Marian en Max zijn even weg

We stoppen ermee

Nee, niet met deze blog, maar met onze reis door Canada en de VS. Morgenmiddag, een dag of 10 eerder dan gepland, gaat onze vlucht. We hebben besloten dat de rook van de honderden bosbranden in West Canada en het westen van de VS ons teveel op keel en longen slaat, en dat we voortijdig terugkeren naar de schone Nederlandse lucht. Het is jammer van de mooie dingen die we nog hoopten te zien, maar zoals het nu is, valt er helemaal niets te zien. En dan: op de plekken waar we nog naartoe zouden gaan – Vancouver, Seattle, Portland- is het momenteel erger dan hier, en het ziet er niet naar uit dat het snel beter wordt.

Gek, eigenlijk. In het begin hadden we het niet eens zo in de gaten. Toen we vorige week zondag uit Madeira Park vertrokken, was het bewolkt en een beetje nevelig na een stevige regenbui die nacht. En toen we na een korte boottocht en een uurtje rijden in Whistler aankwamen, was het nog steeds nevelig. Dachten we, al zag het er vreemd uit met de zon die daar bloedrood doorheen scheen. Waarschijnlijk ook hing de rook daar wat hoger, want te ruiken viel er niets – ook niet de volgende dag, toen we een aardige wandeling door een bos maakten. Dat kwam eigenlijk pas de dag daarna, in de buurt van Clearwater. Alleen dachten we toen dat de opkomende benauwdheid veroorzaakt werd doordat we in een cederhouten blokhut sliepen, die misschien ook wat was aangetast door het vocht omdat hij alleen in de zomermaanden verhuurd werd.

Daar namen we ook  de eerste beslissing op weg naar dit voortijdige einde: we besloten er een dag eerder te vertrekken en ook het verblijf van twee dagen in een vergelijkbare accommodatie te vervangen door drie dagen in een door onze reisagent geregeld heel aangenaam alternatief in Salmon Arm. Ook daar wel rook, maar de eerste twee dagen nog goed te doen: hoog en redelijk dun. Pas de derde dag werd het “Smoke on the Water”, met nog maar een paar honderd meter zicht en een duidelijk geur van verbrand hout.

De volgende dag, tijdens een rit van ruim 300 km naar Lake Louise, werd het echt heel onaangenaam. Het zicht weliswaar voldoende om te rijden, maar niet om te genieten. De aanslag op keel en longen te groot. En toen het hier in Lake Louise niet beter bleek -al zagen we vandaag weer wel even wat zon- hebben we knoop doorgehakt en geregeld dat we morgen terugvliegen.

Goed. Hebben we verder nog wat meegemaakt, de afgelopen week? Ja, zeker.

Om te beginnen dus Whistler – een naam die ons niet veel zei, maar het bleek dat zich daar een groot deel van de Olympische winterspelen van 2010 had afgespeeld en dat het “dorp” waar wij verbleven (vooral hotels en winkels) speciaal daarvoor gebouwd was. Ok, het zag er aangenaam uit en de kamer in het Pinnackle hotel was wel prettig, maar omdat we niet van plan waren gebruik te maken van de vele tientallen kilometers mountainbike tracks, was het niet helemaal een ideale verblijfplaats. Hoewel we er dus wel een aardige wandeling maakten, maar dat had ook elders gekund. En ja, er zat ook het beste restaurant dat we tot nu toe tegenkwamen in Canada -de Alta Bistro, met smakelijke gerechten als gazpacho van bloemkool en sesamzaad en tartaar van eland met een parfait van eendelever- maar we hadden ook zonder gekund.

De “ranch” waar we in Clearwater verbleven -de blokhut dus- was ook niet echt onze eerste keus, maar lag wel in een erg mooi en redelijk rustig natuurreservaat, waar we nu vanwege ons eerdere vertrek alleen een waterval zagen (Helmcken Falls).

Salmon Arm was om een aantal redenen wel de moeite waard. Het hotel was prettig en onze kamer mooi en groot, met als belangrijk pluspunt een balkon waar we niet alleen konden ontbijten en dineren maar ook uitzicht hadden op het meer waar veel vogels hun eten haalden – inclusief visarenden die we tot twee keer toe met een flinke zalm in de klauwen zagen wegvliegen. Helaas moesten we de laatste nacht naar een andere kamer, weliswaar even groot maar zonder balkon en met iets dunnere wanden (of luidruchtiger buren). Die verhuizing was nodig omdat we kort tevoren hadden geboekt en het hotel die laatste nacht vol zat met artiesten die optraden bij het Roots and Blues festival. Zelf hebben we de gelegenheid om daar naartoe te gaan voorbij laten gaan, maar het zorgde voor redelijk wat reuring in het stadje. En op afstand kregen we er toch wel wat van mee. Stil was het trouwens ook om andere redenen niet: het stadje wordt doorsneden door de Trans Canada Highway en door een van de belangrijkste spoorlijnen van (West-)Canada. Waar dat ons weer met de neus op drukte, is dat Canada -net als de VS- iets heel tegenstrijdigs heeft (of misschien is het ook wel logisch): in gebieden waar niet veel mensen zijn is het echt stil, maar alles wat door mensen gebruikt wordt, maakt opmerkelijk veel herrie: (water)vliegtuigen, motorboten, auto’s, motorfietsen, locomotieven, bladblazers, airco’s – het lijkt wel of de demper niet bestaat en het blijft ook rustig een tijdje stationair draaien onder het raam van je hotel, voor je terras etc. Goederentreinen (andere zijn er nauwelijks) zijn trouwens wel spectaculair: ze zijn werkelijk kilometers lang en rijden voor Nederlandse begrippen zeer langzaam, waardoor de wachttijden voor overwegen nogal fors kunnen zijn.

Op weg naar Lake Louise kregen we te maken met een ander interessant wachttijdenfenomeen: grootschalige wegwerkzaamheden waardoor het verkeer op de (tweebaans-)snelweg afwisselend over één baan werd geleid. Het kostte ons drie kwartier.

