Marian en Max zijn even weg

Laatste kilometers

Onze gastvrouw in Valencia spreekt zeer goed Engels, dus toen ze ons op zondagochtend in een stortvloed van woorden een lijst van wel 30 dingen meegaf die we moesten bezoeken en zien (ter plekke opgeschreven en gemarkeerd op de kaart) was ze heel duidelijk: dit was een opdracht voor de komende dagen. Nu zijn we daar niet zo goed in, dus een deel hebben we bewaard voor een volgende keer, maar tot nu toe blijkt de lijst ons wel langs een aantal hoogtepunten te leiden.

Op maandag begonnen we met de Mercat Central, de grootste markthal. Altijd weer leuk om tussen de diverse etenswaren te lopen en te bedenken wat je allemaal zou kopen als je zelf zou koken. Niet gewacht tot er een stoel vrijkwam bij Bar Central, waar midden op de markt de chef van een twee-sterrenrestaurant lekkere hapjes bereidt. Of laat bereiden door z’n personeel, natuurlijk. Helaas hadden we op dat moment niet zo’n trek. Vervolgens naar het Ajuntament, het gemeentehuis, waar we -na door een detectiepoortje te zijn gegaan- de centrale hal konden bezichtigen (met daarin de twee enorme poppen die zaterdagavond aan het hoofd van de stoet gingen), de balzaal met enorme kroonluchters en prachtig beschilderde plafonds en de raadszaal – een opstelling in een halve cirkel rond een podium, met achteraan, een verdieping hoger, de publieke tribunes. In loges, van waaruit je op veilige hoogte in een soort arena keek en met een ereloge, midden achter, voor de pers. Zij het dat daar de wat minder comfortabele stoelen stonden. Ook hier weer wat fraaie versieringen, al zag het geheel er wel wat versleten uit. Of beter gezegd: intensief gebruikt. Overigens, in het halve uurtje dat wij er waren werden er minstens drie schoolklassen doorheen geleid die kennelijk les kregen in democratisch bestuur – zonder dat ze daar veel belangstelling voor leken te hebben. Ten slotte nog een bezoekje aan het balkon, vanwaar we een prima uitzicht over het Plaça de l'Ajuntament hadden, het grote plein met enorme gebouwen eromheen en in het midden nu een ijsbaan. Nou ja, zo leek het – we zagen niet echt iemand schaatsen dus misschien was het wel een dansvloer.
Aan de overkant van het plein de Correos, het centrale postkantoor. Niet alleen van buiten een mooi gebouw, maar vooral binnen nogal indrukwekkend: een grote, halfronde hal met een enorme hoeveelheid loketten. En dat allemaal in gebruik, zij het dat we niet de indruk kregen voor het afgeven van brieven of het opgeven van telegrammen. Hoe dan ook: veel mensen, en niet alleen om te kijken, zo te zien. Druk was het ook in het Estacion del Nord, het nabijgelegen (kop)station waar de lijnen naar het noorden beginnen. Hier wel een beeld wat je ook in Nederland ziet: in allerlei ruimten die vroeger ongetwijfeld een andere functie hadden, zitten nu winkels en cafetaria’s. Slechts in één ruimte zijn de oorspronkelijke tegeltableaus bewaard gebleven. Ook hier veel politie op de been, trouwens, maar dan niet de gemeentepolitie maar een duidelijk andersoortige – met het type machinegeweren waarmee bij ons de marechaussee loopt die Schiphol en het gebouw van de Tweede Kamer beveiligt.
Vervolgens door een drukke avenue en daarna een winkelstraat naar de Mercat Colòn, een gerestaureerde en tot foodhall omgebouwde markthal. Volgens onze gastvrouw zouden we hier kunnen kiezen uit vele soorten paella, maar dat viel nogal tegen: niet alle restaurants waren geopend en de cafés boden niet zoveel aantrekkelijks. Dus maar op eigen gelegenheid op zoek naar iets smakelijks. Dat vonden we na een half uurtje in het restaurant van een hotel, waar we als voorgerecht bonbons van gevogeltelever aten, daarna een typisch Valenciaanse paella-achtige schotel maar dan met noedels (de overeenkomst met oosters eten is toch wel groot) en ten slotte een prima dessert. Zo kom je je middag wel door – en eigenlijk ook de avond, want wat er toen nog aan trek restte konden we afdoende stillen met de pasteitjes die we ’s ochtends op de markt hadden gekocht “voor het geval dat”. Waarbij we trouwens ook -weer- constateerden dat dit appartement in Valencia wel heel mooi ligt, zo midden in het centrum, maar niet echt huiselijk is: de woonkamer van ruim 10 bij 10 meter (en ook nog eens ruim drie meter hoog) is daarvoor gewoon te groot, en de inrichting met twee vierzitsbanken en een grote ronde eettafel toch wat te karig.

Dinsdag museumdag. Althans, het Museu des Belles Arts, dat met de omvang van zijn collectie van schilder- en beeldhouwkunst kennelijk het derde in Spanje is. Vooral veel religieuze kunst: altaarstukken, piéta’s etc., uit de vroege middeleeuwen tot de 18e of 19e eeuw. En uit de latere periode natuurlijk ook burgerlijke kunst: portretten, landschappen en stillevens. Een paar echt mooie stukken, maar eigenlijk was wat het museum echt de moeite van een bezoek waard maakte, het feit dat er tussen al deze oude kunst hier en daar ook een goedgekozen maar natuurlijk nogal contrasterend modern / eigentijds werk hing of stond.
Het museumrestaurant bood een goed menu (met dit keer echte paella) dus naar een lunchgelegenheid hoefden we niet te zoeken. De middag daarna brachten we deels door in El Corte Inglés, maar daar waren we toch snel uitgekeken, deels met het bekijken van een paar gebouwen die we onderweg tegenkwamen en die deels ook op het lijstje van onze gastvrouw stonden. Nadat we onze voeten een paar uur rust hadden gegund in ons appartement, om acht uur nog even naar buiten om wat te eten. Op goed geluk een restaurant binnengestapt – en dat viel bepaald niet tegen. Nou ja, wel dat een deel van de gevel open stond en het dus binnen niet veel warmer was dan buiten, maar de gestoofde zeebaars -met mosselen, garnalen en gamba’s- was perfect.

