stonden flinke rijen, waarop er niet een extra kassa openging, maar er een gesloten werd (het was kennelijk lunchpauze). En iedereen die daar stond te wachten sloot zich zonder morren achter aan de rij aan van de kassa die openbleef (wij hadden het geluk daar al te staan).

Zomaar wat dingen die ons opvielen, natuurlijk, gebaseerd op een paar dagen hier. Maar waar was dat “hier” dan precies? We begonnen onze reis op het vliegveld van Riga. Modern, niet te groot en niet te druk. De bagage dus binnen een half uur van de band, en ook het ophalen van de auto ging vlot. Een Volkswagen Polo – dat voelt een beetje alsof we weer in ons tweede of derde Golfje rijden. Fijn ook dat hij zo’n grote bagageruimte heeft, want we nemen nog steeds teveel mee.

De eerste nacht verbleven we in een hotel in Sigulda, een plaatsje in Letland ten noordoosten van Riga. Dat betekende dat we door Riga heen moesten, want een rondweg is er niet (of in elk geval, die kende ons navigatiesysteem niet). Dat kostte redelijk veel tijd, maar het voordeel was dan weer dat we de gelegenheid hadden om even in een modern winkelcentrum rond te kijken en wat dingetjes te kopen. In het -moderne- hotel hadden we een kleine kamer, maar er stonden wel goede bedden. Een was “spa”, met sauna, stoombad, Jacuzzi, en diverse baden, van ijskoud tot net wat te warm. Een restaurant waar we best goed gegeten hebben, en een grote tuin met “Lovers’ Walk” tussen allerlei planten die we zelf ook in de tuin hebben staan.

De volgende ochtend een kort bezoekje aan een van de bezienswaardigheden van Sigulda, een kasteel. We hebben ons beperkt tot de buitenkant en een wandeling gemaakt in het naastgelegen bos. Dat zou de kasteelvrouwe ook gedaan hebben, dachten we. Handig, trouwens, dat we ergens zagen dat het meest gekochte souvenir in Sigulda een wandelstok is, gemaakt van een boomtak en ter plekke beschilderd. Die hebben we nu dus ook.

Na de wandeling de auto in, op weg naar Tartu – de tweede stad van Estland. Eerst een stukje door het nationale park ten noorden van Sigulda, daarna door landbouwgebied en productiebossen. Lunch (salades en pannekoek met zalm en zure room) in Valmiera – best een leuk stadje, zo te zien. Bijna ongemerkt de grens over – het is dat er camera’s en borden stonden. Vlot doorgereden naar Tartu, maar daar kostte het dus nog flink wat tijd tot we bij ons appartement in de Tigutorn waren. In een supermarkt wat kant-en-klaar eten gekocht, dat niet bijzonder lekker was maar wel voedzaam.

De volgende dag een uitgebreide -meer dan 15 km- stadswandeling. Eerst over de markt, daarna door de oude stad en over de heuvel waar de oorspronkelijke universiteitsgebouwen staan: een observatorium, het anatomisch theater. En de overblijfselen van de kathedraal, die overigens al in de 17e eeuw -na de beeldenstorm- in verval raakte. Daarna nog even gekeken in de botanische tuin, waar we ook weer vooral bekende planten zagen. De oude stad ziet er trouwens bijna overal goed opgeknapt uit; het enige deel dat duidelijk (nog) in verval was, was de Russisch-orthodoxe kerk en wat gebouwen eromheen. Een extra is dat er vrij veel kunst te vinden is in de openbare ruimte: standbeelden (ter ere van nationale helden en beroemde professoren, maar ook van niet bij name genoemde zoenende studenten in een fontein) en een paar enorme muurschilderingen. Aangenaam weer en een ontspannen sfeer -typisch een universiteitsstad tijdens de zomervakantie, als de studenten bijna allemaal naar huis zijn en zo plaatsmaken voor de toeristen- dus dit beviel ons zeer.  

De volgende dag weer in de auto, naar Tallinn. Niet de kortste weg, maar een grote boog over steeds smaller wordende wegen door het noordoosten van het land. Hier zagen we voor het eerst die dorpjes die ons aan de sovjet-tijd deden denken. Heel rustig op de weg, wat vooral fijn was toen we in een enorme hoosbui terechtkwamen. Die duurde gelukkig niet lang, zodat we nog even onze geplande wandeling konden maken over de houten vlonders door het veengebied van Viru Raba. Een mooi uitzicht vanaf de uitkijktoren die halverwege staat.

Ten slotte nog het laatste stukje van de reis over een echte snelweg, eerst nog door het natuurpark waar Viru Raba in ligt maar later door een Bijlmer-achtige buitenwijk van Tallinn. En waar we toen terecht kwamen, vertellen we in ons volgende blog.

Regen

Jullie hadden nog een verhaal van ons tegoed, over de laatste paar dagen van onze vakantie in Frankrijk – nu alweer twee maanden geleden. Daar zit natuurlijk niemand op te wachten, maar omdat belofte schuld maakt, doen we het toch nog even.

We sloten ons vorige verhaal af in Roussillon dat we niet zo interessant vonden, en kondigden aan dat we nog iets zouden vertellen over ons bezoek aan Le Colorado Provencal, een gebied waar zand en rotsen allerlei kleuren hebben tussen lichtgeel en diep-oranjerood en waar wind en water heel grillige vormen uit die rotsen hebben gesleten. Inderdaad een beetje zoals we dat ook ooit gezien hebben in Bryce en Zion National Parks in Utah (dus niet Colorado), maar op een bescheidener schaal. Minder weidse vergezichten dus, maar dat maakt het niet minder interessant en mooi. We hebben er dus flink wat foto’s gemaakt. En eigenlijk is die geringe omvang ook wel heel prettig, want nu konden we tijdens een betrekkelijk korte stop tijdens onze rit van Bonnieux naar Forcalquier nog een redelijk deel van dit gebied bewandelen.
Een tweede, wat minder bijzondere, tussenstop was bij de Jardin de l'abbaye de Valsaintes. Van het klooster zijn slechts de kapel en de mooi aangelegde en goed onderhouden tuin te bezoeken, maar dat was ook genoeg. In de tuin zagen vooral veel soorten rozen, die begin juni nog uitbundig bloeiden. Een ruim uitzicht over de omringende velden en in de verte de bergen maakten ook dit weer de moeite waard.