Lake Louise – ach, toch wel jammer. Het ligt prachtig, tussen de Rocky Mountains. Bij mooi weer heb je dan normaal gesproken een prachtig uitzicht op besneeuwde toppen en gletschers. Tja, wij hadden wel mooi weer -denken we- maar ook die rook. Verder valt er niet veel te melden. De Lake Louise Inn in een groot hotel / resort dat dit weekend helemaal vol zat (zoals trouwens het hele stadje – er werden bij het meer mensen weggestuurd omdat alle parkeerterreinen vol waren). Een redelijke kamer, matige restaurants, onpersoonlijk.

En wat gaan we missen? Drie steden, die elk wel iets bijzonders hebben maar waarvan we ook kunnen denken: ach, een stad is een stad en die hebben we al eens gezien. En een treinreis. Of eigenlijk, de treinreis waar het eigenlijk om ging: de Rocky Mountaineer, in twee dagen van Banff naar Vancouver. Voor een groot gedeelte door gebied waar je anders niet zo komt en (dus) met mooie uitzichten. Maar ja – die rook.

Rook, modder en aangenamer zaken

Het is hier, met uitzondering van zaterdag en zondagochtend toen het zwaar bewolkt was, al tijden stralend weer. Althans, sinds zondag moeten we aannemen dat dat zo is, want naarmate we verder landinwaarts komen, zien we steeds minder van de blauwe hemel en de zon, omdat die bedekt zijn door een dikke laag “fog”: mist vermengd met rook. En dat laatste komt door de enorme bosbranden die al tijden woeden in de hele strook van Californië tot hoog in het Noorden van Canada. Door de heersende wind trekt die rook op een paar honderd meter hoogte naar het noorden en wordt ze niet verspreid, met als resultaat dat we hier de bergen om ons heen in een grijsblauwe mist zien die laat op de dag, als de zon er een beetje doorheen begint te komen, verkleurt naar goudgeel tot roodbruin. En rood is ook de zon zelf, als die soms even zichtbaar wordt -zoals de “bloedmaan” die we zelf thuis vanwege de bewolking niet konden zien. Waarbij overigens de temperatuur nog aangenaam blijft – niet te warm, in elk geval.

Met die hoge rook hebben we nog geluk, naar het schijnt – volgens de eigenaar van Wells Gray Guest Ranch in Clearwater, waar we later verbleven, komt het ook voor dat de rook zo laag hangt dat je last krijgt van prikkende ogen en benauwdheid. En natuurlijk hebben we geluk dat de bosbranden hier in British Columbia relatief klein en ver verwijderd zijn van waar wij verblijven en rijden, zodat we er niet direct last van hebben. Zeker als je door een in de afgelopen jaren getroffen gebied rijdt, realiseer je je door de omvang van de schade heel duidelijk dat ze een reëel gevaar vormen – meer dan de beren waarvoor je op veel plaatsen gewaarschuwd wordt en waarop we tijdens wandelingen ook wel bedacht zijn.

Een ander heel reëel gevaar kwamen we tegen tijdens de lange rit van Whistler naar Clearwater – althans, ook in dit geval de resten ervan. Als gevolg van de regen die daar afgelopen zaterdag heel overvloedig gevallen is, waren er over kilometers weg enorme modderstromen geweest – op sommige plekken zo heftig dat een deel van de weg was weggespoeld of zodanig bedekt met grond dat het tot maandagavond duurde voor er weer afwisselend over één baan verkeer mogelijk was. In het nieuws zagen we dat een aantal auto’s in dergelijke stromen terecht waren gekomen, en dat één persoon nog vermist werd. Waarbij we ons in het voorbijrijden realiseerden dat “vermist” betekent “nog niet gevonden in de laag modder en de poelen langs de weg”. En de bewoners van een aantal huizen daar in de buurt hadden duidelijk geluk gehad: de auto’s op hun erf stonden tot halverwege de wielen in de modder, maar de huizen zelf leken onaangetast.

Goed. Tot zover de weerberichten en verkeersinformatie – nu nog een vakantiebericht.

We zijn weer terug op het vasteland. Van Campbell River reden we in alle vroegte -nou, ja, voor ons doen dan- een eindje terug naar het zuiden, waar we in Comox omstreeks 10 uur onze “undersized vehicle”-een Kia Soul- aan boord van de veerboot naar Powel River reden. Een tocht van zo’n 1,5 uur in prachtig weer over een gladde zee – dat is lang niet slecht.

Omdat we in Powell River wat tijd moesten stukslaan voordat we met een volgende veerboot verder konden naar het zuiden, hebben we daar het plaatselijke museum bezocht. Heel klein, maar met twee interessante onderwerpen waaraan veel aandacht werd besteed: het leven van de oorspronkelijke bewoners (diverse stammen van de “First Nations”) en de plaatselijke papierfabriek. Krantenpapier, dat was de bestemming van de vele bomen die in de wijde omgeving van Powell River gekapt werden – op een enkele na, die als vlaggemast naar Kensington Gardens werd getransporteerd. Heel instructief was trouwens de film waarin je kon zien hoe het papier gemaakt werd – niet alleen vanwege de techniek van het papiermaken zelf, maar ook vanwege de beelden waarin je kon zien hoe de mensen, die werkten in het deel van de fabriek waar de boomstammen verzaagd werden, geheel onderdeel van het mechanische proces waren en dus volstrekt volgens het ritme van de machines moesten werken. Je weet het, maar je hebt het pas door als je het ziet.

Na de lunch bij een soort snackbar tegenover het museum -geheel tegen onze gewoonte gingen we ons te buiten aan een cheeseburger, en die bleek nog smakelijk ook- moesten we een half uurtje rijden naar de veerboot van Saltery Bay naar Earls Cove. Even waren we bang dat we niet mee zouden kunnen, zoveel auto’s stonden er te wachten, maar die veren blijken toch altijd weer groter dan je op het eerste gezicht denkt. En ach – voor een undersized vehicle is er natuurlijk altijd plaats.

Weer een tocht van een ruim uur en toen nog een half uurtje rijden naar Madeira Park, een kleine plaats aan een van de vele baaien. Ons appartementje in het Sunshine Coast Resort bleek verrassend mooi gelegen en heel comfortabel met een aparte slaapkamer, een goed ingerichte keuken en een fijn balkon met uitzicht op de baai met vele jachthavens. Misschien kwam het door het wat minder goede weer (veel wolken en op zee een harde wind), maar het was redelijk rustig op het water – en dus ook in het resort.