De laatste dag alweer. Inpakken en afscheid nemen van onze gastvrouw. Voorlopig, want aan het einde van de middag zouden we nog terugkomen om onze bagage op te halen. Daarna weer de stad in. Eerst langs de markt om nog wat lekkere pasteitjes te kopen voor tijdens de terugvlucht. Vervolgens een tocht langs diverse kerken die de moeite van het bekijken waard zouden zijn: een gewone parochiekerk, de kathedraal, de basiliek (waar net een mis werd opgedragen) en de kerk van St. Nicolaas, een gotisch gebouw met barokke fresco’s op het plafond die volgens diverse bronnen de vergelijking met die in de Sixtijnse kapel kunnen doorstaan. Nu hebben we die nooit gezien, dus dat geloven we dan maar. Mooi waren ze in elk geval, en de audiotour hielp wel bij het enigszins begrijpen van alles wat we zagen. Onderweg kwamen we ook nog langs een gebouw waar de “generalitat”, het bestuur van de autonome regio Valencia -dat teruggaat tot de 15e eeuw- vergadert. Daar naarbinnen stappen bleek een goede keus, want er waren een paar bijzonder mooie zalen te bezichtigen, met kunstige geometrische patronen in het houtwerk, sommige met goud ingelegd, en schilderijen van mannen die eeuwen geleden kennelijk deel hadden uitgemaakt van het bestuur – perfect in volgorde van belangrijkheid, maar nu allemaal even dood.
Eigenlijk hadden we bedacht dat we nog een bezoek gingen brengen aan het museum voor moderne kunst, maar toen we daar aankwamen hadden we eigenlijk zin om eerst wat te eten, en nadat we dat gedaan hadden -in de tuin van Convent Carmen, met diverse keukens met zeer gevarieerd aanbod- leek het ons aangenamer om de rest van de middag nog even van de zon te genieten. De botanische tuin bleek net wat te ver we (gelukkig geen wolven hier) maar de tuin in de rivierbedding bood een acceptabel alternatief: lekker in het zonnetje bij 18 graden. Dat was natuurlijk ook de reden om hier naartoe te gaan in deze tijd van het jaar: dagtemperaturen van toch zeker 10 graden hoger dan in Nederlanden nauwelijks regen. Dat het dan ’s nachts net zo koud was en de verwarming in de meeste appartementen niet echt genoeg om het comfortabel te maken, namen we dan maar voor lief.

Rond vier uur was het tijd om terug te lopen naar het appartement, waar we op de Placa de la Reina bij de wereldberoemde chocolateria Valor (geleerd op de cursus Spaans) nog een “degustation de chocolates” genuttigd hebben – vier verschillende bereidingen van drinkbare of althans lepelbare chocolade van verschillende sterkte en herkomst. Met churros – een traktatie.
Koffers opgehaald (en de complimenten van onze gastvrouw in ontvangst genomen voor het feit dat we geroken hadden dat er iets heftig mis was met de riolering, wat niet zo moeilijk was want in een van de slaapkamers was het alleen te harden met het raam open - maar dat wordt nu dus verholpen) en met de taxi naar het vliegveld. Waar we, wachtend op onze vlucht naar Rotterdam, dit blog weer afsluiten.  

Sightseeing

We vonden het wel opmerkelijk, zoveel politie op de been. En steeds meer, naarmate we ons appartement in het centrum van Valencia naderden. En aan het begin van de laatste straat waar we doorheen moesten, stonden zelfs hekken, maar daar konden we gewoon door. Vervolgens: dranghekken aan beide zijden op de stoep. Was er soms net een wielerronde langsgekomen? Nou nee, achter de hekken stonden aan weerszijden vier rijen plastic stoeltjes, en daar waren er heel wat van bezet door mensen die duidelijk zaten te wachten. Hmm, er ging dus nog iets gebeuren ….
Onze gastvrouw wist het ons natuurlijk direct te vertellen. We vielen met onze neus in de boter, want twee uur later, om zes uur ’s avonds, begon de grote optocht ter gelegenheid van Driekoningen – het grote feest in Spanje, waarbij alle kinderen cadeautjes krijgen, zoals in Nederland bij Sinterklaas en op andere plaatsen met Kerstmis. Ja, logisch eigenlijk – wie anders dan de Koningen moeten er cadeautjes brengen? En wie anders dan wij zouden op de eerste rang zitten, op ons balkon in een zijstraat van de route?
Nou ja – dat zou wel. Groter zorg was, of je nu met de auto nog wel hier vandaan kon komen, want die moest weer ingeleverd worden op het vliegveld. Het leek er even op dat dat niet zou lukken – bij het verlaten van de parkeergarage bleek de route die het navigatiesysteem aangaf, al afgesloten. Maar gelukkig was er nog één straatje toegankelijk. Nogal nauw, in de verkeerde richting en eigenlijk half voetgangersgebied, maar toch. Het kostte wat meer tijd en de nodige zweetdruppels, maar uiteindelijk lukte het met een volgetankte auto het vliegveld te bereiken en de drop-off balie te vinden. En, mooier nog: de metro terug stond even later klaar. Enige tegenwoordigheid van geest en een handige kaart van het centrum hielp vervolgens om een uitstaphalte te vinden waarvandaan het appartement weer te bereiken was (het dichtstbijzijnde station lag net aan de andere kant van de route van de optocht, dus dat leek wat minder handig) en zo zaten we op tijd elk op een balkonnetje te wachten op de dingen die komen gingen. Nou, dat was nogal wat. Enorme poppen, praalwagens, muziekkorpsen, acrobaten, steltlopers. Grote hoeveelheden snoep en confetti die het publiek werden ingeworpen – het hield maar niet op. Nou ja, bij wijze van spreken dan, want om acht uur was het weer voorbij. Maar gelukkig hebben we de foto’s en video’s nog.
Voor het eten hebben we het ons maar gemakkelijk gemaakt en niet te ver gezocht – het restaurant vrijwel onder ons appartement (b)leek goed genoeg. En daarna snel naar bed, want in combinatie met de reis van ruim drie uur bleek dit alles toch knap vermoeiend. Gelukkig maar, dus, dat de slaapkamers van dit appartement aan een zeer stil binnenplaatsje liggen.

De volgende ochtend een beetje op tijd op, want onze gastvrouw zou nog even langskomen om ons wat tips te geven voor dingen die we moesten zien. Daar had ze goed over nagedacht, want het werd echt een programma van dag tot dag, rekening houdend met openingstijden en sluitingsdagen. De eerste dag, zondag, moesten we beslist een wandeling maken door de Jardí del Túria, de tuin die is aangelegd op de plaats waar vroeger de bedding was van de rivier die Valencia doorsneed, maar die is omgelegd na de grote en rampzalige overstroming van 1957. Mooi wel dat het plan om daar een autoweg aan te leggen, het uiteindelijk niet heeft gehaald – de tuin is echt fraai, met wandel-, fiets en zelfs speciale hardlooppaden (welk onderscheid overigens voor de gebruikers wat te ingewikkeld bleek).