Over heel smalle weggetjes, die we wat minder vaak zien sinds we op ons navigatiesysteem rijden en eigenlijk nauwelijks meer zelf onze route op de kaart uitstippelen, kwamen we uiteindelijk in Forcalqier, onze laatste verblijfplaats. De villa St Marc waar we een kamer hadden ligt net buiten het centrum op een heuvel, zodat je vanaf het terras over de grote tuin met oprijlaan een mooi uitzicht over de oude daken hebt, met daarachter weer de heuvel waarop de Notre Dame de Provence ligt, een kleine zeshoekige kapel. Een bijzonder verblijf wel weer: de villa zal zo’n 150 jaar oud zijn en was volgens de oorspronkelijk Italiaanse eigenaresse lange tijd een wat eenvoudig hotel geweest (met een gemeenschappelijk wasruimte en maar één toilet, voegde ze er vol afschuw aan toe). Zij had er een redelijk mooie bed & breakfast van gemaakt, met meubilair van rond de vorige eeuwwisseling met wat uitstapjes naar Art Nouveau. De bedden leken dus wat minder geschikt voor lange mensen, maar dat was niet echt een probleem voor ons.

Forcalquier is een levendig klein stadje (of groot dorp) dat kennelijk redelijk wat toeristen trekt. Wij waren er toevallig tijdens het landelijke (of mondiale?) treffen van “monocyclistes”, zodat we regelmatig bijzonder uitgedoste mensen -hele families soms- op eenwielertjes door de straten zagen schieten – en ’s avonds, op hun fietsen, dansen op het plein voor het gemeentehuis. En we mochten er getuige zijn, op zaterdagochtend, van het eerbetoon aan de gevallenen, waartoe op datzelfde plein een stoet werd samengesteld van hoogwaardigheidsbekleders met sjerpen over hun zondagse pak of smaakvol jurkje, militairen in vol tenue, veteranen met vaandel en politiemensen en brandweerlieden in hun mooiste uniform. Voorafgegaan door vaandeldragers en een trompetter vertrokken ze naar het kleine monument, nagekeken door de mensen op de omliggende terrassen die hun ochtenddrankje er niet voor lieten staan.
Veel bijzonders hebben we hier niet gedaan: een bezoekje aan een galerie waar plaatselijke kunstenaars exposeerden, de steile klim naar de Notre Dame de Provence waarvandaan we ook weer een heel fraai uitzicht hadden en natuurlijk nog tweemaal lekker eten – een keer op het terras van een hippe wijnbar waar we ons afvroegen of uit de donkere wolken die we over de bergen aan zagen komen regen zou vallen en een keer op het terras van een wat klassieker toeristisch restaurant waar een paar verkoelende druppels eigenlijk wel welkom zouden zijn geweest. Overigens was het eten daar beter, en de wijn ook.

De regendruppels kwamen de volgende ochtend. Een paar al tijdens het ontbijt op het terras, maar dat was niets vergeleken met de stortbui die losbarstte toen we net wegreden voor de eerste etappe van onze thuisreis. Dat duurde gelukkig niet zo lang, maar het grootste deel van de rit -we kozen de route door de bergen, via Grenoble- was het op zijn minst druilerig, dus van het hier en daar wel heel mooie landschap hebben we wat minder gezien dan we hadden gehoopt. Echt hard regenen ging het weer toen we Lyon binnenreden, onze eerste tussenstop. De oude binnenstad schijnt erg mooi te zijn en aan Parijs te doen denken, maar die hebben we gemist. We hadden een hotel geboekt op La Confluence, de landpunt bij de samenvloeiing van de Rhône en de Saône. Vroeger een haven- en industrieterrein, nu een gebied wat kennelijk hip moet worden, met nieuwe kantoorgebouwen in opvallende stijl en kleur en tot tentoonstellings- en festivalruimte omgebouwde enorme graansilo’s. Ons hotel paste hier perfect tussen: aan de buitenkant een roestbruine metalen “schil” om een betonnen bunker, binnen nogal “industrieel” ingerichte kamers waarvan slechts het bed echt comfortabel was. Maar goed, daar kom je ook voor. Wel fijn, trouwens, dat het inmiddels weer goot, want daardoor ging de geplande rooftop-party vlak onder ons balkonnetje niet door. En dat we vanwege het weer geen zin hadden om ergens een restaurant te zoeken bleek geen probleem, want in het hotel konden we lang niet slecht eten. En kijken hoe pizza’s werden gebakken in een enorme oven met een draaiplateau, dat met een zodanige snelheid draaide dat een pizza na 360 graden klaar was. In het begin van de avond was het een tijdje redelijk droog, zodat we toch nog maar een wandelingetje in de omgeving gemaakt hebben. Restaurants bleken er niet te zijn, maar wel veel elektrische stepjes die her en der simpelweg midden op de trottoirs waren achtergelaten, alsof de berijders in het niets waren opgegaan. De verklaring zal wel prozaïscher zijn, iets met lege accu’s en een verhuurder die ze wel weer komt ophalen of zo.
We hadden onze tussenstop in Lyon gepland, omdat we een enthousiaste aanbeveling gekregen hadden om het Musée des Confluences te bezoeken. Daar waren we niet de enigen, bleek al snel: voor de kaartverkoop stond een forse rij en binnen was het op sommige plekken echt in dichte pakking schuifelen langs de tentoonstellingen. Ach ja – op een drijfnatte eerste pinksterdag moet je met je kinderen toch ergens naartoe, schenen alle ouders uit Lyon en omstreken gedacht te hebben. En dan is dit museum waarschijnlijk inderdaad een goede keuze, want zowel de vaste collectie als de wisselende tentoonstellingen bieden veel waar je met grote ogen naar kunt kijken zonder je erg te hoeven verdiepen in het verhaal achter wat je zag – want dat was er niet, of werd in elk geval niet verteld. In één zaal zagen we een auto uit het begin van de 20e eeuw (waarom deze?), de eerste deeltjesversneller (hoe werkt die dan?) en Japanse en Chinese traditionele kleding (waarom hier?), in een andere een nogal willekeurig samengestelde verzameling opgezette dieren (waarvan overigens de wand met kevers wel het mooist was, vanwege de zorgvuldige rangschikking op kleur en grootte). Dat er in Nepal en Tibet veel verschillende volkeren (of stammen?) leven met bijzondere en zeer uiteenlopende gebruiken weten we nu ook, maar de belangrijkste ervaring in de zaal waar we die kennis opdeden was eigenlijk die van een drukte die ons vergelijkbaar leek met de foto die we rond die tijd zagen van de file van bergbeklimmers op weg naar de top van de Himalaya.