Vlak bij het resort was er in het Francis Point Provincial Park een mooie en, hoewel niet zo lange, pittige wandeling langs de kust. Wijdse vergezichten, imposante bomen en zo nu en dan ook een leuk vogeltje (Woody Woodpecker in eigen persoon) maakten het zeer de moeite waard.

Oppervlakkige waarnemingen

Vancouver Island is in oppervlakte ongeveer even groot als Nederland, maar langgerekter en minder breed. Toch zijn de reistijden er beduidend langer. Dat merkten we op weg naar onze volgende verblijfplaats, Tofino. Dit voormalige vissersdorp aan de westkust was tot het midden van de vorige eeuw alleen over zee bereikbaar; pas in 1960 werd er een weg aangelegd door de bergen – een onverharde, overigens, die in de eerste jaren alleen in de weekends door toeristen gebruikt kon worden, want door de week was hij gereserveerd voor houttransporten. Nu ligt er een grotendeels goed begaanbare asfaltweg, en het heel smalle gedeelte langs Lake Kennedy wordt momenteel verbreed en verbeterd. Toch is de rit van Port Alberni, de dichtstbijzijnde stad, naar Tofino geen kleinigheid: ruim 100 kilometer slingerend, klimmend en dalend, met zo hier en daar een paar kilometer inhaalstrook – waar degenen die al die tijd voor je vooral de rem wisten te vinden, ineens toch de maximum snelheid gaan rijden. Tot aan Port Alberni is het vanuit Victoria makkelijker: zo’n 200 kilometer grotendeels vierbaans autoweg, maar wel met gelijkvloerse kruisingen en hier en daar een echt stoplicht. Al met al waren we ruim vijf uur onderweg, inclusief stops voor koffie en lunch.

Is het die rit dan wel waard? Dat is om te beginnen niet zo’n goede vraag – de rit zelf is de moeite waard, want bergen zijn bergen en toch telkens anders. En wat Tofino betreft: het ligt er natuurlijk aan, wat je zoekt. Mooie zandstranden en alle gelegenheid voor watersport – check. Uitstapjes per boot of watervliegtuig om walvissen, beren of adelaars te zien – check. Vrijwel ondoordringbaar regenwoud met enorme naaldbomen – check. Eenvoudige campings tot luxehotels – check. En ja, zelfs voor ons was er genoeg. Om te beginnen een eenvoudige, wat kleine kamer met uitzicht op de oceaan, in de Middlebeach Lodge – een soort pension dat op een aangename manier een jaren vijftig sfeer uitstraalt. In het dorp een restaurant waar de vis beduidend beter was en minder duur werd betaald dan in Victoria. En in het Pacific Rim National Park een paar mooi aangelegde en niet te lange wandelingen door het regenwoud en over een veengebied, waarmee we tweemaal een uurtje zoet waren. Verder vooral rust en een goed bed, zodat de mist van de jetlag langzaam optrok.

Wat die wandelingen betreft – die waren niet alleen een leuk tijdverdrijf en een gezond stukje lichaamsbeweging, maar ook echt interessant. Die door het veengebied -zeg maar een moeras- is geheel vlak en gaat over houten vlonders die als het ware drijven op het veen, en biedt zicht op bomen die het duidelijk moeilijk hebben op deze grond. Ze groeien in vaak zeer verwrongen, worden maar een paar meter hoog -zelfs al zijn ze volgens de beschrijving tientallen en soms wel meer dan honderd jaar oud- en als ze afsterven vormen ze de wonderlijkste grijze staketsels. Het moet in de vaak voorkomende zeemist een wel heel bijzonder gezicht zijn.
Die door het regenwoud ging ook over houten vlonders, maar deze zijn op kortere en langere palen boven de grond gemonteerd en via een ingenieus stelsel van trappen en bruggen volg je hier een traject met stevige hoogteverschillen in een terrein met diepe kloven. De bomen zijn heel anders: hier loop je juist tussen de woudreuzen, met een enorme omvang en lengte. De enige overeenkomst is dat ze ook hier soms vreemd gevormd zijn, maar dan vooral als ze jong een keer zijn omgevallen en dan weer omhoog zijn gaan groeien.

Onze reis bestaat vooral uit blokjes van twee overnachtingen -telkens een dag reizen en een dag om de omgeving te verkennen- dus nog geen 48 uur nadat we waren aangekomen, vertrokken we alweer. Terug naar de oostkust van het eiland, over diezelfde weg door de bergen. Een stop voor de lunch in Port Alberni, een kleine industriestad (papier) aan een groot meer. En vervolgens naar het noorden, naar Campbell River. Door onszelf uitgekozen omdat er een groot natuurpark in de buurt is, maar uiteindelijk hebben we dat niet bezocht – de reis ernaartoe leverde al voldoende indrukken op, met uitzicht op besneeuwde toppen, snelle stroompjes door rotsige beddingen met daarin de iconische vissers en op andere plaatsen heel brede riviermondingen met op het water een enkel bootje en zo nu en dan een watervliegtuig.

In Campbell River verbleven we maar één nacht, in het redelijk moderne en comfortabele Painters Lodge. Hier een mooie grote kamer met een riant terras, dat ons deed besluiten om niet in een restaurant te gaan eten maar ergens wat kant-en-klaar eten te gaan halen. Waarbij direct bleek dat Campbell River toch een andere plaats is dan Tofino – daar had de Co-op een grote delicatessenafdeling, terwijl in Campbell River de Walmart niets had wat ons kon bekoren en de andere supermarkt eigenlijk alleen sushi. Wat trouwens een prima keuze bleek.

Viel ons verder nog iets op? Een paar dingen, tot nu toe. Allereerst: het is duidelijk dat op Vancouver Island verschillende werelden elkaar ontmoeten. De economische werelden van de visserij, de bosbouw en de toeristenindustrie. De leefwerelden van de “First Nationals”, de settlers, de toeristen en het wild. Dat levert oppervlakkig bezien een interessante mix op, maar niet iets waarop we in de paar dagen dat we er waren, grip kregen. Maar wat wel duidelijk is, is dat het ondanks de ongetwijfeld aanwezige conflicten, vooral een heel vreedzame samenleving lijkt. Iets waaraan de overheid niet weinig lijkt te hebben bijgedragen, met zaken als de zeer expliciete -zij het late- erkenning van de aanwezigheid en rechten van de “First Nations”, het inrichten van nationale parken en andere natuurbeschermingsmaatregelen en het voorzien in infrastructuur die ontwikkeling mogelijk maakt.