Als je door de tuin maar lang genoeg -20 minuten, volgen onze gastvrouw, maar wij deden er wel een uur over- richting zee loopt, kom je uiteindelijk in de Ciutat de les Arts i les Ciències, een verzameling gebouwen die zijn gewijd aan kunsten en wetenschappen (inderdaad, had Den Haag ooit ook, maar ja – brand, private geldzucht en publieke krenterigheid). Werkelijk prachtige moderne architectuur. Eerst het Palau des Artes (opera- en theaterzaal) – alsof er een enorme Zeppelin is neergedaald. Dan L'Hemisferic, een gebouw in de vorm van een oog waarin een 3D-bioscoop is gevestigd. Vervolgens het grootste gebouw, het Museo de las Ciencias (wetenschapsmuseum) dat wel iets wegheeft van een ruggegraat – maar dan van een onbekend wezen. Vervolgens de Agora, een congreshal. Anders dan de andere gebouwen uitgevoerd in blauw, en momenteel in de steigers. Daar weer achter L’Oceanografic, het aquarium met een collectie van kwal tot walrus. Dit beslaat diverse gebouwen die allemaal een bijzondere vorm hebben; bovengronds is er een grote bolvormige vogelkooi en diverse open vijvers waarin ook vogels gehouden worden, reuzenschildpadden en krokodillen. Het geheel omgeven door de tuin en een aantal waterpartijen, terwijl langs het Museo de las Ciencias en L’Hemisferic op boulevardhoogte nog L’Umbracle loopt – een tuin onder een rij bogen zoals je die hier in Spanje veel ziet als bescherming van landbouwgewassen, maar dan veel hoger en niet overdekt met plastic. En tussen het Museo de las Ciencias en de Agora dan wordt de tuin dwars overspannen door de Pont de l’Assut de l’Or, een brug die wel lijkt op de Erasmusbrug in Rotterdam.
Nou ja, je moet het zien – en dan niet alleen op foto’s, maar vooral terwijl je ertussen loopt en je de enorme omvang van alles kunt ervaren. Natuurlijk moet je eigenlijk ook alles van binnen zien, maar wij hebben ons beperkt tot het aquarium en vonden dat wel genoeg voor de dag. Hoewel – daarna moesten we nog terug, maar gelukkig konden we ter hoogte van de opera een taxi nemen voor de rest en konden we ’s avonds weer een aardig restaurant in de buurt vinden, anders zouden we deze dag geen twaalf maar zeker 15 kilometer gelopen hebben. En dat doen we niet zo vaak meer.

Onverwachte genoegens

Had je ons een paar jaar geleden verteld dat we nog eens zouden overwinteren in een appartement aan de boulevard van een klein stadje aan een van de Spaanse Costa’s, dan zouden we je waarschijnlijk hebben uitgelachen. Strand, zee, toeristische drukte - niets voor ons, zouden we gezegd hebben. En toch is het wat we nu doen. Nou ja – maar vier dagen, maar toch. We hebben een appartement gehuurd in Aguilas, aan de Costa Calda, ongeveer halverwege Malaga en Valencia. Het ligt aan de boulevard, op de vierde verdieping, en we kijken uit op het strand, de zee, en de rotsen die de baai omspannen. Om acht uur ’s ochtends worden een stukje verderop de terrasjes in gereedheid gebracht, en daar wordt tot in de avond gegeten en gedronken. Recht tegenover ons appartement is op het strand een speelplaatsje voor kinderen waar de hele dag gebruik van wordt gemaakt en direct daarnaast verzamelt zich ’s middags een groepje mannen voor een paar spelletjes jeu-de-boule. Wij zitten op ons balkon en zien het allemaal gebeuren. Overigens trekken we daarbij soms wel een vest aan, want op het moment dat de zon even weg is, voel je meteen dat het ook hier winter is – 10 à 12 graden (nou ja, dinsdag was het nog 19 à 20) en een daardoor wat koude wind. Ontbijt en lunch verzorgen we zelf, net als het glaasje wijn met een hapje daarbij, maar ’s avonds zoeken we een van de vele restaurantjes op die onze gastheren ons hebben aanbevolen. Wat de ene keer betekent dat we bijna de enige gasten zijn, en de andere dat het restaurant kort nadat wij een tafeltje hebben gevonden helemaal volloopt en ook uren druk blijft. Dat verschil begrijpen we -achteraf- wel uit de kwaliteit van het gebodene: het eerste restaurant heeft ‘s avonds een wat beperkte en relatief dure kaart (waarvan we de hartige pannekoeken aten) en het andere biedt een variëteit aan tapas en raciones die we ons goed lieten smaken en waarvoor we heel weinig kwijt waren. Hoewel: sinds het schrijven van de vorige zin bezochten we nog een restaurant en daar zaten we om kwart over acht ook als enigen, totdat om half tien een tweede tafel werd bezet – en daar aten we, nadat de kok ons had meegenomen naar de keuken om onze keus te maken, een aantal verrukkelijke vis-, schaal- en schelpdiergerechten. Maar goed, dat was ook weer in een andere prijscategorie.

Ons appartement ligt op de vierde verdieping van een gebouw dat zo’n 30 à 40 jaar zal zijn – op de foto uit 1968 die in de woonkamer hangt is het in elk geval nog niet te zien. Het heeft een L-vorm: twee appartementen per verdieping: één in de breedte langs de boulevard en het andere (zoals het onze) diep naar achteren gebouwd, met de woonkamer en de slaapkamer aan de boulevard, met een klein terrasje. Verder naar achteren nog twee slaapkamers, twee badkamers en de keuken. Alles niet bijzonder groot, maar je zou er met zes personen kunnen verblijven – dus groot genoeg voor ons. Je kunt duidelijk zien dat een van de gastheren hier ook gewoond heeft, want het is goed (en eclectisch) gemeubileerd en alles wat je nodig zou kunnen hebben is er. Plus heel veel etenswaren die speciaal voor ons zijn ingekocht als welkomstgeschenk. Heel prettig. Toen we aankwamen waren we even bang dat we nooit met z’n tweeën tegelijk de deur uit zouden kunnen gaan, want het slot van de deur beneden vertoonde kuren, maar na enig proberen kregen we er handigheid in (en misschien is het ook wel gerepareerd terwijl we er zaten). Parkeren leek een probleem, maar na een tijdje ontdekten we dat het wel altijd vol stond, maar met een heel vlottende bezetting.

Veel te beleven is hier verder niet -vooral omdat we ons niet aan wandelingen wagen waarbij echt geklommen moet worden- maar het bevalt ons wel. En wat echt interessant was, was een uitstapje naar Cartagena, zo’n 50 km hiervandaan. We gingen ernaar toe omdat we gelezen hadden over de gebouwen in art nouveau / art deco-stijl, maar vonden uiteindelijk de veel oudere geschiedenis een stuk interessanter. Ook daarover hadden we al wel iets gelezen, maar pas toen we de video zagen waarin een toelichting gegeven werd op het stukje Fenicische muur dat bewaard is gebleven, realiseerden we ons op welke historische grond we stonden: het “nieuwe Carthago”, gesticht na de eerste Punische oorlog (tussen Romeinen en Feniciërs) en startpunt van Hannibals tocht die hem -met olifanten- over de Pyreneeën en de Alpen richting Rome bracht. Een tocht die niet alleen niet de overwinning bracht, maar eigenlijk ook de oorzaak was van de nederlaag: als we het goed begrepen bleef door deze veldtocht de stad onvoldoende verdedigd achter en kon ze door de Romeinen ingenomen worden.
Die Romeinse bezetting leidde dan weer wel tot een bloeiperiode waarin veel gebouwd werd: huizen, een Forum, amphitheaters. We bezochten een enkel redelijk goed bewaard en inmiddels weer uitgegraven exemplaar, en ook nog de middeleeuwse burcht op een van de heuvels. Waarvandaan we een mooi zicht hadden over de (natuurlijke) haven, met daarin een bijzonder schip: een enorm zeilschip dat er uitzag alsof het uit een science-fiction film kwam, en waarvan we na enig speurwerk konden vaststellen dat het het jacht “A” was – het grootste (en duurste) jacht dat tot nu toe gebouwd is. Aan de andere kant hadden we natuurlijk uitzicht over de stad. Daar kon je goed zien dat zo’n rijke historie niet echt een zegen is: grote delen van de oude binnenstad lagen open voor opgravingen, deels achter gevels die als enig deel van de gebouwen die er de laatste eeuwen waren gebouwd, overeind werden gehouden.
Hoe dan ook, we waren blij dat we dit uitstapje gemaakt hadden, maar vonden het niet erg dat we niet in deze stad ons onderkomen hadden gevonden.