De volgende dag begon nog steeds erg nat, wat het rijden op de snelweg vrij vermoeiend maakte. We namen de wat rustiger route langs de Jura, maar hebben niet echt van het uitzicht kunnen genieten. Bijna ook niet van een lunch, want het idee om niet in een heel druk wegrestaurant wat te eten leidde weer tot een zoektocht, die eindigde in een restaurant dat bijna ging sluiten maar waar voor ons nog wat worstjes op het vuur gegooid konden worden. Niet onsmakelijk, en toen we weer buiten kwamen was het zo goed als droog, wat het verder ook bleef.
De avond en nacht brachten we door in Nancy, waar we een mooi appartement in het oude centrum hadden geboekt, op een steenworp afstand van de Place Stanislas. Daar willen we nog eens naar terug, want wat we zo zagen beviel ons wel – en er schijnt nog meer bezienswaardigs te zijn.

Het laatste deel van onze reis, via Luxemburg, Brussel en Antwerpen bood weinig vermeldenswaards, of het moest de enorme opstopping bij Antwerpen zijn die ons deed besluiten om via de Liefkenshoektunnel te rijden, hetgeen ons langs kilometers file in de andere richting leidde. Niet dat we zelf niet ook in nog wat files terecht kwamen, maar dit zag er wel heel erg uit.

Hangende dorpjes

Hangen doen ze natuurlijk niet echt, maar ”Weg vom Hang” -een opdracht die we jaren geleden voortdurend van onze skileraar kregen- zijn ze bepaald niet, de dorpjes en stadjes waarvan we er de tweede week van onze vakantie een flink aantal bezochten. Tegen de steilste delen van de helling aangekleefd, alsof de huizen op elkaar gestapeld zijn, en ergens helemaal bovenin of op een uitstekend stuk rots een kerk of een burcht. Getuigen van een verleden van voortdurende strijd, waar wij in de boeken vooral over leerden in termen van koningen en dergelijke die elkaar bestreden of er juist in slaagden om een periode van vrede tot stand te brengen. Maar wat dat echt betekent, begrijp je hier: de voortdurende angst dat er weer een legertje langskomt – niet per se om je land te bezetten, maar wel in een voortdurende behoefte aan eten en andere buit. Waarbij je beste kans om dat te overleven is, je terug te trekken op een plek die net goed genoeg is te verdedigen om te kunnen hopen dat ze na een paar dagen verder zullen trekken. Naar het dorp een eindje verderop.

Wat eeuwen geleden een voordeel was, is dat nu niet meer. De steile hellingen, de poorten, de nauwe straatjes – het maakt het dagelijks leven niet makkelijk. En dus zie je dat veel van deze dorpjes een nieuwere buitenwijk gekregen hebben waar gewoond wordt, terwijl het oude gedeelte vooral geëxploiteerd wordt ten behoeve van de toerist. Opgeknapte huisjes worden verhuurd, er zijn de winkeltjes met dingen die niemand echt nodig heeft maar die o zo leuk en authentiek lijken en er zijn de restaurants en terrasjes. Of het dorp staat grotendeels leeg, de straatjes verlaten en de huizen zijn vervallen of leegstaande vakantiewoningen.

We begonnen onze week van de hangende dorpjes zo’n anderhalf uur rijden vanaf Avignon, dichtbij de Mont Ventoux, in Entrechaux. In Le Mas en Provence, een tot B&B omgebouwde voormalige boerderij hadden we een ruime kamer, die helaas minder comfortabel was dan we de week daarvoor gewend waren: hard matras met kuil, te warm dekbed. Afgezien daarvan was het geen slechte plek om te zijn: een grote tuin met diverse beschaduwde plekjes en een redelijk groot zwembad. In de buurt een paar aardige restaurants.

De dorpjes die we bezochten lagen in de Vallée du Toulourenc. Brantes, vooral gericht op de toerist, en vooral Savoillan (heel klein maar kennelijk nog echt bewoond) waren leuk om even te bekijken. Mollans-sur-Ouvèze, grotendeels gemoderniseerd en normaal bewoond bleek totaal oninteressant, nog afgezien van het feit dat het niet mogelijk was om er op een maandagmiddag rond twee uur iets te eten. Uiteindelijk kwamen we daarvoor toch weer in Entrechaux terecht, op het terras van een brasserie die ook niet aan lunch deed, maar waar we wel een broodje konden eten dat we haalden bij de mobiele sandwicherie die er voor de deur stond. Waarna het zwembad weer lokte, en de koelkast met bier en wijn.

De volgende ochtend brachten we allereerst een bezoekje aan het wat grotere en levendige stadje Vaison-la-Romaine. Twee delen: het middeleeuwse tegen de berghelling, het nieuwere aan de andere kant van de rivier op het redelijk vlakke land. We maakten er het laatste uur mee van de nogal grote en niet alleen op de toeristen gerichte markt. Soms is dat een gunstig tijdstip, maar omdat we niet echt geïnteresseerd waren in bederfelijke waar leverde het ons nu geen voordeel op. Na de lunch nog even stilgestaan bij de oude Romeinse brug, hoog boven de vrijwel droge rivierbedding, en met verbazing geconstateerd dat in september 1992 tijdens een overstroming het water meer dan twee meter boven het brugdek stond.