Ten tweede, maar dat wisten we nog van eerdere bezoeken aan dit continent, de relatief grote hoeveelheid mensen met ernstig overgewicht – en bijbehorende mobiliteitsproblemen. Zeer in de hand gewerkt, ongetwijfeld, door de voedingsindustrie (probeer in een gewone supermarkt maar eens producten zonder toegevoegde suiker te vinden) en de enorme porties die je in restaurants krijgt, vaak bedekt met vette en zoete sauzen (overigens zagen we ook regelmatig halfvolle borden afgeruimd worden). Waar dan weer tegenover staat dat er ook een hele industrie is rond gezondheid, van sportscholen tot winkels in voedingssupplementen en met restaurants waar je salades kunt bestellen met allerlei soorten “gezonde” granen, noten en bessen – of gewokte boerenkool, wat we als zomers gerecht toch wel bijzonder (maar ook smakelijk) vonden.

Ten slotte: Canada is niet goedkoop. Dat zie je al direct als je de prijzen in dollars ziet, al kun je dan nog denken dat het in Euro’s nog wel meevalt (een Canadese dollar is 66 cent, dus de prijs in Euro is tweederde van die in dollars). Maar bij het afrekenen komt dan de onaangename verrassing van de omzetbelasting (zo’n 5%), en daarbij in het geval van drank nog de accijns (zo’n 10%) en in restaurants het bedieningsgeld (kun je natuurlijk zelf bepalen, maar 10 tot 15% is eigenlijk wel normaal)

Jetlag

Het blijft wonderlijk: negen uur vliegen en dan net zo laat aankomen als je vertrokken bent. Vooral als je die negen uur betrekkelijk comfortabel hebt doorgebracht, met voldoende beenruimte, rustige medepassagiers en redelijk goede catering. Wij hadden dat genoegen, en daarbij ook nog eens een heel vlotte gang door paspoortcontrole en veiligheidscheck op Schiphol, en idem op het vliegveld van Vancouver. Het is dat we op weg naar het hotel even verkeerd reden, want anders was er over de reis helemaal niets bijzonders te melden. Of is dat juist bijzonder?

Hoe dan ook, dat verkeerd rijden viel nog redelijk mee – we konden alweer na een paar kilometer van de snelweg af en nadat we ons lieten gidsen door een app op de telefoon (Here we go – werkt heel prettig en accuraat offline als vooraf de kaarten hebt gedownload) in plaats van de prints van Google Maps die de Canadese reisorganisatie had verstrekt, waren we toch nog redelijk snel op de plaats waar we onze eerste nacht zouden doorbrengen. Een motel aan de rand van een voorstad van Vancouver, tussen de snelweg en een bedrijventerrein. Met z’n ruim honderd kamers een groot complex, zonder restaurant of andere overbodige luxe. Wel prettige kamers, voorzien van twee goede en ruime bedden, een keukentje en een ruime badkamer. Het interieur typisch Amerikaans / Canadees: hedendaags comfort met een uitstraling alsof het uit de jaren vijftig van de vorige eeuw stamt, of van nog eerder. Design is aan de gemiddelde Canadees kennelijk niet besteed.

Dat de bedden goed waren, beviel ons wel. Bij negen uur tijdsverschil voel je op je eerste dag om zes uur ’s avonds wel heel goed dat je lichaam denkt dat het inmiddels drie uur ’s nachts is, en wil je vooral slapen. En tegelijkertijd weet je dat je er goed aan doet nog wat te eten en pas om een uur of tien echt te gaan slapen, zodat je zo snel mogelijk in een normaal ritme komt. Goed – het werd een compromis: eerst een uur slapen, daarna wat eten in het restaurant van het aan de overkant van de weg gelegen Holiday Inn (een hotel met een veel hedendaagser uitstraling). Het restaurant een typische “diner”: naar onze begrippen bepaald geen culinaire hoogstandjes, maar wel stevige porties die vlot op tafel kwamen.

Om tien uur ’s avonds naar bed – de ogen waren niet meer open te houden. Vrijwel direct in slaap en bijna aan een stuk doorgeslapen tot zeven uur ’s ochtends. Zonder moeite ons bed uit -dat is dan weer een voordeel van jetlag- en snel op weg naar de veerboot naar Vancouver Island. We hadden gereserveerd voor die van 10 uur en moesten daarom uiterlijk kwart over negen bij de terminal zijn, maar omdat het heel rustig was op de weg waren we er zodanig op tijd dat we nog met de boot van negen uur meekonden. Dat was wel prettig, want nu konden we aan boord ontbijten en daarna in de zon op het dek nog wat acclimatiseren. Best koud, trouwens, op het water. Om een uur of half 11 waren we weer aan wal en begonnen we aan een kort ritje naar Butchart Gardens, een voormalige steengroeve en buitenplaats die zo’n 100 jaar geleden door de eigenaars is ingericht als enorme tuin, of eigenlijk een aantal tuinen: een romantisch deel met slingerpaadjes in de steengroeve, een rozentuin (met rozen van over de hele wereld), een informele Japanse tuin en zo nog wat – waaronder een stuk met alleen maar begonia’s in alle soorten en kleuren en een fontein waar je echt tijden naar kunt kijken zonder dat het gaat vervelen. Grappig om het verschil te zien met Europese tuinen: hier geen zorgvuldig op elkaar afgestemde tinten in groen en bloemen, maar de meest wilde kleurencombinaties. We hebben er een flink aantal uren doorgebracht, wandelend en zittend, kijkend naar de bloemen en de mensen. Een bijzonder multicultureel geheel, trouwens, in volstrekte harmonie.