Het mag duidelijk zijn dat we een auto gehuurd hebben. Niet vanaf de eerste dag – wat moet je met een auto in Malaga- maar vanaf de dag dat we naar Aguilas gingen. Een Fiat 500, maar wel een 500X en dat is toch heel iets anders: prettig rijgedrag, ook op de snelweg, alle ruimte voor onze twee koffers, rugzakken en andere spullen, en heel comfortabele stoelen. En toch klein genoeg om in Spaanse binnensteden mee te rijden. Blij dus dat we deze upgrade genomen hebben (we hadden iets in de klasse van een Opel Corsa gereserveerd) maar tegelijkertijd blijft de manier waarop autoverhuurders -Herz in dit geval-  dat doen, ergerlijk: je komt moe bij de balie (in ons geval niet vanwege de vlucht maar de korte nacht), daar zitten mensen die gebrekkig Engels spreken met een accent dat bijna onverstaanbaar is (zouden ze daarop worden geselecteerd of is dat het resultaat van training?) en die vertellen je dan halve waarheden zoals “Diesel is veel goedkoper“ (ja, maar niet in Spanje) en “Het kost u maar 50 Euro extra” (ja, maar daar komt nog BTW bij). En ze slagen er weer in om in het contract een extra, onnodige, uitbreiding van de service op te nemen, waardoor je uiteindelijk twee keer zo duur uit bent als je dacht. Nou ja, we wisten het wel: “Laß dir nichts einreden, Sieh selber nach! Was du nicht selber weißt, Weißt du nicht. Prüfe die Rechnung, Du mußt sie bezahlen. Lege den Finger auf jeden Posten, Frage: wie kommt er hierher?”

Geen vuurwerk

We gingen naar de vestiging van het Centre Pompidou in Malaga. Op maandag, want in tegenstelling tot veel andere musea in de stad is dat elke dag geopend, met uitzondering van eerste kerstdag en nieuwjaarsdag. En 31 december vanaf 15:00, zo bleek toen we ons er vervoegden na een aangename lunch op een zonnig terras aan de haven. Een paar minuten te laat. En dat gold ook voor het Picassomuseum, waar we toen -eigenlijk een beetje tegen beter weten in- naar toe wandelden. En het was alweer onze laatste dag in Malaga….

Maar goed, die musea waren niet de reden om hier naartoe te gaan. Dat was de verwachting dat het weer aangenaam zou zijn en de stad als geheel de moeite waard. En daarin zijn we niet teleurgesteld. In de middag een graad of 16 tot 18, en in de zon een bijna zomerse gevoelstemperatuur. In de ochtend en avond wat frisser, maar toch ook een stuk warmer dan thuis. En de stad is inderdaad fijn. Rond de kathedraal een oud gedeelte met vooral smalle straatjes en kleine pleintjes vol winkels, cafés en restaurants. Daar omheen een nieuwere schil waarin gebouwen uit de 18e, 19e en 20e eeuw door elkaar staan. Wij hebben in zo’n wijk, op nog geen kilometer van het centrum, een appartement op de zesde verdieping van een flatgebouw dat waarschijnlijk in de jaren 70 van de vorige eeuw is gebouwd. Het appartement recent opgeknapt, veel ruimte, Ikea-achtige luxe. Grote ramen op het zuiden, waardoor het overdag goed warm wordt – en voor ’s avonds de airco. De rest van het gebouw wat aftands, maar met een werkende lift. Een wijds uitzicht over de stad en het land daarachter, en opzij de heuvel waarop het kasteel ligt. Om ons heen redelijk drukke straten die ’s avonds laat rustig worden en voor ons een pleintje met een mini-parkje en een echt oud kerkje. Winkels en horeca in overvloed.

We kwamen op zaterdagavond aan, na een rustige vlucht vanaf Rotterdam. De gereserveerde taxi stond klaar en de rit naar het appartement duurde niet te lang, maar voerde ons wel langs veel van de uitbundige kerstversiering. Overal lichtjes dus (veel rood en groen ook, maar dat terzijde). Druk verkeer en weinig parkeerruimte, dus de keuze om hier niet met een “eigen” auto naar toe te gaan, bleek de juiste.
Een verkenning van de horeca bracht ons uiteindelijk bij een klein restaurantje vlak bij ons appartement, waarvan de eigenaar zei Cubaan te zijn. Althans, voor X procent – en wat X precies was, verstonden we niet. Een wereldkaart: gerechten uit Cuba en van de Canarische eilanden, maar ook Oezbekistan en Korea. We hebben maar wat verschillende dingen besteld, in kleine porties, en geconstateerd dat de Malagaanse versie van Cubaans eten zo slecht nog niet is en dat de Oezbeekse pilav geen culinair hoogtepunt is. Tenzij je van een heel erg Hollandse versie van nasi houdt.

Op zondag twee wel zeer geslaagde museumbezoeken. Eerst het Museo del Vidrio y Cristal, het glasmuseum dus. Gevestigd in een echt oud huis van drie verdiepingen rond een binnenplaats. Mooi gerestaureerd en hier en daar wat gemoderniseerd, en ingericht met meubels, schilderijen en andere zaken die voor een deel afkomstig zijn van de voorvaderen van de eigenaren. En dan natuurlijk de glascollectie, verzameld in de loop van decennia en een tijdsverloop van eeuwen omspannend: van Mesopotamische vaasjes (zo’n drie- à vierduizend jaar oud) tot decoratieve objecten uit Scandinavië, de VS, Italië en Iran. Mooi om te zien, grotendeels, maar echt een feestje werd het bezoek door de rondleiding met uitleg. Dat is de enige manier waarop het museum te bezoeken is, en dat schrikte ons even af, want je denkt dan aan iets massaals met een wat verveelde student die een ingestudeerd verhaal vertelt en het graag zo kort mogelijk houdt. Maar ons groepje bleek uit slechts vier personen te bestaan en de gids bleek een Britse, toch zeker wel 80-jarige, gepensioneerde arts die een van de eigenaren was en die met passie vertelde over alles wat er te zien was. Toegesneden op het gezelschap, want als Nederlanders moesten we natuurlijk wel het glas van Copier herkennen, en het in hout gesneden portret van stadhouder Willem de Vijfde.