Vervolgens naar ons derde onderkomen, bij Bonnieux. Weer een ruim uur in de auto, via grotere en kleinere D-wegen. En toen, ineens: onze eerste gele hesjes die een rotonde bezet hielden. Gelukkig niet hinderlijk, maar op stoeltjes in het perkje in het midden. Bermtoerisme, zou je haast denken, maar wel met spandoeken die we in het voorbijgaan niet echt hebben kunnen lezen. Het is niet een beweging waarin we ons hebben verdiept, maar voor zover het gaat om de kosten van levensonderhoud en de verdeling van de welvaart, kunnen we ons er iets bij voorstellen. We zien grote verschillen, en sommige dingen zijn opmerkelijk duur, zoals groenten en fruit (zowel in de supermarkt als op de markten).

Bij Bonnieux -een hangend dorpje dat nog leeft maar ook redelijk toeristisch is- verblijven we ook buiten het stadje, in dit geval in een wat moderner huis met zeer verzorgde gastenkamers en een enorme tuin waarin een zwembad en goed ingerichte zomerkeuken. Van die laatste hebben we maar één avond gebruik gemaakt, want de eerste dag konden we vanwege een gecancelde reservering terecht in een zeer goed restaurant (L’Arôme) in Bonnieux en de tweede in een (in vergelijking daarmee) wat tegenvallend restaurant (La Terrasse) in Goult. Onze gastheer nam uitgebreid de tijd om ons rond te leiden over zijn landgoed, waarbij de aandacht vooral uitging naar zijn trots: een twee jaar geleden aangelegd lavendelveld dat nu nog slechts een blauw waas vertoonde maar over twee weken in volle bloei zou staan.

Onze eerste volle dag hier begonnen we met een korte wandeling door het Forêt des cèdres, een plek waar medio 19e eeuw ceders uit Noord-Afrika werden gezaaid op een vrijwel onbegroeide bergrug. Ze bleken het er goed te doen en vormen nu, met hun nakomelingen, een open bos waar het prettig wandelen is. En de weg ernaartoe biedt prachtige vergezichten. Na de lunch in zijn we gaan kijken in de hangende dorpjes in de buurt: Lacoste, Ménerbes, Oppède-le-Vieux. De eerste twee erg toeristisch, het tweede veel minder maar mede daardoor beduidend interessanter: nadat gedurende tientallen jaren steeds meer oorspronkelijke bewoners waren weggetrokken om zich in het dal in een nieuw dorp te vestigen, kwamen er vanaf medio vorige eeuw weer nieuwe bewoners die nu successievelijk de oude huizen aan het opknappen zijn. Het geeft het dorp een bijzondere sfeer: overheersend zijn verval en verlatenheid, maar zonder dat dat onprettig wordt. En het pad van het parkeerterrein beneden aan de helling naar het hoger gelegen dorp leidt door een mooi, net een klein beetje verwilderd, park.

Omdat we het Forêt des cèdres zo prettig vonden, gingen we er de volgende dag aan het eind van de middag nog eens heen, nu voor een wandeling die ons tot buiten het bos voerde, naar de steile rotsen vanwaar we uitkeken over de vallei van de Durance. Op zich al een prachtig gezicht, maar wat het helemaal afmaakte was dat er, toen we even zaten, vlak bij ons plotseling een valk kwam aanglijden en vervolgens een tijdje stil bleef hangen voordat hij zich in een duikvlucht naar beneden stortte. Maar toen hadden we al flink wat foto’s gemaakt. Een mooie afsluiting van een dag die een beetje teleurstellend begon met een bezoek aan Rousillon, een niet zo bijzonder maar desondanks nogal toeristisch hangend dorpje. De nabijgelegen voormalige okermijn -de aarde is hier alle kleuren tussen rood en geelbruin door de oxidatie van ijzererts- hebben we niet bezocht, want daarvoor hadden we een alternatief op weg naar ons volgende verblijf. Daarover meer in ons volgende (en laatste) blog van deze reis.

On n’y danse sur le pont

Men gaat naar Avignon om er de brug te zien, of om erop te dansen. Althans, dat mag je afleiden uit het liedje. Voor ons gold dat echter niet, zeker niet dat dansen. Eigenlijk gingen we sowieso niet voor de brug, maar omdat we in de buurt een rondreisje geboekt hadden en wat langer wegwilden dan die negen dagen. En omdat we nog nooit in Avignon geweest waren maar het wel een leuke stad leek.

Een leuk appartement was snel gevonden: binnen de muren van de oude stad, aan een smal en rustig straatje, met een tuintje (of binnenplaatsje, wat je wilt) en op loopafstand van alles in de binnenstad. De werkelijkheid bleek zelfs nog wat beter dan de beschrijving: de inrichting was betrekkelijk nieuw en zag er goed uit, het was ruim, de bedden waren prettig en de ontvangst heel hartelijk. Parkeren kon niet echt in de buurt (of in een dure garage), maar op een minuut of 20 lopen afstand was er een groot gratis parkeerterrein (en de gratis shuttlebus maakte de loopafstand toch weer wat minder).

Omdat we de nacht ervoor wat minder goed geslapen hadden dan we hadden gewild en we de reis toch wat vermoeiend vonden (ja, mede door de file bij Lyon) besloten we de eerste avond maar niet in een restaurant te eten, maar iets te halen bij een nabijgelegen Marokkaans restaurant. En dat beviel zo goed dat we uiteindelijk maar één -al vanuit Nederland besproken- restaurant van binnen hebben gezien.

Op de dag dat we aankwamen was het zeer warm, maar de volgende ochtend begon het te waaien en dat bleek het begin van een paar dagen relatief koude mistral. Nou ja, relatief: op die dag werd het net geen 20 graden, en de dagen erna kwam het daar ruim boven.

Zo’n eerste dag besteed je over het algemeen aan je oriënteren: waar zijn de leuke dingen en waar de nuttige. Die twee bleken samen te komen in Les Halles, een modern marktgebouw waar vooral delicatessen uit de wijde omgeving werden verkocht. Waaronder kant-en-klare maaltijden, wat natuurlijk ook bijdroeg aan ons besluit geen restaurants te bezoeken. De aankoop van twee flessen wijn leverde ons de mogelijkheid op om een slinger te geven aan een rad van fortuin, en laten we daar nu de hoofdprijs gewonnen hebben: toch een dansje, zij het niet op de brug maar midden tussen de kramen, met de kip(penboer). En we kregen een korianderplantje, dat prima bleek aan te slaan in het kruidentuintje van ons appartement.