Dat laatste gold, voor zover we konden zien, overigens ook voor Victoria, de stad waar we onze tweede overnachting hadden. Niet de grootste stad van de provincie British Columbia – dat is Vancouver- maar wel de hoofdstad, met een parlementsgebouw waaraan je duidelijk kunt zien dat dit een deel was van het Britse Rijk. Geflankeerd door een enorme totempaal, want Canada erkent heel expliciet het bestaan van de “First Nations”, de oorspronkelijke bewoners. Wat overigens niet lijkt te betekenen dat ze een eerlijk deel in de welvaart hebben, want waar ze in nederzettingen bij elkaar wonen, ziet het er beduidend minder welvarend uit dan op andere plaatsen. Maar ook dat is relatief, want in de binnenstad van Victoria zagen we ook redelijk wat kennelijk daklozen, dus de welvaartsverdeling lijkt sowieso niet erg egalitair.

Van de stad hebben we vooral een stukje binnenstad gezien en de strook langs het water rond de oude haven. Een beetje de klassieke western-stijl, maar toch wat anders dan vergelijkbare steden in de VS. Nauwelijks hoogbouw -en hoog dan ook nog eens zeer betrekkelijk- en redelijk voetganger-vriendelijk. En door de ligging aan het water drong zich ook de vergelijking op met Stockholm, Oslo, Sydney en zo nog wat steden waar we de afgelopen jaren waren. Die dan allemaal één ding misten wat Victoria wel heeft: de watervliegtuigen waarmee je rondvluchten kunt maken. Een verleiding die we hebben weerstaan.

Een verleiding waar we wel voor vielen, was het eerste het beste visrestaurant dat we tegenkwamen: Nautical Nellies. Nou ja – niet het beste dus. Hopen we voor de Victorianen. Maar wel een attente bediening, wat natuurlijk weer niet gek is als je weet dat ze voor hun betaling voornamelijk afhankelijk zijn van de fooi. Ons hotel, The Embassy Inn, was wat simpeler dan het bekende “The Empress”, maar voor onze behoeften -een goed bed en rust- volstrekt aan de maat. Daar hebben we dan ook weer goed gebruik van gemaakt.

Mysterieus

Omdat je tijdens een vakantie ook weleens wilt uitslapen, besloten we op vrijdag pas in de middag naar de haven te gaan voor de in onze reis inbegrepen cruise op de fjord. Dat had direct als voordeel dat het ’s ochtends nog zwaarbewolkt was, terwijl vanaf een uur of half twee de zon aardig begon door te komen. Waar we echter geen rekening mee hadden gehouden, was dat onze voucher geldig was voor de afvaart van tien uur ’s ochtends, en niet die van twee uur ’s middags. Dat stond er namelijk niet op. Gelukkig was de jongen die ons dat vertelde, bereid om ons over te boeken – maar dan wel naar de cruise van zaterdagmiddag, want die van vrijdag zat vol. En dat het weerbericht er niet zo gunstig uitzag – ach, volgens hem kon dat nog wel veranderen.

Goed – een andere besteding voor de middag dus. Dat werd eerst maar eens het kabeltreintje dat een eind de berg Fløyen opgaat. Vanaf het bovenste station, op 320 meter hoogte, heb je een fraai uitzicht op de stad en vooral land en zee eromheen. En dus ook op de haven, waar we als in een soort Madurodam een enorm cruiseschip zagen vertrekken. Wat we een beetje misten was de actie zoals we die ooit zagen in een aflevering van Varg Veum (een detectiveserie die grotendeels in Bergen speelt) waarbij de held aan zijn achtervolgers weet te ontkomen door vlak voor het sluiten van de deuren in de cabine te stappen, en die achtervolgers met een auto proberen eerder bij de diverse stations te zijn. Wat natuurlijk net niet lukt maar wel spectaculaire beelden in de nauwe straatjes oplevert.

Omdat gemak de mens dient, zijn we niet naar beneden gaan lopen maar hebben we na verloop van tijd maar weer de rit terug gemaakt – zoals de meeste bezoekers, trouwens. Vervolgens een beetje rondgekeken in het stukje oude stad met de houten huizen – niet origineel, maar telkens weer opgebouwd na diverse branden en een ontploffing, in 1944, van een Nederlands vissersschip dat door de Duitsers gevorderd was en werd gebruikt voor het transport van 1.000 kg dynamiet en 10.000-en slaghoedjes. Interessant wel om te ervaren dat die hoge gebouwen langs heel smalle straatjes een prima bescherming bieden tegen de wind en waarschijnlijk ook de regen. Verder nog een beetje gewinkeld -ook de Noren blijken mooie glazen vogels te maken- en aan het eind van de middag terug naar ons hotel. Daar gegeten in het restaurant op de vijfde verdieping. Geen aanrader, want de aankleding en het uitzicht zijn wel aardig, maar helaas ook veel beter dan het eten.

Op zaterdag wederom een luie ochtend (nou ja, noem het bijhouden van dit blog maar luieren) en vervolgens op weg naar de cruise. Het weer was helaas niet beter dan voorspeld, maar wel werd duidelijk waarom de jongen van de dag daarvoor zo positief was geweest – hij ging zelf mee, samen met zijn kennelijk nog erg verse vriendin. Goed, dat straalde dus – en verder was het ook bij zware bewolking en zo nu en dan niet al te zware regen een fraaie trip van ruim drie uur, een ervaring die we aangenaam konden delen met een Nederlands stel dat toevallig bij ons aan tafel kwam zitten. Met een snelle boot tot aan het einde van de Osterfjord, door het heel smalle en ondiepe deel bij Mostraumen. Onderweg uitzicht op steile wanden, diepe kloven, watervallen en geïsoleerde dorpjes en alleenstaande huizen. En dat alles in een mysterieuze schemer en nevel - je begrijpt meteen waar de Noorse mythologie door geïnspireerd is.

Een smakelijk diner in een trendy restaurant (Colonialen Kranen) vormde de afsluiting van deze dag, en bijna ook van onze korte vakantie. Wat nog restte was, de volgende dag, een bezoek aan twee van de vier gebouwen van het kunstmuseum in Bergen (Kode). Te veel voor de drie uur die we daarvoor hadden, maar ook hier weer een paar mooie werken van Munch, een aantal best interessante werken van ons onbekende Noorse schilders uit de 19e en eerste helft van de 20e eeuw, en een verzameling internationale moderne kunst die er zijn mag.

