Marian en Max zijn even weg

Verhaal van twee steden

“Ik ben nu 78, maar ik voel me veel ouder”. We konden het ons voorstellen, want wat de dame naast ons in een restaurant in Riga ons net verteld had over haar leven, was wel indrukwekkend. Geboren in Riga, als dochter van “etnische Duitsers”. Met haar moeder gevlucht voor het oprukkende Rode leger, tot in Duitsland. Daar als “displaced person” vijf jaar in een vluchtelingenkamp gezeten, en toen opgenomen door Australië. Nou ja – opgenomen: eerst weer vijf jaar in een kamp. En nu was ze met haar zoon voor de tweede keer terug in Letland, om via archieven en een paar nog levende verre familieleden iets te achterhalen over haar verleden en dat van haar ouders. Moeizaam, want ze sprak en las wel wat Lets, maar die officiële documenten waren toch wel erg moeilijk te begrijpen. En het was allemaal zo anders dan in Australië, en ook dan 25 jaar geleden toen ze voor het eerst terug was geweest. Zoveel drukker, en zoveel minder vriendelijk. Haar zoon had zo zijn eigen problemen. Hij hielp haar graag, zei hij, maar hij zag er als een berg tegenop om een auto te huren zodat ze nog een paar mensen wat verder weg konden bezoeken. Rechts rijden en de rotonde in de juiste richting nemen – zou hij dat wel kunnen?

Het verhaal over die vlucht voor het Rode leger deed ons direct denken aan de verhalen die we een paar dagen eerder hadden gehoord in een documentaire die getoond werd in het KUMU, het nationale museum van Estland in Tallinn. Mensen van haar leeftijd en ouder vertelden over hoe ze als kind na de nazi-bezetting door de Russen met hun ouders waren gedeporteerd naar Siberië. En daarvandaan waren ze op de een of andere manier teruggekomen. Sommigen nadat ze wees waren geworden, sommigen gestuurd door hun ouders die hadden gehoord dat de kinderen terug mochten. Hele einden lopend, liftend, hangend aan of zittend op de daken van treinen. Soms geholpen door mensen die ze onderweg tegenkwamen, soms opgejaagd. En altijd beschadigd – fysiek door een val van de trein of geestelijk door de ervaring.

Het zijn van die persoonlijke verhalen die je raken en die je doen beseffen hoeveel het uitmaakt of mensen handelen vanuit medemenselijkheid of als deel van een systeem, vanuit een ideologie die categorieën mensen hun menselijkheid afneemt door ze te labelen als klassevijanden, nazi’s, joden, gelukszoekers, “zij”. En het is gek, eigenlijk, hoezeer je je dat realiseert als je hier rondloopt in de oude steden, terwijl in ons eigen land die geschiedenis ook voor het oprapen ligt. Maar misschien komt dat wel omdat juist de Baltische staten in hun huidige vorm nog zo jong zijn -nog geen 30 jaar- en dat er veel geïnvesteerd wordt in het opbouwen van een nationale identiteit en in het kader daarvan vertellen van de geschiedenis.

Dat vertellen van een nationale geschiedenis was onderwerp van een tentoonstelling in een ander museum in Tallinn, het Kadriorg-paleis (een passende plek, omdat dit paleis zelf gebouwd werd in het kader van Tsaar Peter de Grote’s project om van Rusland een Europese natie te maken). De tentoonstelling ging over Deense schilderkunst en toonde vooral de schilderijen uit het begin van de 19e eeuw (de Deense “Gouden eeuw van de schilderkunst”) en hoe die een eeuw later werden geïnterpreteerd als deel van de Deense nationale identiteit. Interessant, zeker als je je realiseert hoe sommige onderwerpen -denk aan zeeslagen en de protestantse levensstijl- ook in de Nederlandse schilderkunst een belangrijke rol spelen. Maar ook de vaste collectie van vooral wat oudere kunst en het gebouw zelf maakten het bezoek zeer de moeite waard.