De middag van de eerste dag hebben we het Palais des Papes bezocht, het kasteel op het hoogste punt van Avignon dat gebouwd werd in de jaren dat de pausen niet in Rome zetelden, maar in Avignon. Een zeer sterke burcht, duidelijk opgetrokken in het besef dat vertrouwen op de voorzienigheid goed is, maar de bescherming van dikke muren beter. Van de inrichting en decoratie is helaas niets meer over - na de Franse revolutie werd het gebouw gebruikt als kazerne en “brachten de soldaten veranderingen aan”, zoals het in een van de toelichtingen stond (elders stond iets explicieter waaruit die veranderingen bestonden: het afhakken van de hoofden van beelden teneinde die te kunnen verkopen). Een indruk van hoe het leven er was gaf dit bezoek dus eigenlijk niet, of het moest zijn van de grote vertrekken, lange gangen en vele trappen die ons toch wat minder comfortabel leken voor bewoners van gevorderde leeftijd (één paus werd gekozen toen hij 72 was en leefde daarna nog 18 jaar, wat een streep door de rekening was van degenen die een tussenpaus wilden). Vanaf de paleistuin heb je trouwens wel een fraai gezicht op de stad en de omstreken, en op de befaamde brug – nou ja, de twee bogen die er nog zijn. We zagen er niemand op dansen, maar misschien was dat omdat het weer er niet naar was.

De volgende dag weer wat meer van de stad bekeken, en het museum Calvet. Dat laatste is niet erg groot maar wel de moeite waard, als je van schilderkunst zo van de middeleeuwen tot eind 19e eeuw houdt. In de avond ons geplande restaurantbezoek – omdat we wat te vieren hadden wilden we iets wat culinair een beetje van niveau was, en dat bleek bij Pollen bepaald niet tegen te vallen. Niet innovatief, wel helemaal goed en in een prettig moderne ambiance.

De volgende dag moesten we, ondanks de smakelijke wijnen van de dag daarvoor, vroeg ons bed uit om de trein te pakken naar Marseille. Dat wil zeggen, eerst een trein van Avignon Centre naar Avigon TGV en dan met de TGV naar Marseille. Het eerste stuk ging helemaal goed, al misten we bijna onze trein doordat we met de andere passagiers in de wachtkamer bleven wachten terwijl de trein zo’n honderd meter verder langs het perron stond. Op het TGV-station bleek vervolgens dat het treinverkeer heftig verstoord was door een kapotte trein. Anderhalf uur wachten leek ons niet fijn, dus we besloten onze kaartjes om te zetten in kaartjes voor de volgende dag. Alleen waren we toen allebei zo verkouden en daardoor koortsig dat we er toen ook geen gebruik van hebben gemaakt. Maar goed, twee rustige dagen waren geen straf, ook al omdat we ze vulden met weer twee museumbezoekjes, aan de Collection Lambert (moderne architectuur, contemporaine kunst) en Musee Angladon (mooi oud woonhuis en bijpassende schilderijen, plus een paar stukken uit het begin van de 20e eeuw).

Omdat we ons op zaterdag nog niet echt opgeknapt voelden, besloten we nog een dagje langer te blijven. Dat kon, en zelfs de dag erna hoefden we pas in de middag te vertrekken. Wat weer perfect uitkwam omdat ons volgende verblijf maar een uurtje rijden was. Maar daarover de volgende keer.

Déjeuner fête maman

Als je op de snelweg rijdt en je wilt wat eten, is dat natuurlijk heel simpel: je stopt bij een pompstation / wegrestaurant, haalt bij een buffet een broodje of iets anders wat een beetje vult en binnen een half uur ben je weer onderweg, als je wilt. Of je gaat de snelweg af en zoekt een leuk restaurant in een nabijgelegen stadje of dorp, en dan duurt het wat langer.

Wij deden dat laatste, toen we onderweg van Luxemburg naar Beaune voelden dat het tijd werd voor de lunch. Leek ons lekkerder, en we hadden de tijd. Dus de eerste de beste afrit genomen, bij Châtenois. Een redelijk groot plaatsje, en volgens ons navigatiesysteem was er meer dan één restaurant. Nou ja, die verleden tijd bleek in elk geval deels te kloppen: de Auberge de Marie stond te koop, en de overige restaurants zagen er niet aantrekkelijk uit of gingen pas ’s avonds open. En wat we aanzagen voor een terrasje bleek een familiepicknick te zijn, waar men wat verbaasd keek toen we vroegen of we er konden eten. Maar niet getreurd, opnieuw raadplegen van het systeem leerde dat er op een paar kilometer afstand nog een restaurant was, in Rouvres-la-Chétive. Dat zag er op het eerste gezicht ook uit of het gesloten was, maar de deur bleek toch open – en toegang te geven tot een soort eetzaal waar bijna alle tafeltjes bezet waren door weinig spraakzame mensen die keken of ze liever ergens anders zouden zijn. Ballonnen en andere versiering die de indruk wekte dat er nog niet zo lang geleden een 50e verjaardag was gevierd. Het geheel van de uitstraling gaf ons het idee dat we hier terecht kwamen tussen pensiongasten die zaten te wachten op hun lunch en dat er voor ons geen plek zou zijn, maar dat bleek niet het geval – ook wij kregen, nadat we ontkennend geantwoord hadden op de vraag of we haast hadden, een tafeltje. Waarna het wachten begon. Dat wil zeggen, nog redelijk snel na onze binnenkomst vroeg de gastvrouw wat we wilden drinken -witte wijn en water, natuurlijk- en begon ze de voorgerechten uit te serveren. Tafel voor tafel, in een uiterst rustig tempo, totdat wij aan de beurt waren en ze vertelde dat het voor ons foie gras werd. Weer even wachten, maar toen waren ze daar: twee stevige plakken per persoon, en goed van smaak. Daarna het afruimen van de tafels. In de dezelfde volgorde waarin er was opgediend, natuurlijk. Een tijdje wachten. Het serveren van de hoofdgerechten, weer in dezelfde volgorde en in een tempo dat deed vermoeden dat in de keuken iemand er net zo alleen voor stond als onze serveerster. Aan ons vertellen dat het kalfsvlees werd. Wachten. Het serveren van ons hoofdgerecht. Afruimen en vragen of men kaas of dessert wilde, of beide, en wat voor dessert dan? Het uitserveren. Aan ons vragen wat we wilden. Geen kaas, geen dessert? Koffie dan, wellicht? En de rekening? Mais bien sur. Maar eerst nog even afrekenen met de eerste gasten die klaarstonden om te vertrekken. Waarbij natuurlijk wel een praatje gemaakt moest worden. En daarna de volgende, en toen wij - een moeizaam geaccepteerde inbreuk op de orde der dingen. En welke kleur roos wilde madame? Ja, een roos - het was immers fête maman? Kijk, dat verklaarde waarom er zoveel tafeltjes waren waaraan een oudere dame zat, met zoon(s) en / of dochter(s) en soms ook kleinkinderen, en ook de weinig uitgelaten stemming.