Lunch in een trendy bar met goede koffie en wat mindere wijn bij niet echt traditionele gerechtjes. Daarna een taxi naar de voormalige tabaksfabriek waar nu het automobielmuseum zit. Dat lieten we links liggen, want rechtdoor was de dependance van het Russische staatsmuseum – zeg, de Hermitage in Malaga. We hadden niet tevoren gekeken wat ons daar wachtte, maar het bleek fascinerend. Niet zozeer de tentoonstelling van werken van Malevitch -hoewel die natuurlijk ook de moeite waard was- maar de tentoonstelling “De stralende toekomst”, met socialistisch-realistische (schilder)kunst. Meer dan manshoge portretten van Lenin, Stalin en andere vroege leiders van de Sovjet-Unie natuurlijk, maar ook enorme doeken waarop het dagelijks leven van de echte helden werd getoond: de arbeiders op het land en vooral in de fabrieken, de machinisten en matrozen, de geleerden van de academie van wetenschappen die zich bogen over de aanleg van een kanaal en de (vrouwelijke) studenten met hun neus in de boeken of fris de toekomst tegemoet kijkend. De sportlieden en natuurlijk de militairen – de laatsten vooral in de context van de Tweede Wereldoorlog. Historische momenten, zoals de ontvangst van Mao door Stalin, de bevrijding van Sebastopol, de redes van Lenin en het schrijven van een brief aan de opsteller van de Grondwet door de gezamenlijke arbeiders van de houtzagerij. Dit alles geschilderd met als enige doel de propaganda en niet de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emoties van de kunstenaar – en daarom vaak geschilderd door een “brigade” (een groep kunstenaars die er gezamenlijk voor zorgden dat niemand van de ideologisch juiste lijn afweek) en ook vaak exact gekopieerd. Heel informatief, allemaal – en artistiek bepaald niet slecht.

Oudejaarsavond, nochevieja, brachten we etend door. Met vooruitziende blik hadden we een tafel geboekt in een restaurant bijna recht tegenover ons appartement, waar we om half negen ontvangen werden met champagne en een selectie prima tapas, waarna we aan tafel gingen voor een diner van acht gangen. Niet van een overweldigende kwaliteit, maar alles bij elkaar heel aangenaam. Interessant was ook het gezelschap – vooral toeristen (we spraken er uit Zwitserland, Duitsland en Zweden, en hoorden ook nog redelijk wat andere talen om ons heen). Interessant was de invulling die we zo met z’n allen gaven aan de dress code “casual chic”, maar dat is dan ook niet echt waarop je je koffers pakt. Hoewel – sommigen pakten echt uit, al deed het resultaat ons vooral deed denken aan een vrijdagavond in een Britse universiteitsstad, toen we ons afvroegen of die meisjes het niet heel koud hadden. Hoogtepunt van de avond natuurlijk de twaalf druiven die we aten op de slagen van de klok, nadat we ons getooid hadden met de inhoud van het feestpakket dat we bij aanvang van de avond allemaal op onze stoel vonden.
Dat er geen vuurwerk was, hebben we niet gemist.

   


Rond het meer van Ohrid

We doen een laatste weekje vakantie dit jaar. Al in het voorjaar geboekt, zelfs voor we op het idee kwamen om in de zomer naar Canada te gaan - vandaar deze extravagante uitbreiding van onze co2-voetafdruk. Nogal anders dan we gewend zijn: een aanbieding uit de Libelle. Met Corendon naar hotel Drim, in Struga aan het meer van Ohrid, Macedonie

Een opmerkelijk hotel, voor ons doen. Nogal groot, in een wat brutale maar niet echt lelijke architectuur tussen het stadje en het meer. Een ruime, niet oncomfortabele kamer met balkon, met uitzicht op het buitengedeelte van het restaurant. Inmiddels wegens einde seizoen al gesloten, wat we niet erg vinden want het zou erg lawaaiig geweest zijn als het wel in gebruik was geweest. Een zwembad en een strandje, waarvan we aannemen dat ze in het hoogseizoen toneel zijn van wedstrijden handdoekje leggen maar waar nu nauwelijks iemand te zien is. Veel mensen die hier half-pension of all-inclusive zitten: toen we eergisteren eens een kijkje in het restaurant van het hotel namen, bleek dat geheel gevuld met mensen die rond het -uitgebreide- buffet cirkelden als wespen rond een glas frrisdrank. En ja, dat mochten we ook (voor slechts 10 Euro) of we konden a la carte eten als we dat echt wilden. Wat we om redenen van darm-technische aard (de salade die we als lunch hadden viel niet helemaal goed) uiteindelijk die avond maar niet gedaan hebben, maar dat is verder geen onderwerp voor dit blog.
Dat het ontbijt in buffetvorm is, is iets wat je tegenwoordig vrijwel overal hebt, maar hier is het niet van dat benepene: allerlei soorten baksels (van zoet tot hartig), groentegerechten met en zonder geitenkaas en iemand die op bestelling eieren en pannekoeken bakt. Waarbij overigens een aantal mensen nog steeds redenen tot klagen vindt, zo hoorden we tijdens een van de excursies die we boekten: als je all-inclusive zit, komen ze je de koffie niet eens brengen en krijg je bier uit flesjes en niet van de tap.

Excursies, ook zoiets. Niet helemaal nieuw voor ons, maar in deze vorm toch iets waar we echt nog niet aan gewend zijn. Vroeg je bed uit om op tijd in de bus te zitten, vervolgens eerst nog langs andere hotels om deelnemers op te halen. Een gids die algemeenheden uit een reisgidsje voorleest en verder vooral benadrukt dat je echt beslist op tijd weer bij de bus moet zijn. Een koffiestop van 20 minuten bij een tentje waarnaast toevallig een winkeltje zit waar je heel voordelig allerlei dingen kunt kopen die je tijdens het vrij te besteden middagprogramma misschien wel voordeliger aangeboden krijgt maar pas op dan is het misschien wel nep ...

Over onze excursie naar Albanie schreven we al een aparte blog, maar we deden er nog een. Een dagtocht naar het klooster van St. Naum, aan de andere kant (in de lengte gezien) van het meer. Eerst, om kwart over negen (dat viel dus mee) met z'n twintigen in de bus naar een hotel 10 km verderop. Daar een trap van 100 treden af naar het meer, waar een boot op ons wachtte met aan boord al zo'n 15 deelnemers uit de hotels daar in de buurt. Met die boot in een uurtje het meer in de breedte overgestoken, naar Ohrid. Nog een stuk of 15 passagiers opgehaald en verder langs de kust naar het zuiden, met hier en daar een stop bij een hotel waar nog een paar mensen aan boord kwamen. Vervolgens een stop bij de "Bay of bones", een best interessante plek - vooral voor Amsterdammers. Hier zijn de resten gevonden van een prehistorische nederzetting die op palen in het meer gebouwd was, met een -vermoedelijk- beweegbare brug voor de veiligheid. Voor de toeristen nagebouwd, waarbij je je telkens afvraagt of dat nu een beetje lijkt op hoe het echt was (heel onwaarschijnlijk leken ons de kampvuren op het houten dek, maar ja, wij zijn nauurlijk geen historici).
Na dit bezoek nog een drie kwartier varen naar het klooster, waar de gids zich wel erg gemakkelijk van zijn taak kweet door ons naar de binnenplaats te brengen en te vertellen dat hij ons een half uur later bij de poort terugverwachtte. Niks "verhalen en legendes over de wonderbaarlijke giften van Sint Naum" dus - laat staan dat de gids ons liet "beleven hoe echte gelovigen Sint Naums hart kunnen horen klopen bij zijn tombe", zoals het zo veelbelovend in de folder stond. Overigens bleek dat halve uur wel genoeg: het klooster zelf is omgbouwd tot hotel en het enige bezienswaardige zijn de twee kerkjes op het terrein, met overigens mooie iconen (in de folder vertaald met "pictogrammen") en fresco's.
Lunch in een nabijgelegen restaurant, waarbij het ons opviel dat ongeveer de helft van de rauwkostsalades onaangeroerd bleef, de gevulde paprika's met lange tanden gegeten werden en de watermeloen die we als dessert kregen bij velen ook al niet in de smaak viel. Een uurtje ter vrije besteding (de enige attractie was verder een verzameling kraampjes met prullaria of een boottochtje rond de bronnen die het meer voeden - en een wandeling rond het meer die we bij toeval ontdekten) en daarna weer terug aan boord voor de twee uur durende terugtocht (voor degenen die 's ochtends het laatst waren opgestapt kwam daar nog wel een ruim uur bij).