Om drie uur met de tram terug naar het hotel, koffers opgehaald en door naar het vliegveld. Daar was het, als verwacht, niet al te druk zodat we mooi op tijd zouden zijn geweest als het vliegtuig dat ook was geweest. Nu hadden we een half uurtje extra wachttijd, maar dat werd tijdens de vlucht aardig ingelopen. Wel leverde de vlucht nog een aardig mysterie op: kan een notenallergie zo gevoelig zijn dat het hele vliegtuig (dertig rijen van zes personen) gevraagd moet worden om geen verpakkingen te openen waarin noten zitten? En als iemand zo gevoelig is, hoe kan hij of zij dan überhaupt reizen?

Door de bergen naar Bergen

Aan de kleding van de Noren zou je niet zeggen dat na die ene zomerse dag, nog voor 21 juni, de herfst intrad: zomerjurkjes en korte broeken te over, zij het gecombineerd met vesten en truien. Onze regenjassen vielen dus wat uit de toon en bleken ook overbodig, want het bleef wel droog. Toch brachten we het grootste deel van de dag binnenshuis door. Eerst in het Astrup Fearnley museum voor moderne kunst, dat met zoveel van dergelijke musea gemeen heeft dat het gebouw de kunst soms wat naar de kroon lijkt te stoten. Opvallende architectuur dus, van Renzo Piano, met ruime zalen en mooie doorkijkjes. Daarin een vaste collectie (met werken van Damien Hirst waarin veel dode dieren zijn verwerkt en die daardoor onprettig aanvoelen) en wisselende tentoonstellingen. Aansprekend? Ach, ten dele. Als je maar vaak genoeg naar dit soort musea gaat, kun je enerzijds allerlei dingen meer waarderen -vijf vierkante meter poging om vogelpoep met verf uit te drukken, bijvoorbeeld- maar heb je ook vaker het gevoel dat je het al wel eens eerder gezien hebt en raak je steeds minder verrast. Maar goed – al gebeurt dat maar met twee of drie werken, dan nog heb je er plezier van.

Gek genoeg geldt dat toch minder voor de wat klassiekere kunst die te zien is in het nationale museum voor beeldende kunst (Nasjonalgalleriet). Naast de schilderijen van Munch die we eerder noemden, vind je daar werken uit de hele periode van renaissance tot de tweede helft van de vorige eeuw. Vooral van Noorse kunstenaars en ook wat uit de rest van Europa. Niet spectaculair, maar op de een of andere manier kan het zoveelste portret van de dochter van de schilder, een stadsgezicht of een ondergaande zon boven een woeste zee soms net dat extra hebben waardoor je geraakt wordt. Hoe dan ook: de moeite waard om beide gezien te hebben – en als je moet kiezen, is het belangrijkste criterium misschien wel of je een spannend gebouw met kunst erin wilt zien, of een toegankelijke kunstverzameling in een niet nadrukkelijk aanwezig gebouw.

Verder nog een beetje door de stad gelopen, waar de guurte van het weer goed aansloot bij de zielloosheid van het regeringscentrum, dat nog bepaald niet hersteld is van de bomaanslag van juli 2011. Of anders: fysiek grotendeels hersteld, maar vooral leeg en -ook door alle veiligheidsvoorzieningen- onprettig van sfeer. Maar misschien is dat op en warme, zonnige dag anders.

Het vinden van een restaurant bleek niet eenvoudig. Voor de lunch wel – de (overdekte en verwarmde) terrassen langs de haven waren vrijwel leeg, en we aten daar een fijne vissoep- maar ’s avonds zat alles in de buurt van ons hotel vol. Uiteindelijk kwamen we terecht in een Mexicaans restaurant, waar de klandizie vooral bestond uit vrouwen. Speelde Noorwegen misschien in het WK?

De treinreis naar Bergen, de volgende dag, was misschien niet het hoogtepunt van onze reis, maar bracht ons wel op het hoogste punt van onze reis: ruim 1.200 meter boven zeeniveau. De eerste twee uur van de rit zijn niet zo bijzonder: eerst door een tunnel naar de buitenwijken van Oslo, dan een heel stuk tussen bedrijventerreinen en weinig aantrekkelijke huizenblokken en ten slotte steeds meer tussen de weilanden, bossen, meren en rivieren. Langzaamaan, terwijl de trein merkbaar klimt, wordt het landschap onherbergzamer en zie je op de bergen de eerste sneeuw. En ineens rijd je dan op de hoogvlakte, waar hier en daar ook nog wat sneeuw ligt en waar je je afvraagt hoe het hier in de winter zou zijn en hoe die trein daar dan kan rijden. Een paar stations, waarvan sommige zo geïsoleerd liggen dat je ze vanuit Oslo of Bergen niet over de weg kunt bereiken en waar één ervan de mogelijkheid biedt om over te stappen op de Flåmbanen naar Flåm, een plaatsje aan de Aurlandsfjord waar we een jaar of 25 geleden kampeerden. Daar gingen we nu niet naartoe, maar door naar Bergen. Al dalend komt de trein nog steeds door redelijk verlaten gebieden, maar zo mooi als op de hoogvlakte wordt het niet meer. Een heel stuk langs een rivier -of is het de uitloper van een fjord?- en dan steeds meer de bewoonde wereld in. Met een kwartiertje vertraging kwamen we bijna 7 uur na ons vertrek uit Oslo in Bergen aan, waar het aanmerkelijk frisser was dan bij vertrek uit Oslo, die ochtend om 8 uur.

Omdat we niet tevoren hadden uitgezocht hoe we er met openbaar vervoer konden komen, namen we een taxi naar ons “Magic” hotel, dat een klein stukje buiten het centrum ligt. We kregen er een vrij kleine, nogal futuristisch ingerichte en daardoor niet direct comfortabele kamer (maar wel met goede wifi). Daarna met de tram, waarvan een halte vlakbij bleek te zijn, terug naar de stad voor een kop koffie en een glas wijn met de dochter van onze Engelse vrienden, die momenteel in Bergen woont. We kennen haar al vanaf het moment dat we haar moeder suggereerden dat 4 maart wel een mooie dag zou zijn voor haar geboorte, en dat werd het ook. Wat toch een band schept. Gezellig om haar weer even te zien, en ook nuttig – ze suggereerde ons een goed restaurant, Bare Vestland, dat van louter lokale producten fijne gerechtjes maakt om samen van te genieten.  