Goed, we kwamen dus beduidend later dan gepland aan in Beaune. Niet dat dat er veel toe deed – we konden toch pas na vijven terecht in onze B&B. Deze bleek zijn naam “Le grand jardin” eer aan te doen: het huis waar we verbleven was omgeven door een ruime tuin. “Te groot,” verzuchtte de eigenaar, die al wat op leeftijd was, “en vooral te veel werk”. Dat was wel te zien – het gras was redelijk bijgehouden, maar de struiken en bomen overwoekerden de paadjes en zitjes die er hier en daar waren. Ons “familie-appartement” lag op de begane grond en was waarschijnlijk een verbouwde garage annex opslagruimte. Het had een wat vreemde indeling en een erg laag plafond en was alles bij elkaar nogal donker. Wat dan weer enigszins gecompenseerd werd door een zeer ruime en lichte serre waar het wat aangenamer zitten was.

Van de stad hebben we door onze late aankomst niet veel gezien – een paar straten van het oude centrum, het befaamde Hôtel-Dieu (van een afstand, want dat hadden we al eens eerder bezocht) en een restaurant waar we wat verfijnder aten en dronken dan die middag, in aanmerkelijk minder tijd en een prettiger sfeer.

Maar, even terug naar het begin. Want waarom reden we eigenlijk van Luxemburg naar Beaune? Simpel: omdat we op weg waren naar Avignon, en we die reis in wat korte stukjes wilden doen, steeds van zo’n uur of vier rijden. Luxemburg is dan een niet onlogische eerste stop. Van die stad hebben we trouwens ook al niet veel gezien: we hadden een hotel in een buitenwijk geboekt en na aankomst ontbrak gewoon de zin om nog de stad in te gaan. Waarbij het een uitkomst was dat het hotel een restaurant met dinerbuffet had.

Genoeg voor nu. In onze volgende blog: niet de file bij Lyon en de zoektocht naar een lunchplek in Vienne, wel ons verblijf in en onze wandelingen door Avignon. En hoe we niet naar Marseille gingen.

 

Laatste kilometers

Onze gastvrouw in Valencia spreekt zeer goed Engels, dus toen ze ons op zondagochtend in een stortvloed van woorden een lijst van wel 30 dingen meegaf die we moesten bezoeken en zien (ter plekke opgeschreven en gemarkeerd op de kaart) was ze heel duidelijk: dit was een opdracht voor de komende dagen. Nu zijn we daar niet zo goed in, dus een deel hebben we bewaard voor een volgende keer, maar tot nu toe blijkt de lijst ons wel langs een aantal hoogtepunten te leiden.

Op maandag begonnen we met de Mercat Central, de grootste markthal. Altijd weer leuk om tussen de diverse etenswaren te lopen en te bedenken wat je allemaal zou kopen als je zelf zou koken. Niet gewacht tot er een stoel vrijkwam bij Bar Central, waar midden op de markt de chef van een twee-sterrenrestaurant lekkere hapjes bereidt. Of laat bereiden door z’n personeel, natuurlijk. Helaas hadden we op dat moment niet zo’n trek. Vervolgens naar het Ajuntament, het gemeentehuis, waar we -na door een detectiepoortje te zijn gegaan- de centrale hal konden bezichtigen (met daarin de twee enorme poppen die zaterdagavond aan het hoofd van de stoet gingen), de balzaal met enorme kroonluchters en prachtig beschilderde plafonds en de raadszaal – een opstelling in een halve cirkel rond een podium, met achteraan, een verdieping hoger, de publieke tribunes. In loges, van waaruit je op veilige hoogte in een soort arena keek en met een ereloge, midden achter, voor de pers. Zij het dat daar de wat minder comfortabele stoelen stonden. Ook hier weer wat fraaie versieringen, al zag het geheel er wel wat versleten uit. Of beter gezegd: intensief gebruikt. Overigens, in het halve uurtje dat wij er waren werden er minstens drie schoolklassen doorheen geleid die kennelijk les kregen in democratisch bestuur – zonder dat ze daar veel belangstelling voor leken te hebben. Ten slotte nog een bezoekje aan het balkon, vanwaar we een prima uitzicht over het Plaça de l'Ajuntament hadden, het grote plein met enorme gebouwen eromheen en in het midden nu een ijsbaan. Nou ja, zo leek het – we zagen niet echt iemand schaatsen dus misschien was het wel een dansvloer.
Aan de overkant van het plein de Correos, het centrale postkantoor. Niet alleen van buiten een mooi gebouw, maar vooral binnen nogal indrukwekkend: een grote, halfronde hal met een enorme hoeveelheid loketten. En dat allemaal in gebruik, zij het dat we niet de indruk kregen voor het afgeven van brieven of het opgeven van telegrammen. Hoe dan ook: veel mensen, en niet alleen om te kijken, zo te zien. Druk was het ook in het Estacion del Nord, het nabijgelegen (kop)station waar de lijnen naar het noorden beginnen. Hier wel een beeld wat je ook in Nederland ziet: in allerlei ruimten die vroeger ongetwijfeld een andere functie hadden, zitten nu winkels en cafetaria’s. Slechts in één ruimte zijn de oorspronkelijke tegeltableaus bewaard gebleven. Ook hier veel politie op de been, trouwens, maar dan niet de gemeentepolitie maar een duidelijk andersoortige – met het type machinegeweren waarmee bij ons de marechaussee loopt die Schiphol en het gebouw van de Tweede Kamer beveiligt.
Vervolgens door een drukke avenue en daarna een winkelstraat naar de Mercat Colòn, een gerestaureerde en tot foodhall omgebouwde markthal. Volgens onze gastvrouw zouden we hier kunnen kiezen uit vele soorten paella, maar dat viel nogal tegen: niet alle restaurants waren geopend en de cafés boden niet zoveel aantrekkelijks. Dus maar op eigen gelegenheid op zoek naar iets smakelijks. Dat vonden we na een half uurtje in het restaurant van een hotel, waar we als voorgerecht bonbons van gevogeltelever aten, daarna een typisch Valenciaanse paella-achtige schotel maar dan met noedels (de overeenkomst met oosters eten is toch wel groot) en ten slotte een prima dessert. Zo kom je je middag wel door – en eigenlijk ook de avond, want wat er toen nog aan trek restte konden we afdoende stillen met de pasteitjes die we ’s ochtends op de markt hadden gekocht “voor het geval dat”. Waarbij we trouwens ook -weer- constateerden dat dit appartement in Valencia wel heel mooi ligt, zo midden in het centrum, maar niet echt huiselijk is: de woonkamer van ruim 10 bij 10 meter (en ook nog eens ruim drie meter hoog) is daarvoor gewoon te groot, en de inrichting met twee vierzitsbanken en een grote ronde eettafel toch wat te karig.