Datzelfde gold, misschien nog wel in sterkere mate, het al genoemde Kumu. Een erg mooi modern gebouw, niet te opdringerig ingepast in het park – hoewel dat een beetje afhangt van welke kant je het benadert. Binnen vooral moderne en hedendaagse kunst uit Estland, waar we een paar uur tussen konden lopen zonder echt vermoeid te raken- zo verrassend of interessant was het telkens weer. Modeontwerpen en kapsels die de drager of draagster forse problemen zouden opleveren in het openbaar vervoer in Nederland, een filmmontage die ons deed terugdenken aan Monty Python’s Flying Circus, de al genoemde video’s van mensen die als kind naar Siberië waren gevoerd, een zaal met gebeeldhouwde hoofden, schilderijen uit de sovjet-tijd en de reactie daarop, beelden, bezoekers in uitdossingen die je alleen in musea (vooral die voor moderne kunst) ziet …

Vergelijkbaar en toch weer heel anders was het Letse museum voor de schone kunsten in Riga. De vorige keer dat we er waren, alweer vier jaar geleden, konden we dat niet bezoeken omdat het gebouw –een ruime eeuw oud- werd gerestaureerd. Die restauratie heeft ook weer een gebouw opgeleverd dat op zichzelf al het bekijken waard is, zowel vanwege de oorspronkelijke art nouveau details en de immense houtconstructie in de koepel als het dakterras en de glazen vloer van de ruimte voor tijdelijke exposities. Maar het draait natuurlijk om de collectie. De bestaat hier uit werk van Estse kunstenaars, over een periode van ruim twee eeuwen. Ook hier weer alles tussen niet zo geslaagd tot bijzonder mooi, een beetje saai tot heel spannend en ontroerend tot grappig. Dat gold overigens ook voor de tijdelijke tentoonstelling met werken van de schilderes Hilda Vïka: vooral vrolijk en kleurig (en een beetje naïef) met daartussen ineens dat ene schilderij van de arrestatie, in het Sovjet-tijdperk, van haar echtgenoot. Somber, dreigend, pijnlijk. En dan in haar levensbeschrijving de mededeling dat ze zich daarna de beginselen van socialistisch realistische methode moest eigen maken om als kunstenaar te kunnen blijven werken.

Nou, tot zover weer de boodschappen. Nog even wat feitjes en weetjes, over Tallinn om te beginnen. We hadden er een spiksplinternieuw appartement in een buitenwijk vlakbij de haven waar de enorme veerboten naar Stockholm en Helsinki aanleggen. Heel ruim en comfortabel, maar nogal karakterloos. Een half uurtje lopen van de oude binnenstad, waar de geschiedenis nog zeer aanwezig is – net als de hedendaagse toerist. Een eindje verder ligt dan de imposante Russisch-Orthodoxe kathedraal (ook drukbezocht) en weer wat verder een aangenaam rustige en groene wijk met veel houten huizen. Vlak daarachter het zeevaartmuseum (van een bezoek daaraan is het niet gekomen, maar de schepen eromheen waren ook de moeite waard) en het gevangenisachtige zeefort. En dan, op de terugweg langs de kust, de megalomane Linnahall (een congres-, sport- en muziekhal die ook als fort dienst zou kunnen doen) uit het sovjet-tijdperk.
We hadden er het grootste deel van de twee dagen dat we er waren mooi weer – alleen op de avond dat we in de binnenstad in een restaurant gingen eten (Pegasus, modern en goed – we aten er gebakken octopus) barstte er net toen we binnen waren een enorme stortbui los. Maar die was weer voorbij toen wij klaar waren om naar ons appartement terug te gaan.  

In Riga begon een vergelijkbare stortbui toen we terug naar ons appartement liepen vanaf het museum, maar dat was gelukkig maar een heel kort stukje. Het appartement lag namelijk zeer centraal in de binnenstad, met uitzicht op het nationale monument (en dus ook op de erewacht die daar dagelijks tussen tien en vier staat, zeer strak in de houding of de benen strekkend in een exercitie die ook alweer aan Monty Python doet denken). Hier trouwens wel wat sfeer, vooral omdat we in een wat ouder gebouw zaten (het appartement zelf was wel recent gerenoveerd). Van de stad hebben we verder niet zoveel gezien, behalve de markt in de ook weer uit de sovjet-tijd stammende markthallen.

Over de rit van Tallinn naar Riga valt niet veel meer te zeggen dat hij lang was (nou ja, ruim vier uur) en een beetje saai, ondanks het drukke verkeer. Geen zicht op de zee, trouwens, terwijl de weg voor een groot deel vlak langs de kust loopt.

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!