Op de drie dagen dat we niet op excursie gingen, hebben we vooral op het terras van het hotel en ons balcon gezeten. Natuurlijk ook een beetje in Struga zelf rondgekeken. Een weinig aantrekkelijke stad, met een markthal, een enkele winkelstraat en een aantal moskeeen waarvan de muezzins elkaar luide de loef proberen af te steken met hun gezang. Veel hotels en pensions, en de oevers van de (gekanaliseerde) rivier en het meer bezet met restaurants. Verder schijnen er nog een paar kleine musea te zijn - die bewaren voor morgen, want dan vliegen we aan het begin van de avond terug.

Vandaag (donderdag) brachten we een bezoek aan Ohrid, een wat groter stadje met meer historische bezienswaardigheden. Een taxiritje van ongeveer een kwartier (500 Denar, omgerekend zo'n 8 Euro - zonder fooi), waarbij we tijdens de heenreis uitgebreid te horen kregen dat het leven in Macedonie niet prettig is omdat er nauwelijks werk is, de lonen laag zijn (de chaufeur zei maar 200 Euro per maand te verdienen) en de kosten steeds hoger worden (in de winter 100 Euro per maand aan elektriciteit). Gevolg: veel jongeren trekken al jarenlang weg naar West-Europa (en komen eens per jaar een maandje terug waarmee ze samen met de toeristen bijdragen aan de prijsstijgingen).
In Ohrid begonnen we onze wandeling bij de oude poort. Die ligt redelijk hoog op de heuvel, zodat we na een korte blik op het naastgelegen amphitheater maar een klein stukje hoefden te klimmen naar het kasteel van koning Samuel. Niet anders dan andere grotendeels vervallen burchten, maar wel met een mooi uitzicht over het meer en de kleine vlakte tussen Ohrid en de bergen. En met een Bulgaar met wie we ingesprek raakten en die ons zijn Russische paspoort en Bulgaarse identiteitskaart liet zien, en van wie we ons nog steeds afvragen wat hij hier nu eigenlijk kwam doen, vanuit Moskou waar hij zei te wonen.
Vanaf het fort afgedaald naar een paar zeer historische kerken, waavan er een ligt op de plek van een vroeg-christelijke basiliek. Mooi wel, allemaal, en we hadden echt plezier van de brochure die we ons voor omgerekend een Euro lieten aanpraten door een dame die zei dat ze er verstand van had. Verder de heuvel af tot aan de kathedraal - een redelijk bescheiden bouwwerk dat we niet konden bezichtigen maar waar we een tijd naar hebben zitten kijken vanaf het terras van het restaurant waar we een paar smakelijke moten karper aten.
Ten slotte nog wat geslenterd langs het haventje en door een redelijk drukke winkelstraat, en besloten geen bezoek te brengen aan het museumpje dat gewijd is aan de Nederlandse schrijver A. den Doolaard (ja, dat is een pseudoniem) die de streek in de eerste helft van de vorige eeuw bezocht en er een paar boeken situeerde. Maar zijn staus van nationale Macedonische held ontleent hij -volgens de schrijver van een boekje dat we hier kochten- vooral aan het feit dat hij in de jaren '80 van de vorige eeuw pleitte voor een onafhankelijk Macedonie, inclusief het huidige Bulgaarse respectievelijk Griekse deel. Daarover zwijgen we echter liever, want als we daaraan beginnen moeten we ook wat zeggen over het referendum van afgelopen zondag (over de vraag of Macedonie voortaan Noord-Macedonie moet gaan heten) en daar hebben we eigenlijk helemaal niets van meegekregen.

De Republiek der Skipetaren

Er zijn drie dingen die Albanie bijzonder maken, zei onze gids toen we de grenspost achter ons lieten waar we net een uur hadden doorgebracht terwijl eerst aan de Macedonische en vervolgens de Albanese kant de gegevens van de 25 reisgenoten in onze bus in een computersystem werden getikt. In de eerste plaats de bunkers. U ziet straks de eerste, hij lijkt een beetje op een paddestoel die net boven de grond komt. En zo zijn er bijna een miljoen in dit land - klein, middelmaat en groot. In de tweede plaats de Mercedessen. Albaniers denken dat Mercedes de enige goede auto is, dus willen ze er allemaal een hebben. Als ze hem dan hebben, kopen ze een rijbewijs en gaan ze zichzelf leren rijden. En in de derde plaats de bruiloften. Die duren hier drie dagen, er komen vijf- of zeshonderd gasten, de bruid kleedt zich drie keer per dag om en elke keer moet de bruidegom haar goud geven om te laten zien dat zijn familie rijk is.

Nu ja, een op de drie goed is niet slecht: we zagen inderdaad heel wat bunkers  tijdens onze ene dag in Albanie. Langs de grens, zo maar ergens in een veld naast de weg en midden in de stad. Allemaal hetzelfde ontwerp, maar in verschillende grootten: een koepeltje dat even boven het maaiveld uitkomt, met een sleuf waardoor je naar buiten kon schieten. Mercedessen waren er ook, maar vooral oude - of kennelijk vermomd als Volkswagens, Toyota's en dergelijke (toegegeven, sommige bestuurders reden inderdaad alsof ze zichzelf geleerd hadden dat het midden van de weg van hen was). En dat van die bruiloften: ja, we zagen veel winkels met bruidskleding, van een uitbundigheid en kleurrijkheid die opviel, maar geen bruiden die omstuwd werden door honderden gasten.

Wat we ook zagen, was een opmerkelijk land. Vanaf het moment dat we in enigszins bewoond gebied kwamen, nog in de bergen, tot aan de Adriatische kust passeerden we om de paar honderd meter (nou, goed - soms was het een kilometer) een tankstation. Om de drie tankstations een autowasserij en om de vijf een winkel in auto-onderdelen en accesoires. Op het platteland veel (redelijk) nieuwe huizen, van klein tot enorm groot en protserig - waarvan veel niet helemaal afgebouwd (om belasting te ontwijken, vertelde onze gids). In het centrum van Tirana veel goed uitziende regeringsgebouwen uit de communistische tijd en daarvoor (en een enkel  afbrokkelend monument  ter ere van Enver Hoxha en familie) met daaromheen veel kennelijk particuliere nieuwbouw die er ook niet slecht uitziet. En tussen Tirana en Durres aan de kust allemaal nieuwe bedrijfsgebouwen, die een suggestie van bedrijvigheid en rijkdom uitstraalden de we moeilijk konden rijmen met het agrarische karakter van het land daarachter waar we regelmatig een herder met een enkele koe of twee geiten zagen, de armoedigde indruk van de woonwijken waar we doorheen reden en de in onbruik geraakte spoorwegen. Geen gezonde economie, denk je dan, maar een facade met daarachter ongetwijfeld een paar mensen die er fors aan verdienen en verder betrekkelijke armoede. Een beetje zoals sommige winkels en dienstverleners in Nederland, waar je zelden een klant ziet maar die toch een tijd lijken te floreren uit onverklaarbare inkomsten, totdat ze failliet gaan. En dat dan op nationale schaal.