Dinsdag museumdag. Althans, het Museu des Belles Arts, dat met de omvang van zijn collectie van schilder- en beeldhouwkunst kennelijk het derde in Spanje is. Vooral veel religieuze kunst: altaarstukken, piéta’s etc., uit de vroege middeleeuwen tot de 18e of 19e eeuw. En uit de latere periode natuurlijk ook burgerlijke kunst: portretten, landschappen en stillevens. Een paar echt mooie stukken, maar eigenlijk was wat het museum echt de moeite van een bezoek waard maakte, het feit dat er tussen al deze oude kunst hier en daar ook een goedgekozen maar natuurlijk nogal contrasterend modern / eigentijds werk hing of stond.
Het museumrestaurant bood een goed menu (met dit keer echte paella) dus naar een lunchgelegenheid hoefden we niet te zoeken. De middag daarna brachten we deels door in El Corte Inglés, maar daar waren we toch snel uitgekeken, deels met het bekijken van een paar gebouwen die we onderweg tegenkwamen en die deels ook op het lijstje van onze gastvrouw stonden. Nadat we onze voeten een paar uur rust hadden gegund in ons appartement, om acht uur nog even naar buiten om wat te eten. Op goed geluk een restaurant binnengestapt – en dat viel bepaald niet tegen. Nou ja, wel dat een deel van de gevel open stond en het dus binnen niet veel warmer was dan buiten, maar de gestoofde zeebaars -met mosselen, garnalen en gamba’s- was perfect.

De laatste dag alweer. Inpakken en afscheid nemen van onze gastvrouw. Voorlopig, want aan het einde van de middag zouden we nog terugkomen om onze bagage op te halen. Daarna weer de stad in. Eerst langs de markt om nog wat lekkere pasteitjes te kopen voor tijdens de terugvlucht. Vervolgens een tocht langs diverse kerken die de moeite van het bekijken waard zouden zijn: een gewone parochiekerk, de kathedraal, de basiliek (waar net een mis werd opgedragen) en de kerk van St. Nicolaas, een gotisch gebouw met barokke fresco’s op het plafond die volgens diverse bronnen de vergelijking met die in de Sixtijnse kapel kunnen doorstaan. Nu hebben we die nooit gezien, dus dat geloven we dan maar. Mooi waren ze in elk geval, en de audiotour hielp wel bij het enigszins begrijpen van alles wat we zagen. Onderweg kwamen we ook nog langs een gebouw waar de “generalitat”, het bestuur van de autonome regio Valencia -dat teruggaat tot de 15e eeuw- vergadert. Daar naarbinnen stappen bleek een goede keus, want er waren een paar bijzonder mooie zalen te bezichtigen, met kunstige geometrische patronen in het houtwerk, sommige met goud ingelegd, en schilderijen van mannen die eeuwen geleden kennelijk deel hadden uitgemaakt van het bestuur – perfect in volgorde van belangrijkheid, maar nu allemaal even dood.
Eigenlijk hadden we bedacht dat we nog een bezoek gingen brengen aan het museum voor moderne kunst, maar toen we daar aankwamen hadden we eigenlijk zin om eerst wat te eten, en nadat we dat gedaan hadden -in de tuin van Convent Carmen, met diverse keukens met zeer gevarieerd aanbod- leek het ons aangenamer om de rest van de middag nog even van de zon te genieten. De botanische tuin bleek net wat te ver we (gelukkig geen wolven hier) maar de tuin in de rivierbedding bood een acceptabel alternatief: lekker in het zonnetje bij 18 graden. Dat was natuurlijk ook de reden om hier naartoe te gaan in deze tijd van het jaar: dagtemperaturen van toch zeker 10 graden hoger dan in Nederlanden nauwelijks regen. Dat het dan ’s nachts net zo koud was en de verwarming in de meeste appartementen niet echt genoeg om het comfortabel te maken, namen we dan maar voor lief.

Rond vier uur was het tijd om terug te lopen naar het appartement, waar we op de Placa de la Reina bij de wereldberoemde chocolateria Valor (geleerd op de cursus Spaans) nog een “degustation de chocolates” genuttigd hebben – vier verschillende bereidingen van drinkbare of althans lepelbare chocolade van verschillende sterkte en herkomst. Met churros – een traktatie.
Koffers opgehaald (en de complimenten van onze gastvrouw in ontvangst genomen voor het feit dat we geroken hadden dat er iets heftig mis was met de riolering, wat niet zo moeilijk was want in een van de slaapkamers was het alleen te harden met het raam open - maar dat wordt nu dus verholpen) en met de taxi naar het vliegveld. Waar we, wachtend op onze vlucht naar Rotterdam, dit blog weer afsluiten.  