 

Vroeg op, laat weg

We moesten wel erg vroeg ons bed uit, vonden we. Een vlucht die om zeven uur ’s ochtends vertrekt is niet echt wat we zelf zouden kiezen, maar in dit geval was het voor ons gedaan. En ach, op deze manier zouden we nog wat aan onze eerste dag in Oslo hebben, dachten we zo – zij het met een beetje kleine oogjes. De taxi was er precies om vijf uur, de weg heel stil en dus kwamen we heel ruim op tijd op Schiphol aan. Vonden wij, maar in de praktijk bleek het net aan: van terminal 1 naar terminal 1a is nog best ver lopen, het afgeven van ruimbagage nam veel tijd in beslag omdat er weer mensen voor ons tegelijk met hun koffer ook hun hele levensverhaal wilden inchecken en de veiligheidscontrole leverde veel vertraging op omdat de bodyscan het glittertruitje van Marian aanzag voor een bomvest en de camera en lenzen van Max voor een kanon. Wat in het Engels wel weer correct was, maar verder toch wat overdreven. Al met al konden we nog net een kop koffie scoren (ook dat kost veel tijd als er tien man voor je staan) voor we moesten boarden, en konden we die alleen maar geheel opdrinken omdat we even op een bus moesten wachten om ons naar het vliegtuig te brengen. Dat vervolgens niet bleek te kunnen vertrekken omdat de veiligheidsgordel van de piloot geblokkeerd was en zijn stoel vervangen moest worden – wat een paar uur ging kosten. Maar gelukkig hoefden we daar niet op te wachten, want binnen een uur zaten we in een vervangend toestel en waren we alsnog op weg.

Verder een vlucht zonder incidenten, een efficiënte afhandeling op het -mooie en prettige- vliegveld van Oslo en een voorspoedige treinreis van een half uurtje naar het centrum van de stad. Een kwartiertje lopen naar het hotel en daar bleek zowaar onze kamer al beschikbaar, zodat we nog voor de lunch een uurtje slaap konden inhalen. Geen luxe kamer, overigens, maar wel een goed bed en nauwelijks geluid van buiten, de gang of andere kamers. Lunchen deden we in een trendy hipstercafé: ingenieuze kapsels/baarden en driekwart-broeken, avocado, yoghurt met een grote variëteit aan bessen en granen. Prima.

Daarna -het was vrij fris en vochtig en dus geen dag voor sight-seeing- een wandelingetje naar het Munch-museum. Niet heel groot, maar dat hoeft ook niet – zijn werk is nogal krachtig en weinig opwekkend, zelfs als de thematiek niet expliciet dood en vergankelijkheid is. In elk geval erg de moeite waard, ook om te zien hoe hij met heel weinig verf -soms zo dun dat het doek er nog doorheen komt- in houding en uitdrukking van de mensen een grote verlatenheid en ingehouden emoties, van ongemak tot passie en van wanhoop tot berusting, weet uit te drukken. En nee, “De schreeuw” hangt er niet – die is te zien in de Nasjonalgalleriet, een paar kilometer verderop. Als het je lukt om je door de massa te wringen, net als bij de Mona Lisa in het Louvre. Wat ook weer niet zo erg is, want het is niet zijn sterkste werk en er hangt daar nog wel meer wat de moeite waard is.

Terug naar het hotel leidde de weg ons eerst -hoe kan het ook anders- door de botanische tuin, waar vooral de kas met de Victoria Regina en diverse vlinders ons wel aansprak, en vervolgens langs de moskee en de gevangenis, die we geen van beide bezichtigden. Voor het diner vonden we de Trattoria Popolare, een Italiaan restaurant met lekkere antipasti, iets mindere risotto en een Vlaming in de bediening die ons vertelde dat hij evenveel vriendinnen had als hij talen sprak. Hij was nu begonnen Arabisch te leren.

De volgende dag was het zomer. Geen wolkje aan de hemel en een temperatuur van wel 21 graden. Perfect voor een wandeling door de stad – een beetje kijken en niet kopen (geen plaats in de koffer voor stokvis en gedroogd rendiervlees) in winkels, een bezoekje aan het opvallende gemeentehuis (met monumentale trap) en aan de paleistuin (met ceremoniële wisseling van de wacht en een mooi uitzicht over de stad). Hierna een stukje met de tram naar het Vigeland beeldenpark, alweer zo’n toeristisch hoogtepunt dat je toch niet gemist wilt hebben. Honderden beelden van mensen in alle stadia van baby (“Het is een jongetje, kijk maar wat ik hier vasthoud”, kunnen alle Japanse toeristen zeggen als ze thuis hun foto’s laten zien) tot oude man of vrouw. Naturalistisch, perfect gevangen in beweging en met net genoeg detail in huid en gezicht om ook hier weer emoties te kunnen zien. Zeer herkenbaar uit de eerste helft van de vorige eeuw, met zo nu en dan een symboliek die degenen die de kunst van daarna verschrikkelijk vinden, wel zullen kunnen waarderen.

Afsluitend een tochtje met tram en bus naar een schiereiland in de fjord. Niet vanwege de daar gelegen villawijk of het vikingschipmuseum, maar gewoon om wat meer te zien zonder te hoeven lopen. En met overstap op een veerboot die ons terugbracht naar het centrum, waar we aan de haven vlak bij het gemeentehuis een aangenaam visrestaurant vonden.

Welcome to Malta

Inmiddels zit onze week op Gozo er weer op. Donderdagochtend voeren we terug, over een beduidend gladdere zee, en onder een wolkendek waar geen regen uit viel maar de zon zo nu en dan doorheen brak. Ook dit keer hadden we geluk en konden we mee op de eerste veerboot na onze aankomst bij de terminal – iets wat we des te meer waardeerden toen we de enorme file zagen van mensen die de andere kant op wilden.