Een land ook met veel natuurschoon, die verpest wordt door lukraak neergezette bouwsels en achtergelaten vuil. Veel vuil - vooral plasticafval dat er nog jaren zal liggen. Weinig echt historische gebouwen, waarschijnlijk ook omdat in de periode van Hoxha bijna alle kerken en moskeeen met de grond zijn gelijkgemaakt. Alleen in Durres zagen we een -kennelijk- middeleeuwse toren en stadsmuur, en een  amphitheater  uit de Romeinse tijd.

Natuurlijk - we waren er maar een dag en gedurende die dag werden we rondgeleid door een gids die ook maar haar beeld van het buurland als de werkelijkheid vertelde. Maar wat we zagen stemde ons bijna net zo somber als het ons nieuwsgierig maakte naar het echte Albanie. En dat werd niet minder toen we, gedreven door die nieuwsgierigheid, deze analyse  lazen (waarbij we de kwalificaties van de EU maar aan de auteur laten).

We stoppen ermee

Nee, niet met deze blog, maar met onze reis door Canada en de VS. Morgenmiddag, een dag of 10 eerder dan gepland, gaat onze vlucht. We hebben besloten dat de rook van de honderden bosbranden in West Canada en het westen van de VS ons teveel op keel en longen slaat, en dat we voortijdig terugkeren naar de schone Nederlandse lucht. Het is jammer van de mooie dingen die we nog hoopten te zien, maar zoals het nu is, valt er helemaal niets te zien. En dan: op de plekken waar we nog naartoe zouden gaan – Vancouver, Seattle, Portland- is het momenteel erger dan hier, en het ziet er niet naar uit dat het snel beter wordt.

Gek, eigenlijk. In het begin hadden we het niet eens zo in de gaten. Toen we vorige week zondag uit Madeira Park vertrokken, was het bewolkt en een beetje nevelig na een stevige regenbui die nacht. En toen we na een korte boottocht en een uurtje rijden in Whistler aankwamen, was het nog steeds nevelig. Dachten we, al zag het er vreemd uit met de zon die daar bloedrood doorheen scheen. Waarschijnlijk ook hing de rook daar wat hoger, want te ruiken viel er niets – ook niet de volgende dag, toen we een aardige wandeling door een bos maakten. Dat kwam eigenlijk pas de dag daarna, in de buurt van Clearwater. Alleen dachten we toen dat de opkomende benauwdheid veroorzaakt werd doordat we in een cederhouten blokhut sliepen, die misschien ook wat was aangetast door het vocht omdat hij alleen in de zomermaanden verhuurd werd.

Daar namen we ook  de eerste beslissing op weg naar dit voortijdige einde: we besloten er een dag eerder te vertrekken en ook het verblijf van twee dagen in een vergelijkbare accommodatie te vervangen door drie dagen in een door onze reisagent geregeld heel aangenaam alternatief in Salmon Arm. Ook daar wel rook, maar de eerste twee dagen nog goed te doen: hoog en redelijk dun. Pas de derde dag werd het “Smoke on the Water”, met nog maar een paar honderd meter zicht en een duidelijk geur van verbrand hout.

De volgende dag, tijdens een rit van ruim 300 km naar Lake Louise, werd het echt heel onaangenaam. Het zicht weliswaar voldoende om te rijden, maar niet om te genieten. De aanslag op keel en longen te groot. En toen het hier in Lake Louise niet beter bleek -al zagen we vandaag weer wel even wat zon- hebben we knoop doorgehakt en geregeld dat we morgen terugvliegen.

Goed. Hebben we verder nog wat meegemaakt, de afgelopen week? Ja, zeker.

Om te beginnen dus Whistler – een naam die ons niet veel zei, maar het bleek dat zich daar een groot deel van de Olympische winterspelen van 2010 had afgespeeld en dat het “dorp” waar wij verbleven (vooral hotels en winkels) speciaal daarvoor gebouwd was. Ok, het zag er aangenaam uit en de kamer in het Pinnackle hotel was wel prettig, maar omdat we niet van plan waren gebruik te maken van de vele tientallen kilometers mountainbike tracks, was het niet helemaal een ideale verblijfplaats. Hoewel we er dus wel een aardige wandeling maakten, maar dat had ook elders gekund. En ja, er zat ook het beste restaurant dat we tot nu toe tegenkwamen in Canada -de Alta Bistro, met smakelijke gerechten als gazpacho van bloemkool en sesamzaad en tartaar van eland met een parfait van eendelever- maar we hadden ook zonder gekund.

De “ranch” waar we in Clearwater verbleven -de blokhut dus- was ook niet echt onze eerste keus, maar lag wel in een erg mooi en redelijk rustig natuurreservaat, waar we nu vanwege ons eerdere vertrek alleen een waterval zagen (Helmcken Falls).

Salmon Arm was om een aantal redenen wel de moeite waard. Het hotel was prettig en onze kamer mooi en groot, met als belangrijk pluspunt een balkon waar we niet alleen konden ontbijten en dineren maar ook uitzicht hadden op het meer waar veel vogels hun eten haalden – inclusief visarenden die we tot twee keer toe met een flinke zalm in de klauwen zagen wegvliegen. Helaas moesten we de laatste nacht naar een andere kamer, weliswaar even groot maar zonder balkon en met iets dunnere wanden (of luidruchtiger buren). Die verhuizing was nodig omdat we kort tevoren hadden geboekt en het hotel die laatste nacht vol zat met artiesten die optraden bij het Roots and Blues festival. Zelf hebben we de gelegenheid om daar naartoe te gaan voorbij laten gaan, maar het zorgde voor redelijk wat reuring in het stadje. En op afstand kregen we er toch wel wat van mee. Stil was het trouwens ook om andere redenen niet: het stadje wordt doorsneden door de Trans Canada Highway en door een van de belangrijkste spoorlijnen van (West-)Canada. Waar dat ons weer met de neus op drukte, is dat Canada -net als de VS- iets heel tegenstrijdigs heeft (of misschien is het ook wel logisch): in gebieden waar niet veel mensen zijn is het echt stil, maar alles wat door mensen gebruikt wordt, maakt opmerkelijk veel herrie: (water)vliegtuigen, motorboten, auto’s, motorfietsen, locomotieven, bladblazers, airco’s – het lijkt wel of de demper niet bestaat en het blijft ook rustig een tijdje stationair draaien onder het raam van je hotel, voor je terras etc. Goederentreinen (andere zijn er nauwelijks) zijn trouwens wel spectaculair: ze zijn werkelijk kilometers lang en rijden voor Nederlandse begrippen zeer langzaam, waardoor de wachttijden voor overwegen nogal fors kunnen zijn.