Sightseeing

We vonden het wel opmerkelijk, zoveel politie op de been. En steeds meer, naarmate we ons appartement in het centrum van Valencia naderden. En aan het begin van de laatste straat waar we doorheen moesten, stonden zelfs hekken, maar daar konden we gewoon door. Vervolgens: dranghekken aan beide zijden op de stoep. Was er soms net een wielerronde langsgekomen? Nou nee, achter de hekken stonden aan weerszijden vier rijen plastic stoeltjes, en daar waren er heel wat van bezet door mensen die duidelijk zaten te wachten. Hmm, er ging dus nog iets gebeuren ….
Onze gastvrouw wist het ons natuurlijk direct te vertellen. We vielen met onze neus in de boter, want twee uur later, om zes uur ’s avonds, begon de grote optocht ter gelegenheid van Driekoningen – het grote feest in Spanje, waarbij alle kinderen cadeautjes krijgen, zoals in Nederland bij Sinterklaas en op andere plaatsen met Kerstmis. Ja, logisch eigenlijk – wie anders dan de Koningen moeten er cadeautjes brengen? En wie anders dan wij zouden op de eerste rang zitten, op ons balkon in een zijstraat van de route?
Nou ja – dat zou wel. Groter zorg was, of je nu met de auto nog wel hier vandaan kon komen, want die moest weer ingeleverd worden op het vliegveld. Het leek er even op dat dat niet zou lukken – bij het verlaten van de parkeergarage bleek de route die het navigatiesysteem aangaf, al afgesloten. Maar gelukkig was er nog één straatje toegankelijk. Nogal nauw, in de verkeerde richting en eigenlijk half voetgangersgebied, maar toch. Het kostte wat meer tijd en de nodige zweetdruppels, maar uiteindelijk lukte het met een volgetankte auto het vliegveld te bereiken en de drop-off balie te vinden. En, mooier nog: de metro terug stond even later klaar. Enige tegenwoordigheid van geest en een handige kaart van het centrum hielp vervolgens om een uitstaphalte te vinden waarvandaan het appartement weer te bereiken was (het dichtstbijzijnde station lag net aan de andere kant van de route van de optocht, dus dat leek wat minder handig) en zo zaten we op tijd elk op een balkonnetje te wachten op de dingen die komen gingen. Nou, dat was nogal wat. Enorme poppen, praalwagens, muziekkorpsen, acrobaten, steltlopers. Grote hoeveelheden snoep en confetti die het publiek werden ingeworpen – het hield maar niet op. Nou ja, bij wijze van spreken dan, want om acht uur was het weer voorbij. Maar gelukkig hebben we de foto’s en video’s nog.
Voor het eten hebben we het ons maar gemakkelijk gemaakt en niet te ver gezocht – het restaurant vrijwel onder ons appartement (b)leek goed genoeg. En daarna snel naar bed, want in combinatie met de reis van ruim drie uur bleek dit alles toch knap vermoeiend. Gelukkig maar, dus, dat de slaapkamers van dit appartement aan een zeer stil binnenplaatsje liggen.

De volgende ochtend een beetje op tijd op, want onze gastvrouw zou nog even langskomen om ons wat tips te geven voor dingen die we moesten zien. Daar had ze goed over nagedacht, want het werd echt een programma van dag tot dag, rekening houdend met openingstijden en sluitingsdagen. De eerste dag, zondag, moesten we beslist een wandeling maken door de Jardí del Túria, de tuin die is aangelegd op de plaats waar vroeger de bedding was van de rivier die Valencia doorsneed, maar die is omgelegd na de grote en rampzalige overstroming van 1957. Mooi wel dat het plan om daar een autoweg aan te leggen, het uiteindelijk niet heeft gehaald – de tuin is echt fraai, met wandel-, fiets en zelfs speciale hardlooppaden (welk onderscheid overigens voor de gebruikers wat te ingewikkeld bleek).

Als je door de tuin maar lang genoeg -20 minuten, volgen onze gastvrouw, maar wij deden er wel een uur over- richting zee loopt, kom je uiteindelijk in de Ciutat de les Arts i les Ciències, een verzameling gebouwen die zijn gewijd aan kunsten en wetenschappen (inderdaad, had Den Haag ooit ook, maar ja – brand, private geldzucht en publieke krenterigheid). Werkelijk prachtige moderne architectuur. Eerst het Palau des Artes (opera- en theaterzaal) – alsof er een enorme Zeppelin is neergedaald. Dan L'Hemisferic, een gebouw in de vorm van een oog waarin een 3D-bioscoop is gevestigd. Vervolgens het grootste gebouw, het Museo de las Ciencias (wetenschapsmuseum) dat wel iets wegheeft van een ruggegraat – maar dan van een onbekend wezen. Vervolgens de Agora, een congreshal. Anders dan de andere gebouwen uitgevoerd in blauw, en momenteel in de steigers. Daar weer achter L’Oceanografic, het aquarium met een collectie van kwal tot walrus. Dit beslaat diverse gebouwen die allemaal een bijzondere vorm hebben; bovengronds is er een grote bolvormige vogelkooi en diverse open vijvers waarin ook vogels gehouden worden, reuzenschildpadden en krokodillen. Het geheel omgeven door de tuin en een aantal waterpartijen, terwijl langs het Museo de las Ciencias en L’Hemisferic op boulevardhoogte nog L’Umbracle loopt – een tuin onder een rij bogen zoals je die hier in Spanje veel ziet als bescherming van landbouwgewassen, maar dan veel hoger en niet overdekt met plastic. En tussen het Museo de las Ciencias en de Agora dan wordt de tuin dwars overspannen door de Pont de l’Assut de l’Or, een brug die wel lijkt op de Erasmusbrug in Rotterdam.
Nou ja, je moet het zien – en dan niet alleen op foto’s, maar vooral terwijl je ertussen loopt en je de enorme omvang van alles kunt ervaren. Natuurlijk moet je eigenlijk ook alles van binnen zien, maar wij hebben ons beperkt tot het aquarium en vonden dat wel genoeg voor de dag. Hoewel – daarna moesten we nog terug, maar gelukkig konden we ter hoogte van de opera een taxi nemen voor de rest en konden we ’s avonds weer een aardig restaurant in de buurt vinden, anders zouden we deze dag geen twaalf maar zeker 15 kilometer gelopen hebben. En dat doen we niet zo vaak meer.