De dagen daarvoor hebben we veel op het binnenplaatsje van ons huisje gezeten, lekker in de schaduw en uit de wind een boekje lezen. Eén dag hebben we uitstapje gemaakt naar wat tot voor kort een van de belangrijkste toeristische attracties van het eiland was: The azure window, een rotsformatie die als een soort kozijn een eind in zee stak en die waarschijnlijk miljoenen malen gefotografeerd is. Maar niet door ons, want vorig jaar is het hele ding tijdens een heftige storm ingestort en geheel onder water verdwenen. Wat overigens niet betekent dat er geen toerist meer komt: de hop-on-hop-off bus rijdt er nog steeds naartoe en er is daar vlakbij nog steeds de binnenzee, een klein meertje dat via een ondergrondse tunnel in verbinding staat met de zee en dat verder gaat in een grote grot in een steile rotswand – ideaal voor duikers.

Wij hebben voor ons uitstapje niet de bus genomen, maar onze gehuurde auto. Op Gozo is het op de meeste plaatsen niet druk, dus het rijdt er een stuk prettiger dan op Malta. En na een tijdje went het ook wel weer om in een auto te rijden met het stuur rechts. Het lastige daarvan is trouwens niet het links rijden of het schakelen met je linkerhand, maar vooral het krijgen van een gevoel voor de breedte van het ding. Wat tot gevolg heeft dat je de ene keer geneigd bent om te ver naar het midden van de weg te rijden (geen punt als die maar anderhalve auto breed is) en de andere keer ongeveer in de berm te zitten (geen punt als er een berm is en niet een muur, of geparkeerde auto’s).

Na een lunch aan de binnenzee zijn we doorgereden langs een paar kleinere plaatsje aan de noordkust van Gozo, met hier en daar ook een soort strand. Daar hebben we geen gebruik van gemaakt – het zeewater is nog erg koud, zagen we aan de snelheid waarmee wie er wel inging er ook weer uitkwam. Het gaf ons ook de gelegenheid om te kijken naar de echte toeristenplaatsen, met de grotere hotels en de terrasjes. Niet echt ons ding, constateerden we tevreden.

En nu zitten we toch in een dergelijk oord. Marsaskala, aan de oostkust van Malta en dicht bij het vliegveld, want onze terugvlucht gaat om 07:40. In een hotel dat net gerenoveerd is – althans, het deel waar wij zitten. Aan de rest wordt nog gewerkt, dus overdag is nog wel eens een boor of hamer te horen. En voortdurend, ook ‘s nachts, verkeer, want in plaats van aan een doodlopend steegje dat zelfs te smal is voor een Smart, ligt het aan de doorgaande weg door dit stadje – zij het gelukkig wel wat buiten het centrum. In dat centrum, aan de baai, een flink aantal restaurants. Dat wat we de eerste avond bezochten leek niet onaardig, maar de ruimte waar we zaten was zeer lawaaiig, de bediening was niet erg attent en het eten onderscheidde zich meer door de enorme porties dan door de verfijnde smaak. Nou ja, een stevige bord inktvistentakels mag er zijn en een grote kom soep van schaal- en schelpdieren ook – maar bij elkaar was het echt teveel, en dat had degene die de bestelling opnam wel even kunnen zeggen. Toen we bij het afrekenen op deze wat minder positieve ervaringen wezen, was het antwoord “Welcome to Malta”. 

In het hotel hadden we trouwens ervaringen die ons deden terugdenken aan onze huwelijksreis, toen we in Brussel in een heel erg niet gerenoveerd hotel zaten. Toen werden we een keer om een uur of zes gewekt door een telefoontje van de receptie waar iemand, toen we slaperig vroegen wat er aan de hand was, antwoordde met een welgemeend “Merde”, gevolgd door excuses. Het was zijn bedoeling geweest om een hele groep Amerikanen te wekken die met de bus mee moesten, en wij zaten in een kamer daartussen. Dat laatste was ons al duidelijk geworden, want de avond daarvoor hadden ze luid met elkaar geconverseerd door uit de ramen te gaan hangen die uitkeken op een kleine luchtschacht. Nu kwam het telefoontje om kwart over vijf, en was het bedoeld voor iemand die een taxi besteld had. Niet, zoals we aan het ontbijt met enige spijt constateerden, de groep Zweden of Denen die de avond daarvoor de goedkope alcohol gevierd hadden op hun balkon en daarna nog even afscheid namen op de gang voor onze kamerdeur.

Bij het ontbijt troffen we ook de Engelsman die we eerder in de lift tegenkwamen en die naar eigen zeggen al 37 jaar in dit hotel woont. Nu vertelde hij daar wat meer over: hij was op Malta terechtgekomen nadat hij uit Montenegro was vertrokken toen daar de oorlog uitbrak die een einde maakte aan Joegoslavië, en hij had met zijn vrouw in een appartement achter het hotel gewoond. Toen hij, een tijdje nadat zijn vrouw overleden was, na een hartaanval uit het ziekenhuis kwam, had de eigenaar besloten dat hij maar in het hotel moest komen wonen, dan konden ze een oogje op hem houden en voor zijn maaltijden enzovoort zorgen. Ook een vorm van mantelzorg, dus.

Onze laatste dag op Malta verliep niet onaangenaam. Na het ontbijt eerst nog even een uurtje slaap inhalen, kopje koffie en wat lezen op het balkon, lunch op het balkon. Toen een wandelingetje over de boulevard en verder wat paden langs de kust: een oude verdedigingstoren bekijken (die overigens in het niet viel bij het gestripte karkas van het hotel dat er ooit voor gebouwd was en inmiddels weer verlaten) en de tweede baai waaraan Marsaskala ligt. Veel mooier dan de dichtstbijzijnde en ook beter geschikt om in te zwemmen – wat sommige dapperen ook deden.

Daarna nog weer wat op het balkon met een drankje en op zoek naar een restaurant dat de ervaring van gisteren zou kunnen doen vergeten. Nou, dat is gelukt: een bord tagliatelle met zee-egelsaus en een St. Peter Fish (in het Nederlands kennelijk zonnevis of zeehaan) die groot genoeg was om met z’n tweeën te eten -iets wat de serveerster bij het bestellen al aangaf- en een lekker glas wijn kwam het helemaal goed.

Nu gauw naar bed en nog wat uurtjes slapen, en dan: Goodbye, Malta.