Op weg naar Lake Louise kregen we te maken met een ander interessant wachttijdenfenomeen: grootschalige wegwerkzaamheden waardoor het verkeer op de (tweebaans-)snelweg afwisselend over één baan werd geleid. Het kostte ons drie kwartier.

Lake Louise – ach, toch wel jammer. Het ligt prachtig, tussen de Rocky Mountains. Bij mooi weer heb je dan normaal gesproken een prachtig uitzicht op besneeuwde toppen en gletschers. Tja, wij hadden wel mooi weer -denken we- maar ook die rook. Verder valt er niet veel te melden. De Lake Louise Inn in een groot hotel / resort dat dit weekend helemaal vol zat (zoals trouwens het hele stadje – er werden bij het meer mensen weggestuurd omdat alle parkeerterreinen vol waren). Een redelijke kamer, matige restaurants, onpersoonlijk.

En wat gaan we missen? Drie steden, die elk wel iets bijzonders hebben maar waarvan we ook kunnen denken: ach, een stad is een stad en die hebben we al eens gezien. En een treinreis. Of eigenlijk, de treinreis waar het eigenlijk om ging: de Rocky Mountaineer, in twee dagen van Banff naar Vancouver. Voor een groot gedeelte door gebied waar je anders niet zo komt en (dus) met mooie uitzichten. Maar ja – die rook.

Rook, modder en aangenamer zaken

Het is hier, met uitzondering van zaterdag en zondagochtend toen het zwaar bewolkt was, al tijden stralend weer. Althans, sinds zondag moeten we aannemen dat dat zo is, want naarmate we verder landinwaarts komen, zien we steeds minder van de blauwe hemel en de zon, omdat die bedekt zijn door een dikke laag “fog”: mist vermengd met rook. En dat laatste komt door de enorme bosbranden die al tijden woeden in de hele strook van Californië tot hoog in het Noorden van Canada. Door de heersende wind trekt die rook op een paar honderd meter hoogte naar het noorden en wordt ze niet verspreid, met als resultaat dat we hier de bergen om ons heen in een grijsblauwe mist zien die laat op de dag, als de zon er een beetje doorheen begint te komen, verkleurt naar goudgeel tot roodbruin. En rood is ook de zon zelf, als die soms even zichtbaar wordt -zoals de “bloedmaan” die we zelf thuis vanwege de bewolking niet konden zien. Waarbij overigens de temperatuur nog aangenaam blijft – niet te warm, in elk geval.

Met die hoge rook hebben we nog geluk, naar het schijnt – volgens de eigenaar van Wells Gray Guest Ranch in Clearwater, waar we later verbleven, komt het ook voor dat de rook zo laag hangt dat je last krijgt van prikkende ogen en benauwdheid. En natuurlijk hebben we geluk dat de bosbranden hier in British Columbia relatief klein en ver verwijderd zijn van waar wij verblijven en rijden, zodat we er niet direct last van hebben. Zeker als je door een in de afgelopen jaren getroffen gebied rijdt, realiseer je je door de omvang van de schade heel duidelijk dat ze een reëel gevaar vormen – meer dan de beren waarvoor je op veel plaatsen gewaarschuwd wordt en waarop we tijdens wandelingen ook wel bedacht zijn.

Een ander heel reëel gevaar kwamen we tegen tijdens de lange rit van Whistler naar Clearwater – althans, ook in dit geval de resten ervan. Als gevolg van de regen die daar afgelopen zaterdag heel overvloedig gevallen is, waren er over kilometers weg enorme modderstromen geweest – op sommige plekken zo heftig dat een deel van de weg was weggespoeld of zodanig bedekt met grond dat het tot maandagavond duurde voor er weer afwisselend over één baan verkeer mogelijk was. In het nieuws zagen we dat een aantal auto’s in dergelijke stromen terecht waren gekomen, en dat één persoon nog vermist werd. Waarbij we ons in het voorbijrijden realiseerden dat “vermist” betekent “nog niet gevonden in de laag modder en de poelen langs de weg”. En de bewoners van een aantal huizen daar in de buurt hadden duidelijk geluk gehad: de auto’s op hun erf stonden tot halverwege de wielen in de modder, maar de huizen zelf leken onaangetast.

Goed. Tot zover de weerberichten en verkeersinformatie – nu nog een vakantiebericht.

We zijn weer terug op het vasteland. Van Campbell River reden we in alle vroegte -nou, ja, voor ons doen dan- een eindje terug naar het zuiden, waar we in Comox omstreeks 10 uur onze “undersized vehicle”-een Kia Soul- aan boord van de veerboot naar Powel River reden. Een tocht van zo’n 1,5 uur in prachtig weer over een gladde zee – dat is lang niet slecht.

Omdat we in Powell River wat tijd moesten stukslaan voordat we met een volgende veerboot verder konden naar het zuiden, hebben we daar het plaatselijke museum bezocht. Heel klein, maar met twee interessante onderwerpen waaraan veel aandacht werd besteed: het leven van de oorspronkelijke bewoners (diverse stammen van de “First Nations”) en de plaatselijke papierfabriek. Krantenpapier, dat was de bestemming van de vele bomen die in de wijde omgeving van Powell River gekapt werden – op een enkele na, die als vlaggemast naar Kensington Gardens werd getransporteerd. Heel instructief was trouwens de film waarin je kon zien hoe het papier gemaakt werd – niet alleen vanwege de techniek van het papiermaken zelf, maar ook vanwege de beelden waarin je kon zien hoe de mensen, die werkten in het deel van de fabriek waar de boomstammen verzaagd werden, geheel onderdeel van het mechanische proces waren en dus volstrekt volgens het ritme van de machines moesten werken. Je weet het, maar je hebt het pas door als je het ziet.

Na de lunch bij een soort snackbar tegenover het museum -geheel tegen onze gewoonte gingen we ons te buiten aan een cheeseburger, en die bleek nog smakelijk ook- moesten we een half uurtje rijden naar de veerboot van Saltery Bay naar Earls Cove. Even waren we bang dat we niet mee zouden kunnen, zoveel auto’s stonden er te wachten, maar die veren blijken toch altijd weer groter dan je op het eerste gezicht denkt. En ach – voor een undersized vehicle is er natuurlijk altijd plaats.

Weer een tocht van een ruim uur en toen nog een half uurtje rijden naar Madeira Park, een kleine plaats aan een van de vele baaien. Ons appartementje in het Sunshine Coast Resort bleek verrassend mooi gelegen en heel comfortabel met een aparte slaapkamer, een goed ingerichte keuken en een fijn balkon met uitzicht op de baai met vele jachthavens. Misschien kwam het door het wat minder goede weer (veel wolken en op zee een harde wind), maar het was redelijk rustig op het water – en dus ook in het resort.

Vlak bij het resort was er in het Francis Point Provincial Park een mooie en, hoewel niet zo lange, pittige wandeling langs de kust. Wijdse vergezichten, imposante bomen en zo nu en dan ook een leuk vogeltje (Woody Woodpecker in eigen persoon) maakten het zeer de moeite waard.